Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.3    Van de meedogenden

Het christendom is voor Nietzsche de uiting van menselijke moedeloosheid, gebrek aan vitaliteit, futloosheid. Een christen heeft de moed opgegeven, heeft geen vertrouwen meer in de mens en het leven. Het grootste kenmerk van een christen is dat hij lijdt aan het bestaan. Hij richt zich daarom op het hiernamaals en een metafysische fantasiewereld. Wat de zintuiglijke wereld betreft, de werkelijkheid waarin hij leeft, wordt hij geregeerd door de gedachte van de verdorvenheid ervan. Hij berust erin en verwacht van de kant van de mens totaal niets goeds. De mens beschouwt hij als altijd en overal zondig. Een christen strijdt daarom nooit voor een betere wereld, maar stapelt in zijn gedachten alle zaken op aarde die hem tegenstaan altijd huizenhoog op. Er vervolgens eindeloos op starend, put hij troost uit zijn geloof dat het ooit eens anders zal worden (de troost bestaat uit loon voor hemzelf in een nieuwe wereld die God ooit eens zal scheppen en straf voor de tegenstanders). Wat zijn handelen in dit leven betreft doet hij aan blussen van de ergste branden, verzorgen van de meest gapende wonden, anders gezegd: een christen lijdt en doet aan medelijden. Het laatste waar hij in gelooft is zelfverlossing. Voor verlossing van lijden heeft hij de fantasie, de metafysische waan nodig, want hij gelooft niet in menselijk kunnen, streven en verlossen. De betere wereld zal dus ooit eens van godswege moeten komen; alles wat de mens te bieden heeft is een keus tussen slecht en nog slechter.


Nietzsche noemt deze kijk op het leven decadent. Zarathoestra merkt hier op dat een direkt gevolg van deze levensbeschouwing het ontbreken van levensvreugde is. Een leven waar lijden en medelijden centraal staan houdt automatisch het ontbreken van medevreugde in.


Medelijden is op zich natuurlijk iets universeels, iets wat bij gezond menszijn behoort. Zo zegt Zarathoestra: "Voorwaar, ik heb ook wel dit en dat gedaan voor lijdenden, maar steeds deed ik beter, zo scheen het me toe, wanneer ik mij beter leerde verheugen." Alweer is het dom Nietzsche eenzijdig uit te leggen, alsof hij per definitie in alle gevallen botweg nee zegt tegen dit begrip en 'de harde mens' voorstaat. Het bewijs dat medelijden voor hem ook een plaats in het leven behoudt kan men al meteen in het volgende hoofdstuk vinden, waar Zarathoestra medelijden heeft met de priesters. Nietzsche is altijd een protest tegen wat het christendom in de praktijk heeft opgeleverd. Ik voel zelf dat hij gelezen moet worden als iemand die in een door en door christelijke maatschappij leeft, er zélf in ondergedompeld is geweest, en een lang proces van emancipatie doormaakt. Uiteindelijk doorbreekt hij alle door het christelijk geloof opgedrongen taboes: hij zegt wat men nooit heeft mogen denken, laat staan uitspreken, en laat de maatschappij een hoop waarheden zien die eeuwenlang niet gezien mochten worden. En die waarheid kon 'men' (dus iedereen, inclusief hijzelf) onmogelijk zien indien ze niet in de meest schokkende bewoordingen en tegenstelling tot het oude denken neergezet werden. Voor de moderne mens, de mens die zicht heeft op de geschiedenis van de 20ste eeuw, is het duidelijk dat de interpretaties die men in de eerste helft van de 20ste eeuw van Nietzsche's schrijven maakte, catastrofaal waren. Iedere lezer van Nietzsche zou moeten beseffen dat wijsgerige soep nooit zo heet gegeten dient te worden als ze opgediend wordt en dat Nietzsche in de eerste plaats een groot humanist was, en in de tweede plaats iemand die niet kon terugkijken op de gruwelen van de 20ste eeuw.
Ik lees Nietzsche dus zo: medelijden wordt door Zarathoestra afgewezen daar waar het een ziekte is, een uiting van het niet-geloven in het aardse bestaan, het niet geven om het aardse bestaan, een getrouwd zijn met pessimisme. Zarathoestra eist een nieuwe, verbeterde mensheid; medelijden met de tegenwoordige mensheid is niet genoeg om zoiets te bereiken, het staat dit ideaal zelfs in de weg door het denken te fixeren op het negatieve; medelijden heeft de mensheid nooit verder gebracht, medelijden is tevreden met het geven van aalmoezen en leeft met de gedachte dat men armoede altijd om zich heen zal hebben (Matth. 26:11 "Want de armen zijn immers altijd bij jullie").


Het leven is op vele manieren een tragedie, maar medelijden kan hierop het antwoord niet zijn, eerder een volmondig verzet ertegen, heldhaftig de realiteit van het leven onder ogen te zien en zweren dat het ooit door de mens zelf overwonnen zal worden. Dit houdt in dat het menszijn dat de tegenwoordige mens aan de dag legt overwonnen moet worden, en men dus moet beschikken over een zekere hardheid ten opzichte van het mensdom. Dit hoofdstuk begint dan ook met een opmerking van Zarathoestra dat hij kritiek op hem heeft horen spuien. Iemand zei: 'Moet je Zarathoestra zien! Wandelt hij niet alsof wij dieren zijn?' Zarathoestra beantwoordt deze kritiek niet door het te ontkennen, maar door de kritiek enigszins aan te scherpen: de inzichtige beschikt rechtmatig over een trots, voor de inzichtige is het huidige menszijn niet waardevol genoeg, hij wil er zelf niet aan meedoen, maar erbovenuit stijgen.

Zarathoestra geeft vervolgens zijn definitie van 'mens'. De mens is "het dier met de rode wangen" (van schaamte). In het woord schaamte kan men de gehele geschiedenis van de mens opsommen. Zarathoestra noemt schaamte 'de erfzonde', iets wat men inderdaad letterlijk in het verhaal van de zondeval kan lezen. Schaamte en beschamen moet men uit zijn leven wegdoen. De edele mens gebiedt zichzelf zich nooit te schamen om de dingen die hij doet en ook om nooit iemand anders te beschamen. Vanuit deze laatste gedachte belandt Zarathoestra dan op medelijden. Hij wijst erop dat medelijden geen deugd is, maar de medemens juist ten schande maakt, in het ergste geval maken grote verplichtingen van dank hem wraakzuchtig. Een buitengewoon scherp inzicht.


Moet ik meedogend zijn, dan wil ik toch niet zo heten; en als ik het ben, dan graag op afstand. Het liefst bedek ik ook mijn hoofd en vlucht ik weg, nog eer ik herkend ben.


In het verwerpen van medelijden komt Nietzsche dus juist op voor de menselijke waarde. Medelijden schenken aan een ander tast iemands menselijke waarde aan. Het haalt de medemens naar beneden, het krenkt zijn trots. Hij raadt de mens die lijdt dan ook aan zo weinig mogelijk een beroep te doen op andermans medelijden, en helemaal nooit te bedelen.

Medelijden is dus een zaak waar je vanwege menselijk lijden soms niet omheen kan, maar om er je deugd van te maken is ergerlijk en maakt ons leven vreugdeloos en (zoals we in een eerder hoofdstuk zagen) onszelf heimelijk hoogmoedig. In het geval dat we met lijden van anderen te maken krijgen doe het dan zo:


Maar heb je een vriend die lijdt, wees voor zijn lijden dan een rustplaats, doch een hard bed om zo te zeggen, een veldbed: zo zul je hem het meest van nut zijn.


Laat men in plaats van zich te concentreren op medelijden zich richten op levenskrachtig en vreugdevol gezelschap, en op het uitbannen van schaamte en kwade gewetens (het je zondaar voelen). Zo te leven is namelijk geen grof egoďsme, maar staat rechtstreeks in verband met gezond leven en het opheffen van lijden:


Leren wij ons beter verheugen, dan verleren wij het best anderen pijn te doen en pijn te bedenken.


Een grotere waarheid zou hij niet hebben kunnen uitvinden. Dit is het ultieme medicijn voor het zieke dier mens (zie I.6).
Om de zaak nog duidelijker te maken spreekt Zarathoestra zelfs een goed woordje voor duivels: ben je door een duivel bezeten, koester die dan en laat dat je weg naar grootsheid zijn. Deze zin zal de moderne mens na Hitler, Stalin en Mao en hun handlangers, met zeer gemengde gevoelens onder ogen zien. De innerlijke duivels van de mens kunnen gruwelijker zijn dan Nietzsche ooit vermoedde.


Zarathoestra weet in dit hoofdstukje ook nog andere centrale leringen van het christelijk geloof aan de kaak te stellen. Christenen maken altijd een hoop ophef over 'vergeven'. Voor Zarathoestra is vergeven een bijzaak. Hij vergeeft iemand die hem kwaad aandoet automatisch, net zoals hij vreemden en armen vrij laat plukken van de vruchten aan zijn boom. "Maar dat jij het kwaad jezelf aandeed, - hoe zou ik dát kunnen vergeven!", dus het bezig zijn met het grotere, dat wat buiten zijn eigen welzijn ligt, is wat hem kenmerkt. De christelijke leer heeft als gevolg dat men zich gaat blindstaren op deugden in zichzelf (bereid zijn te vergeven, mededogend te zijn). Grote liefde gaat echter veel verder dan vergeving en mededogen, zij is bezig met het herscheppen van de wereld. 'Vergeving en mededogen' zijn uitingen van een fatalistisch denksysteem dat het scheppen van het grotere, het meerdere, het betere onmogelijk maakt. In de oudste vormen van religie stond God voor het aanwakkeren van de opwaartse kracht in de mens, zijn sterkte, zijn trots, zijn onoverwinnelijkheid. Maar sinds God in het christendom tot vergever en medelijder gedegradeerd werd (de fantasie dat God zichzelf openbaart in de ultieme lijdende, de mens die gekruisigd wordt), kwijnde hij weg totdat hij uiteindelijk van vermoeidheid en medelijden met het zielige menselijke ras stierf, een hoogst originele gedachte die Nietzsche meerdere malen uitspreekt en tot veel nadenken stemt.


Zarathoestra komt aan het einde van de preek met de slotsom. In de oude religie kon men alles onder de noemer 'het grootste gebod' opsommen in de stelling: "Heb God lief en je naaste als jezelf" (Matth. 22: 36-40). Zarathoestra komt nu met een nieuwe geloofsovertuiging:


'Mijzelf offer ik aan mijn liefde, en mijn naaste gelijk mijzelf', (zo luidt het woord voor alle scheppers. En alle scheppers zijn hard.)