Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.4    Van de priesters

Dit hoofdstuk is interessant aangezien het zo openhartig de gemengde gevoelens laat zien van een ex-gelovige ten opzichte van het geloof dat hij de rug heeft toegekeerd. Hier zien we voor het eerst hoe Zarathoestra zelf lijdt en worstelt. Aan de ene kant staan gelovigen hem nu tegen: ze staan voor alles dat hij verwerpt. Aan de andere kant kan hij de gelovigen goed begrijpen: zijn optreden is verwant aan dat van de priesters. Zarathoestra roept zelfs uit dat er helden onder de priesters zijn. Hij heeft ook met de priesters te doen, aangezien het christelijk geloof haar aantrekkingskracht put uit het lijden. Mensen hangen dat geloof aan omdat ze lijden aan het leven en zij die het meest lijden worden vaak priesters. Hij heeft begrip voor hun situatie, maar niet voor hun oplossing: men zet zichzelf in een gevangenis (van leerstellig denken), en geeft zich over aan waan. Jammergenoeg heeft het zich overgeven aan een geloof dat mensen in boeien en ketenen vastlegt tot gevolg dat een overtuigde gelovige op een perverse manier ervan gaat genieten het leven van anderen te kunnen beknotten. "Niets is wraakzuchtiger dan hun deemoed." Priesters nemen onbewust wraak voor hun lijden door andere mensen hun dogmatische geloof op te leggen, door mensen te verbieden hun eigen denkbeelden te vormen, en blinde gehoorzaamheid te eisen aan wat zij voor waarheid uitmaken. In de Antichrist zegt Nietzsche het bijtend:


De 'wil Gods' (dwz de voorwaarden tot behoud van de macht van de priester).

Hoogste regel: 'God vergeeft hem die boete doet' - in normale bewoordingen: die zich aan de priester onderwerpt. (26)


Dit is de lering van Zarathoestra die we vanaf I.6 met regelmaat zijn tegengekomen: lijden heeft tot gevolg dat men anderen wil doen lijden. En ook de leer waar Zarathoestra in II.12 op uitkomt: de essentie van al het leven is de Wil tot Macht.


Zoals gezegd is dit de eerste keer in het boek Aldus sprak Zarathoestra dat we Zarathoestra zien worstelen met zijn eigen gevoelens. Het is veelzeggend dat deze worsteling ontstaat bij het aanzien van voorbijgaande priesters (op te vatten als 'christelijke geestelijken'). Eerdere hoofdstukken waarin de gelovige leiders optraden waren I.4 (Van de verachters van het lichaam) en I.9 (Van de predikers des doods). In die hoofdstukken horen we enkel en alleen een bijtende kritiek op deze mensen. Zarathoestra legt ook daar hun leven uit als een zich overgeven aan de ontmoedigende gedachte dat het leven lijden is. Ze richten zich op waandenken en op het afwijzen van al het wereldse. Hun leven is mistroostig vanwege het overweldigd zijn door het lijden. Het antwoord was in die hoofdstukken dat men zich juist op het aardse moet richten, op het gezonde lichaam. En in het vorige hoofdstuk (II.3) wordt vreugdevol leven en wegdoen van schaamte als antwoord aangeboden. Maar nu gedraagt Zarathoestra zich geheel verrassend. Wanneer hij ze ziet valt hij ten prooi aan smart; hij lijdt mt hen, en zegt dat zijn eigen bloed met het bloed van priesters verwant is.


Zarathoestra komt dus aan de ene kant voor de priesters op, maar tezelfdertijd valt hij ze in harde bewoordingen aan! Om het te kunnen begrijpen moet men zeer zeker zelf gelovige zijn geweest! Zarathoestra ziet priesters als mensen die in principe dezelfde worstelingen in hun geest doormaken als hijzelf, die dus eigenlijk uit hetzelfde hout gesneden zijn, dwz gekenmerkt worden door een altoos zoeken naar en zich willen overgeven aan de hoogste idealen, maar aan wie het ontbreekt aan geestelijke kracht en intellectueel inzicht. Hun denkkracht, wilskracht en strijdvaardigheid werden gebroken en zij gaven zich liever over aan waangedachten en leugens over verlossing van buitenaf. Het woord Verlosser of verlossen komt in dit hoofdstuk wel tien keer voor. Deze zogenaamde verlossing hebben ze verkregen op voorwaarde dat ze zich volkomen overgeven aan de godsdienstige leringen. Nu zitten ze volkomen verstrikt in de opgelegde leringen en hebben hun individueel menszijn (dwz vrijheid) daarmee verloren; van verlossing kan dus in het geheel geen sprake zijn. Het feit dat Zarathoestra merkwaardigerwijs medelijden met ze heeft -iets waar hij in het hoofdstuk hiervoor juist voor waarschuwde-, en zichzelf aan hen verwant voelt -iets wat hij in andere contexten expliciet ontkent-, laat zien hoe dicht Nietzsche bij het religieuze staat en de gevoelens die hij in de priesters ziet zelf ooit eens oprecht en met overgave doorleefd heeft. De opmerking dat sommigen onder hen zelfs helden zijn komt wellicht voort uit zijn overdenkingen aangaande zijn eigen voorouders: niet alleen Nietzsches vroeggestorven vader was dominee, ook zijn beide grootvaders waren dat! Van zijn vaders vader werd in 1796 zelfs een theologisch boek uitgegeven, over de onsterfelijkheid van de christelijke godsdienst (wat de goddelijkheid ervan zou bewijzen)!


Men kan gerust stellen dat Nietzsches gehele volwassen leven de uitdrukking was van de worsteling met het christelijk geloof, de volledige bevrijding van deze 'onsterfelijke dwaling' en het zoeken naar een intellectueel eerlijk en hoogwaardig alternatief. Nietzsche studeerde toen hij twintig was -de familietraditie navolgend- n jaar theologie, en zei zijn geloof gedag na in de paasvakantie een theologisch boek gelezen te hebben, Das Leben Jesu, geschreven door de theoloog David Strauss. Genoemd boek verscheen al in 1835 en was een sensatie: het was de eerste keer dat moderne theologie voor het brede publiek werd gebracht; de reacties waren fel vr of tegen, het boek gaf de aanzet tot vrijzinnig protestantisme (ook wel 'modernisme'). Moderne theologie is de zienswijze dat de bijbel voor het merendeel een collectie mythen bevat (eerder trachtten verlichte geleerden de wonderen in de bijbel nog rationeel uit te leggen). De moderne theologie probeert vervolgens uit te leggen dat mythe gelezen moet worden als 'waarheid op geestelijk niveau', iets wat vele theologen (bijv. Kuitert) nog steeds proberen aan de man te brengen. Nietzsche zag meteen in dat met het wegvallen van de bijbel als waargebeurde geschiedenis geen enkele gezonde basis meer bestaat voor het hele geloof. Eraan blijven vasthouden gaat automatisch gepaard met oneerlijk en wazig denken. Later (1873, tien jaar vr het verschijnen van Zarathoestra) viel hij David Strauss aan met een ongemeen felle kritiek op diens laatste boek. De 'geestelijke waarheden' die voor de moderne christen overblijven waren volgen hem slechts een verheerlijking van het moderne duitse kleinburgerlijke leven en denken van de 19e eeuw (zelfvoldaanheid, knusheid en warmte en vooral niet teveeleisend). Aan het eind van zijn leven heeft Nietzsche met priesters geen enkel geduld meer en rekent hij definitief en genadeloos met ze af:


Het is noodzakelijk te zeggen wie wij ervaren als onze tegenpool - de theologen en al wat theologenbloed in zijn lijf heeft, dwz onze hele filosofie...Men moet het noodlot van dichtbij gezien hebben, nog beter, men moet het aan de lijve ervaren hebben, er bijna aan te gronde zijn gegaan, om op dit punt geen grote grap te horen. De vergiftiging gaat veel verder dan men denkt: ik heb het theologeninstinct van de hoogmoed overal teruggevonden waar men zich tegenwoordig 'idealist' voelt, - waar men uit hoofde van een hogere afkomst aanspraak maakt op het recht de werkelijkheid uit de hoogte, als een vreemdeling, te beschouwen...De idealist heeft, net als de priester, alle grote begrippen in handen, hij speelt ze met welwillende verachting uit tegen het 'verstand', de 'zintuigen', de 'eergevoelens', het 'goede leven' en de 'wetenschap'; hij ziet op ze neer, als op nadelige en verleidelijke krachten waar 'de geest' hoog boven verheven is... De zuivere (religieuze) geest is de zuivere leugen...Zolang de priester, deze beroepsmatige ontkenner, lasteraar en vergiftiger van het leven, nog voor een hoger soort mens doorgaat, is er geen antwoord mogelijk op de vraag: wat is waarheid? Men heeft de waarheid al op zijn kop gezet wanneer de bewuste advocaat van het niets en van de ontkenning als voorvechter van de 'waarheid' wordt beschouwd. Tegenover dit theologeninstinct trek ik ten strijde: ik wist het spoor ervan overal te vinden. Wie theologenbloed in zijn lijf heeft staat bij voorbaat overal scheef en oneerlijk tegenover. (de Antichrist 8, 9)


Op het internet is een buitengewoon interessant artikel te lezen van Bernd A. Laska, waarin wordt opgemerkt dat de crisis van het jaar 1865, waarin Nietzsche zijn geloof verloor en zijn theologische studie afbrak, met grote waarschijnlijkheid zijn hoogtepunt bereikte in october van hetzelfde jaar, via het lezen van het meest schokkerende en verzwegen boek aller tijden "De enige en zijn eigendom" (1844) van Max Stirner. Nietzsche bezweerde de pijlloze afgrond waarin zijn denken verviel aan het eind van hetzelfde jaar door een aanhanger van de filosofie van Schopenhauer te worden. Stirner bleef hem echter zijn gehele leven achtervolgen. Hij zag zich daarom later weer genoodzaakt zich met kracht van Schopenhauers 'filosofie van het pessimisme en medelijden' -zo verwant aan het religieuze denken- te bevrijden, en ontwikkelde uiteindelijk zijn hoogstpersoonlijke eigen antwoord op Stirner, waarin hij veel van de denkbeelden van laatsgenoemde opneemt (er tevens zijn eigen draai aan gevend), zonder hem ooit bij name te noemen. Tegen Ida Overbeck moet hij eens verklapt hebben dat hij zich verwant voelt aan Stirner.
Een geestelijke worsteling is Nietzsches leven tot het eind gebleven. Als volwassene heeft hij altijd de weg naar zelfbevrijding en zelfvervulling willen gaan, en ervoer hij modern christendom niet alleen als intellectueel onmogelijk, maar ook als verlakkerij en schadelijk voor de ontwikkeling van de cultuur. Hoezeer zijn leven een intens gevoelde worsteling bleef met het christelijk geloof, kan men opmaken uit de schokkerende bewoordingen van de slotconclusie over het christendom in de Antichrist: "de opperst denkbare vorm van corrupt denken en handelen", "zich wantoestanden scheppend om zichzelf te vereeuwigen", "de Ene grote vloek, het Ene grote verderf, het Ene grote wraakinstinct, de Ene onsterfelijke schandvlek van de mensheid". In het boek Zarathoestra is de kritiek op het christendom ook niet mals, maar toch nog lang niet zo extreem als in deze laatste vernietigende aanval.


Zarathoestra schetst in dit hoofdstuk een beeld van wat miljoenen in hun leven ondervonden hebben: in een tijd van benauwdheid en depressiviteit komt men tot geloof. Het zich overgeven aan waan lukt een tijd lang geweldig goed: alles wat mooi klinkt s mooi, zolang je echt denkt dat het waar is, zolang je met "een zwoel (=opgezwollen) hart en een koel (=zich weinig inspannend) hoofd" leeft. Maar heel langzaam neemt de glans af en verdwijnt de rozengeur. Het gevoel neemt af en het verstand neemt toe. Op een gegeven moment ervaart de gelovige verstrikt te zijn in een net waar hij zich met geen mogelijkheid uit kan bevrijden. Men moet altijd gehoorzaamheid betrachten aan de aloude overgeleverde waarheden, ook als je ze na jaren onmogelijk nog als waarheden kan zien. Men ervaart pas dan met een monster te doen te hebben, bewegingsvrijheid wordt niet gegeven, in de ergste gevallen voelt men zich stikken:


Hij die zij de Verlosser noemen, sloeg hen in boeien. In boeien van valse waarden en waanwoorden! Ach, verloste iemand toch van hun Verlosser! Op een eiland meenden zij eens te landen, toen de zee hen heen en weer slingerde; maar zie, het was een slapend monster! Valse waarden en waanwoorden: dit zijn de ergste monsters voor stervelingen, -lang sluimert en wacht in hen het onheil. Eindelijk daagt het op een waakt en vreet en verslindt al wat zich hierop tabernakelen bouwde.


Meer nog dan het valse waardenstelsel was voor Nietzsche het ontbreken van de vrijheid aan leringen te mogen tornen aanstootgevend; in de christelijke religie heerst een absoluut verbod zelf hoog te vliegen, zelf te mogen bepalen hoe je je hoogste mensheid wil uitdrukken. In plaats daarvan moet de christen zich altijd onderwerpen als een slaaf: "Op je knien de trappen op, o zondaars" (de christelijke geschiedenis kent veel perioden en stromingen waarin lichamelijke zelfkastijding en zelfvernedering centraal stond). "Voorwaar, liever nog zie ik wie zonder schaamte is dan de verdraaide ogen hunner schaamte en devotie!" Hier zien we hoe de lering in het vorige hoofdstuk (schaamte uit het leven weg te doen) niet gezien mag worden als het huldigen van iedere schaamteloosheid, maar eerder als een verwerpen van het christelijke begrip schaamte, een aangeleerde, opgelegde, onnatuurlijke, en bijgevolg vaak valse schaamte. Zarathoestra ziet in deze vrome godsdienstigen helemaal niets van verlost zijn, het is eerder 'vermomde droefenis' wat de klok slaat. Zarathoestra uit bovendien nog kritiek op die zogenaamde heilige verlossers. Ze hadden nooit de beschikking over geweldige kennis, maar vulden elk gat in hun kennis aan met hun waan. God was voor hen de 'gatenstopper', dwz alles wat de mens niet kan verklaren. God was ook alles wat hen pijnigde, alles wat de mens weersprak. De geestelijke leiders van alle eeuwen leidden zogenaamd de kudde, maar behoorden er zelf juist toe. Ze stonden nooit op benen van eigen denken, maar gaven zich altijd over aan een autoriteit boven hen en aan de zinloosheid van het aardse bestaan. Hoe de kudde geleid werd in vroegere eeuwen wordt in treffende bewoordingen uitgesproken door Robert Ingersoll:


Er waren lange eeuwen van duisternis waarin het christelijk geloof regeerde. Bijgeloof was toen algemeen. Nog niet n op twintigduizend kon toen lezen. In de tijd dat slechts geloof belangrijk was maakte de mensheid geen enkele vooruitgang, werden er nauwelijks uitvindingen gedaan, geen ontdekkingsreizen. Overal zag men wreedheid en erediensten, vervolging en eindeloze gebeden. De priesters waren de vijand van iedere gedachte en ieder onderzoek. Zij waren herders en het volk waren schapen. Hun taak was schapen te beschermen tegen de wolven die de namen hadden denken en twijfelen. Deze wereld was van geen belang, het ging slechts om de volgende wereld. De enige reden voor dit leven was om als voorbereiding voor het volgende te dienen. Alles moest worden opgeofferd om kathedralen te bouwen, priesters en heiligen te onderhouden.

In die gezegende tijden wisten de priesters alles van hemel en hel. Ze wisten dat God de wereld regeerde met behulp van hoop en angst, met beloften en dreigementen, met beloningen en met straf. De beloning zou eeuwig zijn evenals de straf. Men wist heel precies dat het niet Gods bedoeling was om de menselijke geest te ontwikkelen, zodat de mens besef van goed en kwaad zou krijgen en daarmee het goede zou begrijpen en en kwade zou mijden. De priester onderwees slechts het blind blijven, het volkomen gehoorzaam zijn. In ruil daarvoor bood hij eeuwige blijdschap aan. Hij was het meest in zijn schik met onderdanigheid, met op hun knien vallers en met kruipers in het stof. Hij had een gruwelijke hekel aan twijfelaars, aan onderzoekers, aan denkers en filosofen. Voor zulke lieden was een eeuwige gevangenis in petto. Op die manier kon hij de eeuwige honger van zijn haat stillen. De priester hield van de goedgelovigen, van de mensen die alles zonder moeite slikten en nooit vragen stelden. Voor zulke mensen had hij als geschenk een huis in puur licht. (Wetenschap en Bijgeloof, 1898)


Het verhaal van hun verlossing was bovendien met letters van bloed geschreven en "de weg die zij bewandelden, en hun dwaasheid, leerde dat met bloed de waarheid wordt bewezen". Het evangelie werkt sterk op ons gevoel, en daarom geven mensen zich er aan over. "Maar bloed is de slechtste getuige van de waarheid". Niets gaat zo sterk tegen de rede in als het christelijk geloof, iets waar Paulus al last van had toen hij het evangelie onder geleerde Grieken predikte. "Bloed vergiftigt zelfs de zuiverste leer tot waan en haat der harten." Waar het gevoel overheerst, vooral het gevoel van 'mededogen', een kernwoord in het christelijk geloof, daar voert dwaasheid altijd de boventoon. Wat 'haat der harten' betreft behoeft men slechts de geschiedenis van het antisemitisme door te lezen om te zien hoe het bloed van Christus het hart van talloze christenen tot op de bodem heeft kunnen vergiftigen. Als iemand voor zijn leer door het vuur gaat (iets wat men religieus fanatisme noemt), zegt dit niets over de waarheid van de overtuigingen. "Voorwaar, dit is mr, dat uit eigen brand de eigen leer komt!" In de Antichrist ( 53) haalt Nietzsche zijn eigen woorden aan uit dit hoofdstuk van Zarathoestra, en schrijft er dit commentaar bij:


Dat martelaars een bewijs leveren voor de waarheid van een zaak is zo weinig waar dat ik zou willen ontkennen dat ooit een martelaar met de waarheid ook maar iets uitstaande heeft gehad. In de toon waarop een martelaar zijn voor-waar-houden de wereld naar het hoofd slingert komt al zo'n geringe graad van intellectuele eerlijkheid tot uiting, een dusdanige afgestomptheid voor de vraag naar de 'waarheid' dat een martelaar nooit ofte nimmer weerlegd hoeft te worden. De waarheid is niet iets wat de n wel en de ander niet zou hebben: hoogstens boeren of boerenapostelen in de trant van Luther kunnen zo over de waarheid denken. Men mag ervan verzekerd zijn dat al naar gelang van de graad van nauwgezetheid in geestelijke aangelegenheden de bescheidenheid, de terughoudendheid op dit punt steeds groter wordt. Op een vijftal punten iets weten, en het met zachte hand afwijzen verder nog iets te weten...'Waarheid', zoals elke profeet, elke sektarir, elke vrijdenker, elke socialist, elke kerkdienaar dit woord opvat, is een volmaakt bewijs dat zelfs nog geen begin is gemaakt met die geestelijke tucht en zelfoverwinning die onmisbaar is voor het vinden van enige waarheid, hoe gering ook. -Overigens is de dood van martelaren altijd een groot onheil in de geschiedenis geweest: het was een manier van verleiden...De conclusie van alle idioten, vrouw en volk inbegrepen, dat een zaak waarvoor iemand de dood ingaat (of die zelfs, zoals het eerste christendom, epidemien van verslaving aan de dood veroorzaakt) iets heeft te betekenen, -deze conclusie is in onzegbare mate een rem geworden voor onderzoek, voor de geest van onderzoek en voorzichtigheid. De martelaars hebben de waarheid geschaad...Ook vandaag de dag nog is er slechts een brute vervolging nodig, of een op zichzelf onbeduidende sekte krijgt een naam. Verandert er iets aan de waarde van een zaak, dat iemand er zijn leven voor laat? Een dwaling die eerbaar wordt, is een dwaling die ook nog eens verleidelijkheid krijgt. Geloven jullie, heren theologen, dat wij jullie de kans zouden geven omwille van jullie leugen de martelaar uit te hangen? Een zaak wordt weerlegd door haar met veel respect op te zouten, en zo worden ook theologen weerlegd...Juist dit is de domheid van wereldhistorische allure geweest van alle vervolgers, dat zij de zaak van de tegenpartij de schijn van eerbaarheid hebben verleend, -dat zij haar de fascinatie van martelaarschap cadeau deden...De vrouw ligt ook nu nog op de knien voor een dwaling omdat men haar verteld heeft dat daar iemand voor aan het kruis is gestorven. Is het kruis dan een argument?


Verlossers noemt Zarathoestra 'meeslepende bulderaars', dwz hun overredingskracht ligt niet in het gebruik van het verstand. Zarathoestra laat op het eind weten dat er helemaal geen verlossers bestaan. Zelfs de grootste mens heeft hij nog geen Bovenmens bevonden. "Ook de grootste mens bevond ik - al te menselijk!-" Deze laatste zin is een zinspeling op Nietzsches boek Menselijk, al te menselijk (1878); een halfvermomde manier om Zarathoestra te identificeren met Nietzsche zelf.