Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.22    De stilste stonde

Zarathoestra staat nu voor het meest cruciale moment in zijn leven. Alles wat ons in deel I en deel II is voorgeschoteld heeft slechts tot doel gehad deel III te kunnen begrijpen. De kern van deel III is de Verlossing van de Mens, de verlossing van het mensenleven. Deze verlossing wordt gebouwd op het koppelen van de wil van de mens aan de kosmische wil. 'Wil tot macht' en 'Eeuwige Wederkeer van Hetzelfde' zijn niet de kernzaken die ons in de leer van Nietzsche worden aangereikt, maar slechts sleutels, gereedschap om tot de kernzaak te komen. Die kernzaak is Verlossing, hetzelfde kernbegrip als van het Evangelie. Maar waar verlossing in het evangelie bewerkt wordt door n mens, een zaak dat op een presenteerblad aangeboden wordt om in gehoorzaamheid aangenomen te worden en via magische krachten 'van Boven' ervaren te worden, is de verlossing van Nietzsche het zelf uitgroeien tot Verlosser. Dit is de uiteindelijke betekenis van de term Bovenmens: de persoon die zijn of haar eigen verlossing bewerkstelligt.
Omdat de kern van het hele boek Aldus sprak Zarathoestra verlossing is, noemde Nietzsche zijn boek 'het vijfde evangelie'.


In deel II heeft Zarathoestra vanaf Het Nachtlied in flitsen van nieuwe waarheden alle sleutels van inzicht aangereikt gekregen om tot deze uiteindelijke innerlijke verlossing van de menselijke ziel te komen. Dat is de betekenis van de stem die in dit hoofdstuk tegen Zarathoestra zegt: 'Jij weet het'. Zarathoestra weet de weg naar de Bovenmens, maar deinst er nu voor terug als eerste de brug over te gaan. Hij had altijd gedacht de aankondiger van de Bovenmens te zijn, van de mens die ooit eens in de verre toekomst zal verschijnen. Hij ziet zich dus als Johannes de Doper, maar wordt nu door zijn meesteres, het Leven, de kosmische wil, geboden om zelf tot de uiterste konsekwentie te gaan van waar zijn denken op uit is gekomen. In taal van het oude evangelie: zijn lot is niet dat van Johannes de Doper, maar dat van Christus zelf. Aangezien hij de eerste is die deze unieke inzichten heeft en tot Bovenmens uit moet groeien, is deze wetenschap voor Nietzsche verpletterend. Het maakt hem tot de persoon die de gehele geschiedenis in tween verdeelt, vr hem en n hem, op precies dezelfde manier als de mens een tweedeling maakte vr Christus en n Christus. Alleen omdat het zijn noodlot is moet hij deze weg vervolgen, hij heeft geen andere keus, geen andere mogelijkheid dan zich als eerste Bovenmens uit te roepen.


Toen hoorde ik stemloos tot me spreken: 'Jij weet het, Zarathoestra?'-
En dit fluisteren ontlokte mij een kreet van schrik, en het bloed trok weg uit mijn gezicht: maar ik zweeg.
En nogmaals hoorde ik stemloos tot mij spreken: 'Jij weet het, Zarathoestra, maar je spreekt het niet uit!'-
En ik antwoordde eindelijk als een fier man: 'Ja, ik weet het, maar ik wil het niet uitspreken.'
En weer hoorde ik stemloos tot mij spreken: 'Jij wilt niet, Zarathoestra? Is dit ook waar? Verschuil je niet achter jouw trots!'-
En ik huilde en beefde als een kind en sprak: 'Ach, ik zou wel willen, maar hoe kan ik het! Ontsla mij toch van deze ene taak! Het gaat mijn krachten te boven!'
En weer hoorde ik stemloos tot mij spreken: 'Wat doe jij ertoe, Zarathoestra! Spreek jouw woord en breek!'-
En ik antwoordde: 'Ach, is het mijn woord? Wie ben ik? Ik wacht op hem die waardiger is; ik ben het niet waard daardoor zelfs maar te breken.'
En weer hoorde ik stemloos tot me spreken: 'Wat doe jij ertoe? Je bent nog niet deemoedig genoeg. Deemoed is het moeilijkst om te leren.'
En ik antwoordde: 'Wat heeft het vel van mijn deemoed al niet gedragen! Ik woon aan de voet van mijn hoogte: hoe hoog mijn toppen zijn? Nog niemand heeft het me gezegd. Maar heel goed ben ik bekend met mijn dalen.'
En weer hoorde ik stemloos tot me spreken: 'O, Zarathoestra, wie bergen verzet, die verzet ook dalen en laagten.'-
En ik antwoordde: 'Nog heeft mijn woord geen bergen verzet, en wat ik sprak heeft de mensen niet bereikt. Ik ging wel naar de mensen, maar nog niet ben ik bij hen aangeland.'
En weer hoorde ik stemloos tot me spreken: 'Wat weet je daarvan! De dauw valt op het gras als de nacht het diepste zwijgt.'-
En ik antwoordde: 'Ze hebben me bespot toen ik mijn eigen weg vond en ging; en in waarheid trilden toen mijn voeten. Zo spraken ze tot mij: jij hebt de weg verleerd, nu zul je ook het lopen verleren!'
En weer hoorde ik stemloos tot mij spreken: 'Wat doet hun spot ertoe! Jij bent iemand die verleerd heeft te gehoorzamen: nu zul je bevelen! Weet je niet wie allen het meest nodig hebben? Hem die grote dingen beveelt. Grote dingen volbrengen is zwaar: doch zwaarder is het grote dingen te bevelen. dat is het minst in je te vergeven: jij hebt de macht, maar je wilt niet heersen.'-
En ik antwoordde: 'Ik mis de stem van de Leeuw voor al het bevelen.'
En weer hoorde ik als een fluistering tot me spreken: 'Het zijn de stilste woorden die de storm teweeg brengen. Gedachten die op duivenpoten komen, bestieren de wereld. O Zarathoestra, je zult gaan als een schaduw van wat komen moet: zo zul jij bevelen en al bevelend voorgaan.'-
En ik antwoordde. 'Ik schaam me.'
en weer hoorde ik stemloos tot me spreken: 'Jij moet nog Kind worden en zonder schaamte.'


De schaamte van Zarathoestra is hieruit te verklaren dat hij zich wellicht herinnert hoe hijzelf de leer die het Leven hem nu leert aan anderen verkondigde in II.18. In dat hoofdstuk voer hij uit tegen revolutionairen, en gaf hij hun als antwoord en beter alternatief: "Geloof me maar, vrind hellekabaal! De grootste gebeurtenissen zijn niet de luiddruchtigste, maar onze stilste stonden!"
Het probleem waar Zarathoestra in dit hoofdstuk en in deel III mee te maken heeft is dat weten niet genoeg is. Men moet het weten daadwerkelijk omarmen, dwz vanaf nu gaat het slechts om moed, de deugd die in deel III opnieuw en opnieuw benadrukt zal worden.

Zarathoestra belandt in deel II op het 100% menszijn. Vanaf het Nachtlied erkende hij diep lijden, niet-begrijpen, onmachtig te zijn. Zijn ideaal van de Bovenmens, de volkomen autonome, soevereine mens, hoog verheven boven alle zwakheid en immuun voor lijden, was bovenmenselijk in de zin van onmenselijk. Maar nu valt alles met een klap op de grond: uiteindelijk wanneer alles gezegd is, weet hij niets anders te zeggen dan: "En ik dacht lang na en beefde. Ten slotte echter zei ik wat ik eerst had gezegd: 'Ik wil niet'.
De situatie doet denken aan de roeping van Mozes. Maar let op het verschil. Wanneer Mozes vijf maal tegengestribbeld heeft 'ontbrandt de toorn van Jahweh'! De God van Zarathoestra, zijn Meesteres, heeft op het ongeloof en de onwil van de mens precies de tegengestelde reactie: ze barst uit in schaterlachen (vgl. ook II.10 en II.18). De stemloze stem voegt er tenslotte eenvoudig aan toe: "O Zarathoestra, je vruchten zijn rijp, maar jij bent nog niet rijp genoeg voor je vruchten!"

Zarathoestra's gehele missie, zijn gehele optreden, zijn gehele wijsheid valt met deze uitspraak in duigen: hij is ontmaskerd. "Maar ik lag op de grond, terwijl het zweet langs mijn leden stroomde." Het ontbreekt Zarathoestra vooralsnog aan de benodigde moed zijn weten en inzicht te omarmen, zijn masker af te doen. Het kind dat in het eerste hoofdstuk in een droom tot Zarathoestra kwam, en hem een spiegel voorhield waar een tronie van een duivel in te zien was, bleek het beeld te zijn van hemzelf: Zarathoestra had een masker op. Om tot op de rotsbodem van het leven te gaan moet hij weer afscheid nemen van zijn discipelen en de eenzaamheid weer opnieuw proeven. Hij moet nog gerijpt worden, de metamorfose tot kind ondergaan.


Dit brengt ons terug op de eerste redevoering van Zarathoestra, waar gesproken wordt over drie gedaanteverwisselingen: Zarathoestra is in deel I en II de Leeuw geweest die een einde heeft gemaakt aan het Kameel zijn. Hij volbrengt zijn missie, het verslaan van de draak, en schept daarmee zijn eigen woestijn. Maar deel III zal zijn metamorfose tot Kind moeten bewerkstelligen, dwz de woestijn omzetten in een nieuwe schepping. Met het optreden als Leeuw heeft hij alle maskers die mensen opzetten vlijmscherp doorzien en blootgelegd: in Van de Priesters zag Zarathoestra wraakzucht (willen doen lijden) onder de deemoed van de geestelijken. In Van de Deugdzamen merkte hij op dat achter het woordje 'deugd' van de christenen het verlangen naar loon en straf voor het kwaad schuilgaat. In het hoofdstuk Van de Tarantula's ontwaarde Zarathoestra verkropte nijd en tirannen-begeerte als achtergrond voor hun slogan gelijkheid. In het hoofdstuk Van de Beroemde Wijzen werden de wijzen aangeklaagd als zeggende op zoek te zijn naar waarheid, maar in werkelijkheid slechts dienaars van het volk en het bijgeloof van het volk te zijn. In Van de Verhevenen zag hij dwars door de plechtstatigheid en heldenwil van deze personen heen: "Nog heeft zijn inzicht niet leren glimlachen en zonder naijver zijn; nog is zijn stromende hartstocht niet verstild in schoonheid. De beschaafden in II.14 van tegenwoordig zijn als beklodderd met vijftig spatten uit bontkleurige potten verf: "Voorwaar, geen beter masker konden jullie dragen, o mannen van heden, dan jullie eigen gezicht! Wie zou jullie ooit kunnen herkennen!" De 'Ware Gelovigen' uit II.15 verbergen onder hun vroomheid huichelarij en lafheid. "Het masker van een god hebben jullie je voorgehouden, o zuiveren. In het masker van een god is jullie ringworm weggekropen." En de Dichters liegen te veel, zij zetten heel bewust de realiteit een masker voor.


De enige zonder masker was de Waarzegger (II.19), de nihilist, die niets te verbergen had, maar eenvoudig met de naakte waarheid over het leven aankwam. Dt snoerde Zarathoestra volledig de mond. Her had hij niet van terug, want de Waarzegger prikte met zijn woorden de ballon van de Bovenmens kapot. Zarathoestra zag zijn idealen gewurgd worden en beleefde drie dagen van slapeloosheid en depressie. Hier kwam een eind aan toen hij uiteindelijk in slaap viel en een nachtmerrie kreeg. De nachtmerrie bevatte in beeld hetzelfde wat de Waarzegger in woord had uitgesproken. Maar de boze droom eindigde in Leven dat als commentaar op de droefheid bestond uit honend schaterlachen! Dus uiteindelijk bevatte de nachtmerrie het antwoord op de Waarzegger: het Leven lacht om droefheid en uitzichtloosheid, het schept altijd nieuw leven.


De stem of kracht die telkens ingrijpt in Zarathoestra's leven, wordt door hemzelf betiteld als een vrouw, zijn meesteres. In Het Danslied noemde hij haar het Leven. Het leven is zijn meesteres omdat zij haar eigen gang gaat, haar wil tot macht opdringt aan Zarathoestra. Zij is dat wat redt wanneer er geen redding is. Zarathoestra noemde haar ook 'diep', 'peilloos', 'trouw', 'eeuwig', 'geheimzinnig'. Zelfs die benamingen worden door het leven weggeschaterd. In het Nachtlied is zij de stem die spreekt in de absolute stilte en donkerste duisternis. Zij is dat waar je uiteindelijk op stuit wanneer je naar de bodem van het bestaan reist. Zij is de uiteindelijke realiteit van het bestaan, de ontzagwekkende kracht van het leven. Men heeft het ook wel God genoemd, of Moeder Natuur. De uiteindelijke realiteit van het leven is deze: het leven verbergt zich voor de persoon die zich voor het leven verbergt. Voor hem die zelf het leven leeft met een masker op, heeft het leven een masker op, is zij ongrijpbaar, ondoorgrondelijk.


Bovenstaande dramatische tekst uit dit hoofdstuk is duidelijk het Zarathoestra-equivalent van de aangrijpende Gethseman-scne in de de bijbel. "De stilste stonde" is niet alleen de stemloze stem, de meesteres Leven die Zarathoestra gebiedt hoe en waar te gaan, maar ook het uur waarop de grootste worsteling in iemands leven zich afspeelt, het uur van de grootste stilte dat Jezus ervoer in Gethseman. De tekst heeft ook verwantschap met het verhaal over Elia (1 Kon. 19), die vlucht voor de boze koning, en in de allergrootste eenzaamheid gaat jammeren tegen God. In dat verhaal komt God ook uiteindelijk 'op duivenpoten' (1 Kon. 19:12); de stilste verschijning die storm en aardbeving overtreft in effect. In het verhaal van Elia is 'de boze' de aanhangers van Bal, in het verhaal van Zarathoestra is de boze de christenheid die hem unaniem veroordeelt tot de eeuwige verdoemenis.

De laatste woorden van deel II zijn de volgende:


Toen Zarathoestra echter deze woorden had gesproken, overweldigde hem met smart het nakende afscheid van zijn vrienden, zodat hij luid weende; en niemand wist hem te troosten. Doch die nacht ging hij alleen heen en verliet zijn vrienden.


Zijn discipelen zijn nu alleen nog maar vrienden. Ze hebben alle waarheden gehoord die Zarathoestra maar kon geven, en zijn dus geen discipelen meer. Ze zullen nu zonder hem, ook geheel alleen hun weg tot de verlossing moeten gaan. Zarathoestra zal hen nooit weerzien. Wanneer een mens uiteindelijk zijn eigen masker afzet heeft hij niemand meer een waarheid te vertellen.




Albert Vollbehr, juni 2006