Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.20    Van de verlossing

Het hoofdstuk Van de Verlossing is het zwaartepunt van deel twee van Aldus sprak Zarathoestra.

In deel 1 riep Zarathoestra op tot het bereiken van de Bovenmens. Dit hield verwerping van de metafysica in, het zich richten op het aardse, het verachten van al het lage, luie en primitieve, en zich de allerhoogste doelen voor ogen stellen.
In deel twee houdt Nietzsche zich bezig met 'een paar mankementen' aan deze leer dwz de realiteit van het bestaan. Hij moet toegeven dat het leven niet op de voorgestelde manier volledig te vangen valt. Ook de held ervaart de totale eenzaamheid (II.9), ook hij ervaart een passieve speelbal te zijn van grotere machten (II.10), en soms een verliezer te zijn, gevangen in spijt en haat (II.11). De definitie van het leven wordt gegeven als dat wat zichzelf steeds overwinnen moet, dwz als een nooit afzijnd proces. Daarbij merkt een mens op dat hij eeuwige 'strijd en worden en doel en tegenspraak van doelen' is, en kromme wegen bewandelt (II.12). Met een wereld vol mensen die denken ontwikkeld te zijn, maar nergens naar streven (II.13), mensen die verstrikt zijn in 'het enige ware geloof' (II.14), geleerden die slechts de 'kousen van de geest' breien (II.15), idealisten die liever de zoete leugen dan de naakte waarheid nastreven (II.17), en idealisten die beheersd worden door haat- en wraakgedachten, belandt Zarathoestra op een verlammend toekomstvisioen: de neerwaartse krachten zullen uiteindelijk triomferen, het Nihilisme zal uiteindelijk het laatste woord hebben, er is geen antwoord op droefheid, ledigheid, zinloosheid en dood. Het enige antwoord hierop wordt in Zarathoestra's nachtmerrie door het leven zelf gegeven: het Leven schaterlacht om 's mensen droefheid, speurtocht naar zin en angst voor de dood: zij schept eenvoudig eeuwig nieuw leven op weg naar een nieuwe dood (II.19).


Temidden van al dit negatieve en koude houdt Zarathoestra verbeten vast aan zijn warme overtuigingen: het Nachtlied, de noodkreet van de eenzaamste mens, eindigt met de woorden "mijn ziel is het lied van een minnende", het Danslied met "vergeeft me mijn droefheid! Avond is het geworden: vergeeft me dat het avond werd!", het Graflied met "Iets onkwetsbaars, onbegraafbaars is in mij, iets dat rotsen doet springen: het heet mijn wil...Ja, nog ben jij de verbrijzelaar van alle graven: heil jou, mijn wil! En enkel waar graven zijn, daar zijn opstandingen." Op de macht van het lijden, de zinloosheid en de Geest der Zwaarte is er een antwoord dat heet: Met waarden en woorden van goed en kwaad oefent men macht uit en bepaalt men waarden; uit een sterkere macht spruiten nieuwe waarden en een nieuwe overwinning voort (II.12).


Maar er mag dan een zelfoverwinning bestaan, wie zegt dat het niet slechts weer een nieuwe waan is, een waan precies zoals de oude waan van 'ware gelovigen'? Wie zegt dat het niet weer een nieuwe leugen is, precies zoals de dichters van alle eeuwen zich via leugens troost verschaften? Maar indien men cynisch wordt, teveel kennis opdoet, dan is de uitkomst 'het land der beschaving' (II.14): men stevent dan onherroepelijk af op totaal relativisme, het tegendeel van scheppen en willen, slechts een kleine stap verwijderd van het totale nihilisme (II.19).


Voor Verlossing is iets anders nodig dan hoop op een betere toekomst en ook iets anders dan kennis. Zarathoestra bereikt nu een inzicht waarvoor de mens tot nu toe volkomen blind is geweest. Zarathoestra heeft de ziekten van de mens nu op zichzelf genomen; hij heeft alle kromme wegen, al het lijden, al het vergeefs zijn, al de frustraties, tot op het bot gevoeld. De nachtmerrie waar het vorige hoofdstuk mee besloot was de nachtmerrie van het gehele mensdom. Zarathoestra ontwaakt uit deze nachtmerrie, en kan nu de volledige diagnose stellen en op het lijden van de mens een antwoord proberen te geven.


Aanleiding voor Zarathoestra's leer van Verlossing is zijn ontmoeting met kreupelen, bedelaars, bultenaars, blinden en lammen. (Vgl. Mt. 15:30: "Er kwamen grote mensenmassa's op hem af. Men had verlamden, blinden, kreupelen, doofstommen en vele anderen meegebracht.") Ze dagen hem uit: Een beetje god moet dezulken toch beter kunnen maken, laat nu eens zien waartoe je in staat bent, Zarathoestra, dan zal iedereen in je geloven!, zo roept een bultenaar uit. (vgl. Johannes 2:23: "...velen kwamen tot geloof omdat ze de wondertekenen zagen die hij deed" en Joh. 6:30: "Welk wonderteken kunt u verrichten? Als we iets zien zullen we in u geloven.") Zarathoestra gaat niet in op dit verzoek. Zelfs het volk zegt al dat het nergens goed voor is. Zegt het volk niet dat wanneer een bultenaar zijn bult kwijtraakt, hij ook zijn geest verliest? En geeft men een blinde zijn ogen, dan ziet hij volgens het volk te veel erge dingen op aarde. En wie een lamme laat lopen, zal zien dat zijn ondeugden met hem aan de haal gaan, zo zegt het volk. Nietzsche laat zo zien dat de wonderen die Jezus verrichtte slechts oppervlakkige zaken zijn. Fysiek beter maken geeft geen verlossing voor de mens, het raakt het hart van het probleem van het lijden niet aan. Bovendien wil hij niet dat mensen in hem geloven (zoals Jezus leerde, Joh. 6:29: "Dit moet u voor God doen: geloven in hem die Hij gezonden heeft."). Zarathoestra versterkt zijn afwijzing van wonderen nog door er op te wijzen hoeveel mensen ogenschijnlijk gezond door het leven gaan, maar in werkelijkheid een karikatuur van gezond leven zijn: zoveel mensen die alles missen, behalve één ding waar zij veel te veel van hebben - mensen die niets méér zijn dan één groot oog of één grote muil of één grote buik -tegenwoordig zou men er aan toe kunnen voegen "of één grote penis". "Opgeblazen zielen bungelend aan een steeltje". Indien wonderen voor verlossing zouden kunnen zorgen, dan zou de wonderdoener het gehele bestaan moeten omtoveren!


Vervolgens richt Zarathoestra zich onthutst op zijn discipelen, en begint hij hen te onderwijzen. De uitdrukking 'mit tiefem Unmuthe' wordt in een nederlandse vertaling foutief vertaald met 'met grote wrevel'. Begrijpelijker wordt de uitdrukking door het 'met schrik vervuld', 'met grote ontzetting', of 'geheel ontmoedigd' te vertalen. Zarathoestra begint een leer te verkondigen - de belangrijkste leer van deel II - waar hij van afschrikt, waarvoor hem de moed ontbreekt; hij doet het slechts omdat hij ertoe gedwongen wordt. Hij vertelt ze over de brokstukken die hij voortdurend moet aanzien. Het erbarmelijke menszijn dat hij in zijn leven om zich heen ziet voelt aan alsof hij temidden van een slagveld loopt en overal ledematen en verbrijzelde mensen tegenkomt. De nachtmerrie uit het vorige hoofdstuk klinkt hier als een echo door.


Het hier en nu en de geschiedenis - ach, mijn vrienden! - dat is mijn ondraaglijkste last; en ik zou niet weten hoe te leven, als ik niet ook een ziener was van wat komen moet. Een ziener, een willer, een schepper, een toekomst zelf en een brug naar de toekomst - en ach, ook nog als het ware een kreupele op deze brug: dit alles is Zarathoestra.


Zarathoestra wil het leven tot op de bodem induiken. En hoe dieper hij in het leven graaft, des te helderder ziet hij dat zijn dichten en streven slechts een middel is om gezond te blijven; idealen dienen om het hoofd boven water te houden. Volkomen eerlijkheid gebiedt hem ook dít het strompelen van een kreupele te noemen (alweer iets wat de nachtmerrie uit het vorige hoofdstuk hem duidelijk maakte). Vervolgens vraagt Zarathoestra zijn discipelen wie hij is - net zoals Jezus dit doet in het evangelie. In het evangelie krijgt Jezus benamingen als grote profeet, Mozes, Elia, en komt Petrus hierna met de geweldigste formulering aan: "Gij zijt de Messias, de Zoon van de levende God." Jezus beaamt deze benaming. Maar Zarathoestra is geheel anders. Hij beantwoordt zijn vraag met slechts een eindeloze reeks vragen, allemaal tegengesteld aan elkaar: is hij een belover, een vervuller, een veroveraar, een erver, een herfst, een ploegschaar, een arts, een genezene, een dichter, een bevrijder, een eerlijke, een bedwinger, een goed man, een slecht man? In feite beaamt hij ze allemaal, hij is alles wat de mens is, hij is gewoon mens, hij is u en ik, en heeft slechts één oogmerk:


Dit is al mijn doen en laten, dat ik tot één geheel dicht en verenig wat brokstuk is en raadsel en ijselijk toeval. Hoe zou ik het verdragen mens te zijn, als de mens niet tevens dichter en oplosser van raadsels was en de verlosser van het toeval!


Zarathoestra komt hier tot op de kern van zijn menszijn: zijn menszijn dwingt hem ertoe 'dichter' te zijn, dwz religieus mens, idealist, maar zijn menszijn streeft ook de absolute eerlijkheid na, zodat hij de dichter in hem voortdurend voor schut moet zetten, en uiteindelijk met brokstukken en fragmenten in zijn handen staat. Hoe zou het mogelijk zijn 'verlossing' te ervaren in het leven?


Zarathoestra komt vervolgens met het beslissende inzicht: het verleden, dus alles wat achter ons ligt, is de ultieme oorzaak voor ons lijden. Het verleden, 'het was', is als een tiran voor ons: er valt niets meer aan te doen. Van hieruit ontstaat in ons de wrevel, de haat, de depressie, de wraak, de weerzin van de wil en diens 'het was'.


De geest des wrakes: mijn vrienden, dat is tot dusver 's mensen diepste nadenken geweest; en waar leed was, daar moest steeds straf zijn. Want 'straf', zo noemt de wraak zichzelf: met een leugenwoord huichelt zij voor zichzelf een goed geweten.


Het allerdiepste inzicht dat een mens kan hebben is inzien dat de kern van zijn leven 'de geest des wrakes' is. Zie voor deze woorden Waarom ik geen christen meer ben, om te zien hoe de basis van het christelijk geloof in de geest des wrakes gedompeld ligt. En het is niet moeilijk te zien hoe het ook de basis van de Islam is. Nietzsche noemt alle prediking van traditionele (lees: godsdienstige) moraal waanzin. Waanzin en ziekte ligt aan de basis van het leven van de mens. Ze zijn het gevolg van de totale frustratie van de scheppende wil door het verleden. De scheppende wil slaat vanwege de tirannie van het verleden om in straf- en wraakgedachten. Dat deze frustratie op waanzin uitloopt is geheel duidelijk, want hoe zou een daad ongedaan te maken zijn door middel van straf? 'Bestaan' is altijd daad, en daad is altijd verandering, en verandering is altijd schuld. Hoe miezerabel is het mensendenken dat klakkeloos aanneemt dat straf het antwoord is op de zonde. Mensen of God kunnen straffen tot ze een ons wegen, 'het was' kan nooit worden uitgewist, maar blijft tot in eeuwigheid bestaan. Christelijk geloof (geloof in de verzoening tot stand gebracht door het offer van een onschuldige) is waanzin, omdat een straf (de dood van Christus) op geen enkele manier de zonde van de mens -het menszijn- ongedaan kan maken. Islam is waanzin, omdat een helstraf op geen enkele manier het bestaan van het kwaad rechtvaardigt of ongedaan maakt. Het diepste denken uit het verre oosten heeft uiteindelijk als hoogste wijsheid opgeroepen om het bestaan an sich dan maar te verloochenen, door de hartstocht en het willen volkomen de mond te snoeren; door een mens zoveel mogelijk in een steen te veranderen verdwijnt het hele probleem van het menszijn voorgoed! Dit denken is al even dwaas; Zarathoestra noemt deze leer 'het fabellied van de waanzin'. Zarathoestra heeft altijd het aktief willen voorgestaan, te leven vanuit hartstocht. Want leven is willen; leven is de wil tot macht. De wil is synoniem voor schepper-zijn. Zo komt hij tot deze logische conclusie:


Al 'het was' is een brokstuk, een raadsel, ijselijk toeval - totdat de scheppende wil ertegen zegt: 'Maar zo heb ik het gewild!' - totdat de scheppende wil ertegen zegt: 'Maar zo wil ik het! Zo zal ik het willen!'


Om verlossing te ervaren moet de mens dus worden als kind, de eerste leer die Zarathoestra verkondigde (I.1). Nu begrijpen we het: een kind heeft geen verleden, dwz leeft het leven zonder boeien, zonder zware last, zonder haat- en wraakgedachten, zonder zoeken naar zin en zonder schuld. Het kind heeft geen verlossing nodig, hij richt zich met volle teugen op het leven, vrij en opgewekt. Het kind is synoniem voor gezond leven. Hierop moet een volwassen mens zien uit te komen. Hij kan dat alleen maar doen door zijn aktieve wil te gebieden het leven zoals het is niet slechts te aanvaarden ('het is nu eenmaal zo'), maar te willen. Zoals een voetballer niet denkt aan het feit dat hij zich van begin tot eind moet afbeulen, dat de vijand hem overal tegenzit, dat hij kan verliezen, dat het allemaal geen uiteindelijke zin heeft. Een voetballer is bezield van het spelen, hij is verknocht aan de wedkamp, voor hem is alles een kinderlijk spel dat niet beter had kunnen zijn. Het spel is de zin van het leven, hij heeft er geen verlossing van nodig. Hij hoeft nergens mee verzoend te worden (iets wat velen na 2000 jaar christendom maar met moeite kunnen vatten), ook niet als hij twee-nul achterstaat.


Zarathoestra begint in zichzelf te mijmeren:


Maar heeft de wil ooit zo gesproken? En wanneer zal hij ooit eens zo spreken? Is de wil al moe geworden van zijn eigen dwaasheid? Is de wil reeds zijn eigen verlosser en vreugdebrenger geworden? Heeft hij de geest van wraak en alle knersing der tanden afgeleerd? En wie heeft hem ooit verzoening met de tijd geleerd, en hogere dingen dan alle verzoening? Hogere dingen dan alle verzoening moet de wil, die de wil tot macht is, willen. Maar hoe krijgt hij dit gedaan? Wie heeft de wil ook het terugwillen nog geleerd?


Dat deze vragen een hardop denken in zichzelf zijn wordt duidelijk uit de volgende woorden, waar wordt gezegd dat Zarathoestra plotseling ophoudt met spreken en lijkt op iemand die dodelijk geschrokken is. "Verbijsterd keek hij zijn discipelen aan" laat zien dat Zarathoestra zelf tijdens zijn spreken een beslissend moment doormaakt waarin hij opmerkt dat er aan zijn missie nog een wezenlijk onderdeel ontbreekt, namelijk het 'worden tot kind'.


Al gauw lacht hij weer. Hij moet zijn gedachten eerst laten bezinken en uitwerken. Hij beschuldigt zichzelf ervan een praatlustige te zijn. Maar de bultenaar die hem uitdaagde heeft scherper geluisterd dan de discipelen. Hij merkt op dat Zarathoestra een boodschap heeft voor kreupelen en lammen (hiertegen predikt hij zijn leer 'geen medelijden hebben'), en een andere boodschap voor de discipelen (het leven te wíllen zoals het is), en wéér een andere boodschap voor zichzelf, één die hij geheim houdt. Op het eerste verwijt heeft hij nog een antwoord ("met bultenaren mag men wel krom praten!"), maar op het tweede verwijt zwijgt hij in alle talen.


Het probleem voor Zarathoestra is duidelijk: hij komt geleidelijk tot inzichten in het leven die zijn eerdere prediking finaal tegenspreken. Indien het leven zo geleefd dient te worden als het is, het verleden, heden en de toekomst gewíld dient te worden zoals het geschied is, nu is, zal zijn, dan heeft zijn oproepen tot het scheppen van de Bovenmens helemaal geen enkele zin. Zarathoestra begrijpt in een netelige paradox verstrikt te raken. Hierover kan hij nu niet praten. Hij is er zelf nog niet uit.