Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.6    Van het gespuis

Zarathoestra kent -net als religieuzen- een groep mensen die hij mijdt en veracht: de onreinen. Ze worden hier 'gespuis' genoemd. Men kan het ook vertalen met een woord als 'gepeupel'. Het gespuis wordt beschreven als mensen 'vervuld van vieze dromen en wellust', 'grijnzende muilen', 'kwalsters en spuwers' (spotters), bezitters van 'klamme harten', machtsbelust. In deel 1 (I.12) kwamen we ze tegen als Vliegen der markt, en kregen ze de adjektieven 'giftig' en 'wraakzuchtig', 'kleinen', 'miserabelen', 'vleiers', 'jankers', 'snoeplustigen', 'lafhartigen', 'bekrompen', 'bloedzuigers', vol haat. "Hun bekrompen ziel denkt: 'Schuldig is al het groot bestaan.' " In dat hoofdstuk wordt de scheppende mens die fier zijn eigen, individuele weg gaat als het tegendeel van het gepeupel uitgeroepen.


In Oneigentijdse Beschouwing No 3 (Schopenhauer als opvoeder) schrijft Nietzsche:


Wanneer de grote denker de mensen veracht, veracht hij hun luiheid: want die is er voor verantwoordelijk dat zij op fabrieksgoed lijken, allemaal eender zijn, niet waard om mee om te gaan, en men van hen nooit iets wijs opsteekt. De mens die niet tot de massa wil behoren, hoeft alleen maar op te houden gemakzuchtig jegens zichzelf te zijn; laat hij zijn geweten gehoorzamen, dat zegt: Wees jezelf! Wat je nu doet, denkt, begeert, dat ben je allemaal niet!...Hoe zin- en troosteloos kan het leven zijn zonder deze bevrijding!

... Ik wil een poging doen om de vrijheid te bereiken, zegt de jonge ziel tegen zichzelf: Dan zou het een belemmering voor zo'n persoon moeten zijn dat twee naties elkaar toevallig haten en beoorlogen, of dat er een zee tussen twee werelddelen ligt, of dat er overal om hem heen een godsdienst wordt onderwezen die een paar duizend jaar geleden nog niet eens bestond. Dat alles ben je niet zelf, stelt zo'n persoon vast. Niemand kan de brug voor je bouwen waarover juist jij de rivier van het leven moet overschrijden, niemand behalve jij alleen. Weliswaar zijn er talloze paden en bruggen en halfgoden die je naar de andere oever willen dragen; maar alleen voor de prijs van je eigen ik: je zal jezelf verpanden en verliezen...

Probeer eens de volgende methode: laat de jonge ziel op zijn leven terugkijken en de vraag stellen: wat heb je tot dusver waarlijk liefgehad, wat heeft je ziel aangetrokken, wat heeft haar beheerst en tegelijk gelukkig gemaakt? Zet deze dingen op een rij en misschien leveren zij, door hun aard en volgorde, een wet op, de fundamentele wet van je eigenlijke zelf. Vergelijk deze objecten, zie hoe het één het ander aanvult, uitbreidt, overtreft, overstijgt, hoe zij een trap vormen waarover je tot nu toe naar jezelf bent opgeklommen; want je ware wezen ligt niet diep in je verborgen, maar onmetelijk hoog boven je, of in elk geval boven dat wat je je Ik pleegt te noemen. Je ware opvoeders, zij die je vormen, maken je duidelijk wat de ware, oorspronkelijke betekenis en aard van je wezen is, iets dat volstrekt niet opgevoed of gevormd kan worden, maar hoe dan ook moeilijk toegankelijk is, vastgebonden, verlamd: je opvoeders zijn je bevrijders. En dat is het geheim van alle vorming: zij schenkt geen prothesen, wassen neuzen, bebrilde ogen -wanneer het dát doet krijgen we het valse beeld van opvoeding-, maar is bevrijding, het opruimen van onkruid, afval, gewormte dat de zachte kiemen van de plant wil aantasten, het uitstromen van licht en warmte, het liefdevolle ruisen van nachtelijke regen, zij is de nabootsing en aanbidding van de natuur, waar deze moederlijk en barmhartig gestemd is, zij is de voltooiing van de natuur, wanneer zij haar wrede en onbarmhartige buien opvangt en ten goede keert, wanneer zij over de uitingen van haar armoedige geestesgesteldheid en haar treurige onverstand een sluier legt.

...Voor mij telt een filosoof mee in de mate waarin hij in staat is een voorbeeld te geven. Dat hij door zijn voorbeeld hele volken kan meetrekken, lijdt geen twijfel.

...Soms is het moeilijker iets te herkennen dan het te begrijpen; en zo zal het misschien de meesten vergaan wanneer zij over de volgende stelling nadenken: De mensheid moet voortdurend werken aan de voortbrenging van enkele grote mensen - dit en niets anders is haar taak...

Want het probleem luidt aldus: hoe verkrijgt jouw leven als individu de hoogste waarde, de diepste betekenis? Hoe wordt het zo min mogelijk verkwist? Toch stellig alleen hierdoor dat je ten bate van de zeldzaamste en waardevolste exemplaren leeft, en niet ten bate van de meerderheid, dat wil zeggen van de op zichzelf beschouwd meest waardeloze exemplaren. En juist deze geesteshouding zou bij een jong mens aangekweekt en gecultiveerd moeten worden: dat hij zichzelf als het ware een mislukte creatie van de natuur beschouwt, en tegelijk als een levend getuigenis van de zo grootse en prachtige bedoelingen van deze kunstenares; het ging haar slecht af, moet hij zichzelf zeggen; maar ik wil haar grootse bedoelingen eerbiedigen door haar van dienste te zijn, opdat het haar eens beter zal gelukken.
Met dit voornemen plaatst hij zich in de sfeer van de cultuur; want cultuur is het kind van de zelfkennis van ieder individu én van zijn ongenoegen over zichzelf. Ieder die zich voor cultuur uitspreekt, geeft daarmee te kennen: 'Ik zie iets hogers en menselijkers boven mij dan ik zelf ben: laat allen mij helpen om dit te bereiken, zoals ik ieder wil helpen die hetzelfde ziet en onder hetzelfde lijdt: opdat eindelijk weer de mens ontstaan zal die zich vol en oneindig voelt in het kennen en liefhebben, in het zien en kunnen, en met hart en ziel aan de natuur verkleefd en erin geworteld is, als rechter en taxateur van alle dingen.' Het is moeilijk iemand deze toestand van onvervaarde zelfkennis te brengen, omdat het onmogelijk is iemand liefde te leren; want enkel in de liefde verwerft de ziel zich niet alleen de heldere, analytische en minachtende blik voor zichzelf, maar ook het verlangen om boven zichzelf uit te zien en naar beste vermogen naar een hoger zelf te zoeken, dat nog ergens verborgen is. Dus alleen een mens die zijn hart aan een groot mens heeft verpand, ontvangt daardoor de eerste wijding van de cultuur; haar eerste kenmerk is een schaamte over zichzelf die niet humeurig is, haat jegens de eigen bekrompenheid en miezerigheid, medelijden met het genie dat zich steeds weer uit deze dofheid en droogheid omhoogtrok, een fijn gevoel voor allen die in groei en strijd verwikkeld zijn, en de diepe overtuiging bijna overal de natuur in haar nood te ontmoeten...ons verlangen om volledig te worden is onmetelijk.


In deze fascinerende gedachtengangen wordt het duidelijk dat Nietzsche niet geďnteresseerd is in de verheffing van de grote massa. De enige weg naar de Bovenmens gaat volgens hem via de 'zeldzame exemplaren'. Al het andere houdt het huidige menszijn in stand, en daar valt geen loftrompet over op te steken. En een ieder die een 'zeldzame' geestesgesteldheid heeft, heeft dat uit zichzelf; zoiets is niet aan te leren. Zo komt Zarathoestra op het denkbeeld van 'de overtolligen' of het gespuis: er is voor hen geen middel of methode om hogerop te klimmen. Ze zijn nu eenmaal wat ze zijn. Het gaat hier niet om domheid, maar om karaktereigenschappen: Het ontbreekt hen aan liefde en aan schaamte over zichzelf, minachting voor zichzelf (zie § 4 en 5 uit de Voorrede van Zarathoesta). Merk op hoeveel Nietzsche hier de echo is van aloude gedachten uit het christendom.


Het is nog maar de vraag of Nietzsche hier niet veel te pessimistisch was. Gaat zo'n diep pessimisme en wanhoop aangaande de massa wel samen met zijn ideaal van Bovenmens, indien we het serieus nemen, en er daadwerkelijk gestalte aan willen geven? Zijn inzicht in 'het gespuis' sloeg echter de spijker op zijn kop voor zover de opkomst van de massa uitmondde in nationaal-socialisme en dictatuur van het communisme! Maar zijn reactie deze massa maar als hopeloos te beschouwen, zich er bij neer te leggen als eenvoudigweg een eeuwig gegeven (net zoals hij geen visie heeft op de verheffing van de vrouw, maar haar kenschetst in bewoordingen die regelrecht uit de brons- en ijzertijd komen, I.18), schijnt het toch af te leggen tegen de Europese vorm van socialisme en idealen die teruggaan tot verlichtingsideeën en de Franse revolutie: gelijke kansen en scholing voor iedereen, het bewust ontwikkelen en verheffen van de massa. Dit is het denken dat aan de basis van onze huidige maatschappij staat, de huidige maatschappij geschapen heeft. In I.7 kwamen we al zijn opinie tegen: "Dat iedereen mag leren lezen, bederft op den duur niet alleen het schrijven, maar ook het denken." Dat deze opinie geen hout snijdt is evident: met scholing voor iedereen stijgt inderdaad het aantal roddelblaadjes, maar automatisch óók het aantal 'zeldzame exemplaren' (eenvoudig omdat ze de kans krijgen), dus het aantal dat hoogwaardig schrijft en denkt en onze cultuur in een opwaartse richting stuurt. Nietzsche en vele anderen uit onze tijd, verachten massacultuur, maar in zo'n cultuur is er ook altijd een overvloed aan diepzinnige en hoogwaardige cultuur; het is slechts een kwestie van zoeken en sorteren en ophouden met je blindstaren op het massa-aspect van het geheel.

Dat Nietzsche zich blindstaarde en er moedeloos door werd is duidelijk uit zijn opmerking: "Niet mijn haat, maar mijn walging vrat hongerig mijn leven aan! Ach, de geest werd ik vaak moe, toen ik ook het gespuis geestrijk bevond!" Ook de moderne heersers werd hij moe, omdat ze sjacheren en schermen om macht - met het gespuis. Zelfs zijn vertrekken naar het buitenland legt hij hier uit als een middel om maar niet het sjacheren en gescherm om macht te hoeven verstaan.

De weg van de bevrijding van deze kwelling was te vliegen naar de hoogste hoogte, waar geen gespuis meer aan de bron zit (de bron van lust, het leven):


Voorbij is de boosheid van mijn sneeuwvlokken in juni! Zomer werd ik geheel en al, en zomermiddag! Een zomer in de hoogste hoogte met koude bronnen en zalige stilte: o komt mijn vrienden, opdat de stilte nog zaliger wordt! Want dit is onze hoogte en ons thuis: te hoog en steil wonen wij hier voor alle onreinen en hun dorst.


'De hoogste hoogte' kan men natuurlijk als een metafoor lezen, Zarathoestra heeft zich 'erbovenuit' gedacht en leeft nu in zulke andere sferen, zo ongenaakbaar boven het gespuis, dat ze hem nooit zullen durven lastig vallen; maar het is evenzeer de letterlijke afzondering van Nietzsche in de zwitserse alpen, weg van zijn vaderland en weg van 'het gekrioel', dus de weg van de eenzaamheid die hij eerder adviseerde te gaan (I.11, I.12, I.14). Zarathoestra laat nog horen dat hij niet eenzaam is, want 'adelaars' (dwz andere hoogvliegers, begaafde genieën, her en der verspreid over de menselijke geschiedenis en over al het gespuis rondvliegend) brengen hem voedsel.


Zarathoestra werpt zijn blik vervolgens op de Toekomst en zegt zijn nest dáár te bouwen. Op dit punt van het boek zou men Zarathoestra kunnen vragen of hij op deze manier niet wegvlucht van het probleem (op dezelfde manier als de religieuze mens die op de wederkomst van Jezus wacht), of dat hij botweg zijn ogen dicht doet voor de realiteit, of dat hij droomt van een uitroeien van alles waarvan hij walgt. Oftewel, of hij werkelijk verlost is. We zullen later zien dat Zarathoestra inderdaad deze kritiek onder ogen zal moeten zien: hij komt tot het inzicht dat het gespuis eeuwig is, zoals alles wat zich onder de zon bevindt. Dus dat wat het leven voor hem in de hoogste mate weerlegt kan niet uit de weg worden geruimd, maar de verlammende gedachte zal in zijn eigen innerlijk moeten worden bevochten; het leven eist een andere houding, een ander denken.


Neemt niet weg dat in De Genealogie van de Moraal Nietzsche een aantal jaren na Zarathoestra weer dezelfde gedachtengang als in dit hoofdstuk langsgaat:


Hoe normaler de ziekelijkheid van de mens is -en we kunnen niet ontkennen dat ziekelijkheid de norm is-, des te meer zou men zeldzame gevallen waarin lichaam en ziel macht uitstralen, de toevalstreffers van de mens in ere moeten houden, en de goedgelukten des te consequenter moeten behoeden voor de slechte lucht die er is, de lucht van de ziekenzaal. Doet men dat?...De zieken vormen het grootste gevaar voor de gezonden; niet van de sterksten komt het onheil voor de sterken, maar van de zwaksten. Weet men dat wel?...In het groot gerekend is het bepaald niet de vrees voor de mens waarvan men vermindering zou mogen wensen: want deze vrees dwingt de sterken ertoe sterk en soms vreeswekkend te zijn, -zij houdt het welgeslaagde mensentype overeind. Wat te vrezen is, wat als geen ander noodlot noodlottige gevolgen heeft, is niet de grote vrees, maar de grote walging voor de mens; alsook het grote medelijden met de mens.Gesteld dat deze twee zich op een dag zouden verenigen, dan kwam er onvermijdelijk meteen iets uiterst lugubers ter wereld, de 'laatste wil' van de mens, zijn wil tot het niets, het nihilisme...
De ziekelijken zijn het grote gevaar voor de mens: niet de slechtaards, niet de roofdieren. De van meet af mislukten, onderdrukten, gebrokenen -zij zijn het, de zwaksten zijn het, die het leven het meest ondermijnen, die ons vertrouwen in het leven, in de mens, in onszelf, het gevaarlijkst vergiftigen en in twijfel stellen. Waar zou men hem kunnen ontlopen, die gesluierde blik, die een diepe treurigheid verspreidt, die achterwaards gekeerde blik van wie al vanaf het eerste begin een wangedrocht was, die blik die verraad hoe zo'n mens tegen zichzelf praat, -die blik die een ziekte is! 'Was ik maar iemand anders!', zo zucht deze blik: 'maar er is geen hoop. Ik ben nu eenmaal die ik ben: hoe zou ik me van mezelf kunnen ontdoen? Ik ben het zat van mezelf!'...Op zo'n bodem van zelfverachting, een echte moerasbodem, groeit elk onkruid, elk giftig gewas, en alles zo klein, zo heimelijk, zo oneerlijk, zo zoetelijk. Hier krioelen de wormen van de wraak- en wrokgevoelens; hier stinkt de lucht naar achterbaksheid en verzwegen zonden; hier wordt gestaag het web van de kwaadaardigste samenzwering gesponnen, -de samenzwering van de lijdenden tegen de welgeslaagden en glorieuzen, hier wordt het aspect van het glorieuze gehaat. En wat een leugenachtigheid om deze haat niet als haat te erkennen!


Nietzsche worstelde in zijn eigen leven voortdurend met walging en medelijden. Beide gevoelens worden opgeroepen in de mens bij het aanzien van menselijke ellende en miezerigheid. Zijn hoogste inzicht was dat men zich van deze beide reacties moet bevrijden, omdat ze reacties zijn die door het negatieve worden gedicteerd, dwz door de ellende en miezerigheid opgelegd worden. Men blijft zo altoos zichzelf voortslepen in de ellende en miezerigheid. Deze gevoelens zijn uitingen van het slaafzijn aan het miezerig menselijke bestaan. Ze zijn geen antwoord op deze ellendige toestand, geen toereikende reactie om er onderuit te komen, om het mensdom te bevrijden. Het enige toereikende antwoord is in zichzelf de willende wil te ontwikkelen, de eigen wil die op het bestaan een zelfgeschapen stempel oplegt. En het stempel moet het beeltenis, de droom, van de Bovenmens dragen, van een totaal ander menszijn.