Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.5    Van de deugdzamen

In een brief klaagde Nietzsches zus erover dat haar broer onduidelijk was wat betreft 'egoďstisch gedrag', en hij niet genoeg de klemtoon gelegd had op 'onegoďstisch handelen'. Nietzsche antwoordde dat zij op moet houden met de termen 'egoďstisch' en 'onegoďstisch', maar moet proberen te begrijpen dat hij in volkomen andere termen denkt. "Boven alles maak ik onderscheid tussen sterke en zwakke mensen, dwz tussen mensen die geroepen zijn tot leiden en heersen, en zij wiens lot het is te gehoorzamen, te dienen en te bewonderen. Wat me bovenal tegenstaat in de moderne tijd is de onuitspreekbare krachteloosheid, onmannelijkheid, kleurloosheid, wispelturigheid, oubolligheid, kortom, de zwakte van het zichzelf-zoeken, en dat men dát 'deugd' noemt. Wat me tot nu toe altijd goed heeft gedaan is mensen tegen te komen met vaste wil, mensen die zich jarenlang stil kunnen houden..., maar eenvoudig altijd trouw blijven aan hun zelf en hun wil, en die altijd overal en aan een ieder opleggen...Begrijp je dat er in elke tijdsperiode nauwelijks vijf mensen te vinden zijn, die deze kwaliteit bezitten, en tezelfdertijd beschikken over de intelligentie die in daden om te zetten?...Lees Shakespeare: in zijn toneelstukken wemelt het van zulke sterke personen, ruwe, harde, machtige mensen, gehouwen uit graniet. Zulke mensen zijn schaars in onze dagen, en ook ontbreekt het aan mensen die intelligentie genoeg hebben mijn gedachten te vatten."


In dit hoofdstuk behandelt Zarathoestra de deugdzamen (dwz de christenen) met een effectieve en daarom indrukwekkende stijlvorm: eerst een vriendelijke en zachte introduktie, gevolgd door een verpletterende klap om de 'het-zit-wel-goed-met-mij-mentaliteit' aan de kaak te stellen.


Met donderslagen en hemels vuurwerk (=bliksem) moet men tot slappe en slapende zintuigen spreken. Maar de stem der schoonheid spreekt zacht: zij sluipt enkel binnen in de wakkerste zielen.


Zo vangt het hoofdstuk aan, en de argeloze lezer beaamt uiteraard deze uitspraken: niemand zal zich hardhorend en blind noemen, maar men zal zich liever uitgerust zien met verfijnde oren en oog om het schone te kunnen ontwaren. Welnu, vervolgt Zarathoestra, iemand die het waarlijk schone opmerkt en in haar sfeer leeft, zal soms in de lach schieten wanneer hij geconfronteerd wordt met wat anderen voor schoon houden. Zo verging het mij, toen ik opmerkte dat de zogenaamd moreel hoogstaanden een leer hebben die om afbetaling en loon draait! "Ze willen ook nog betaald worden!" De gehele christelijke leer staat op het fundament Loon voor deugd en Straf voor ondeugd (hemel en hel). De werkelijke reden waarom de christenen boos zijn op Zarathoestra vanwege zijn aankondiging dat God dood is, ligt verscholen in dít aspect van de godheid: men wil een betaalmeester, een loonuitdeler!


En voorwaar, ik leer niet eens dat deugd haar eigen loon is. Ach, dit is mijn droefheid: in de bodem der dingen heeft men loon en straf geplant als leugen - en nu ook in de bodem van jullie ziel, o deugdzamen!


Zarathoestra behandelde de heersende deugd al in I.2 (Van de kansels der deugd) en gaf zijn eigen versie van deugd al uitgebreid in I.5 (Van de verheugeningen en hartstochten) en in het laatste hoofdstuk van deel 1, I.22 (Van de schenkende deugd). Hij hoeft er dus niet veel meer bij uit te leggen; hij merkt over zichzelf slechts op dat hij eronder lijdt dat de leugen het gehele begrip 'deugd' vies gemaakt heeft. Want de woorden 'wraak', 'straf', 'loon', en 'vergelding' zijn woorden die niet bij schone deugd passen, omdat ze tot een primitieve moraal behoren, tot een tijdsperiode waarin men slechts door donder en bliksem aangesproken werd. 'Vergelding' (helstraf) bijvoorbeeld is niets anders dan het botvieren van wraakgedachten, dus uiteindelijk de expressie van lijden.
Zarathoestra spreekt de christenen nu heel direkt aan. Hij zegt van ze dat ze beter zijn dan hun eigen leer, want hun moraal is al ver uitgegroeid boven het stadium waarin de leer zich ontwikkelde. Men is te zindelijk voor deze begrippen, want ieder deugdzaam mens weet dat hij het is omdat hij de deugd liefheeft, als een moeder haar kind. "Maar wie heeft ooit gehoord dat een moeder betaald wilde worden voor haar liefde? Het is zelfs jullie liefste ding, jullie deugd." Hij legt vervolgens uit dat de begrippen die ooit eens achter de deugd stonden toen redelijk waren, maar dat het licht ervan allang uitgedoofd is. De aanhangers van deze oude voorstellingen van de deugd zijn als lichtsporen die nog steeds onderweg zijn, hoewel de oorspronkelijke lichtbron al uitgedoofd is en haar werk allang gedaan is.


Dat jullie deugd jullie Zelf zal zijn, en niet iets vreemds, een huid, een bemanteling: dat is de waarheid die oprijst uit de bodem van jullie ziel, o deugdzamen!


Of anders gezegd: de oude waarheden zijn afgesleten, evolueren verder in een hogere vorm van deugd. Zarathoestra kijkt diep in het innerlijk van de gelovigen, "als de snuit van een ever zal mijn woord wroeten in de bodem van jullie ziel", en na dit gedaan te hebben komt hij tot de opmerkelijke conclusie dat de godsdienstigen al boven hun eigen leer uitgegroeid zijn! Om het aan te tonen laat hij vervolgens zien wat hun leer opgeleverd heeft, wat de catastrofale uitwerking is van de godsdienstige opvatting van 'deugd': een opsomming van twaalf mensentypen die zich allemaal op hun deugd beroemen. Ze zijn niet alleen defect, miniem en belabberd, maar bovendien nog komisch. Allemaal maken ze deugd afhankelijk van (of onderdanig aan) iets anders; zo wordt de werkelijke betekenis van deugd omlaag gehaald, en het denken van de mens met ziekten geďnfekteerd:
-Deugd is wat je doet om slaag te vermijden. (deugd = angst)
-Deugd is dat wat je nalaat omdat het te vermoeiend is. (deugd = luiheid)
-Deugd is waar je nooit in geďnteresseerd bent, maar daarom een magische aantrekkingskracht heeft. (deugd = pervers)
-Deugd (en god) is alles wat de mens niet is, dwz een volkomen onmogelijkheid (deugd bestaat niet). Dit is de leer 'Alleen door het geloof', die de protestants-christelijke stromingen eeuwenlang banadrukt hebben en ten koste ging van de deugd:


"Bovendien zegt Johannes, dat buiten de Zoon Gods geen leven is (1 Joh. 5:12). Daarom, degenen die geen deel in Christus hebben, welke kwaliteiten ze ook mogen hebben, wat zij ook doen of nastreven, zij gaan het verderf en de eeuwige dood tegemoet, omdat zij zonder geloof God niet kunnen welgevallig zijn (Hebr. 11:6)." (Institutie van Calvijn).


-Deugd is alles wat je tegenhoudt niet nog slechter te zijn. "Hun remschoenen noemen zij hun deugd!" (deugd = een graad minder dan het zieligste)
-Deugd is een tiktak spelletje: een eeuwig heen-en-weer van zonde en berouw. "Voorwaar, aan dezen beleef ik veel plezier: waar ik zulke klokken vind wind ik ze op met mijn spot en laat ik ze heerlijk snorren!" (deugd = hysterie)
-Deugd is het handjevol gerechtigheid dat je nog in jezelf vindt, zodat je daarmee de ongerechtigheden waarin je eigen leven in verdronken is, mooi onopgemerkt kan laten. "Als zij zeggen 'Ik ben recht onbesproken', klinkt het altijd als: 'Ik ben terecht gewroken!'", oftewel deugd is een middel om de vijand de ogen uit te krabben. (deugd = agressie)
-Deugd is nooit iemand bijten en iedere bijter altijd uit de weg gaan: in alles de mening hebben die men ons geeft. (deugd = onverschilligheid en bangheid)
-Deugd is toneelspelen. Hun hart heeft nog nooit gehoord van dit begrip. (deugd = slinksheid)
-Deugd is een noodzakelijkheid, dwz men gebruikt wel het woord, maar gelooft eigenlijk alleen in politie en straf. (deugd = een wapen temeer)
-Deugd is het woord dat iemand die nooit iets goeds in anderen kan zien gebruikt, wanneer hij de gebreken van iemand anders aanmerkt. Voor deze zielige persoon zwelt het gevoel van eigenwaarde op naarmate de gebreken van de ander naar voren komen. (deugd = egocentrisme)
-Deugd is dat waar je je goed bij voelt en deugd is dat wat je je zondigheid laat zien. In andere woorden: je kan alles in de zak stoppen en er 'deugd' op zetten. (deugd = ondeugd)


Nietzsche uit elders felle kritiek op de zedenleer van Kant, die met het 'categorische imperatief' aankwam, dat wat als laatste grond voor ethisch handelen geldt (dwz een handelwijze die men niet kan beredeneren, maar op ons afkomt als een gebod, een eenvoudig 'zo moet het nu eenmaal' in het geloof dat er een objectief 'goed' bestaat). Het categorische imperatief stelt dus dat er algemene principes, morele plichten zijn die voor iedereen, altijd en overal gelden. Maar wanneer men zo denkt wordt het ethisch handelen van de individuele persoon zelf gescheiden, het maakt ons plichtgetrouwe machines. Nietzsche stelt dat zo'n opvatting zelfs levensgevaarlijk is (iets wat Nazi-Duitsland later duidelijk maakte); een ieder moet zijn eigen deugd hebben, en zich dááraan houden; dwz onze deugd moet één zijn met onszelf, in onszelf leven en uit onszelf komen.