Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.7    Van de tarantula's

De tekst uit De Genealogie van de Moraal, waar het vorige hoofdstuk mee eindigde, sluit naadloos aan op de tekst van dit hoofdstuk. De groep mensen die Zarathoestra (blijkbaar om gradaties aan te geven) aanduidt met woorden als 'het volk', 'de kudde', en zelfs 'het gespuis', hebben bepaalde gemeenschappelijke karaktertrekken: het lijden en het (als gevolg daarvan) willen doen lijden (zie oa I.6). De tarantula is het beeld van de mens die met dodelijk gif en venijn rondloopt. Gespuis en tarantula's zijn er in religieuze kledij (de 'deugdzamen'), of geheel naakt, dwz godloos. Wat de eersten betreft vervolgt de tekst waar het vorige hoofdstuk mee eindigde met een beschrijving van mensen die we kunnen identificeren als een bepaald slag 'christelijke gelovigen':


Wat een vertoon van grote woorden en attitudes, wat een kunstenaarschap in de 'rechtschapen' laster! Deze mislukten: wat een edele welsprekendheid stroomt er niet van hun lippen! Hoeveel suikerzoete, slijmerige, nederige overgave drijft er niet in hun ogen! Wat willen ze eigenlijk? De rechtvaardigheid, de liefde, de wijsheid, de superioriteit op zijn minst spelen - dat is de ambitie van deze 'laagsten', deze 'zieken'! En hoe handig maakt die ambitie hen! Vooral de handigheid waarmee hier het stempel van de deugd wordt nagebootst, is bewonderenswaardig. Ze hebben de deugd nu helemaal voor zichzelf alleen in pacht, deze zwakke, hopeloos ziekelijke mensen, dat staat vast: 'alleen wij zijn de goeden, de rechtvaardigen', zeggen ze, 'alleen wij zijn de mensen van goede wil.' Ze lopen tussen ons rond als vleesgeworden verwijten en waarschuwingen aan ons adres, -alsof gezondheid, welgeslaagdheid, kracht, trots, machtsgevoel op zichzelf al verdorven dingen zijn waarvoor men eens zal moeten boeten, bitter boeten: o, hoezeer zijn ze daartoe bereid anderen te laten boeten, hoezeer smachten ze ernaar beul te zijn. Onder hen is er een overvloed aan wraakzuchtigen, als rechter verkleed, die voortdurend de mond vol hebben van het woord 'rechtvaardigheid' als van een giftig speeksel, altijd met een spits mondje, altijd klaar om op alles te spugen wat niet ontevreden uit zijn ogen kijkt en met goede moed zijns weegs gaat.


Dit hoofdstuk richt zich in de eerste plaats op de tweede groep: mensen die niet godsdienstig zijn, maar opvallend door dezelfde kwantiteit en kwaliteit aan gif gekenmerkt worden. Hun slogan is 'gelijkheid' en 'gerechtigheid' op aarde, maar in werkelijkheid worden zij beheerst door de hartstocht van wraak en schimpen op allen die niet tot hun groep (=de minderbedeelden) behoren. Zarathoestra noemt de ideologie van deze groep 'tirannen-waanzin (tyrannomanie) van onmacht' (het woord communisten was nog niet in omloop). Hij stelt deze mensen aan de kaak door hun innerlijk te ontleden met vlijmscherp psychologisch inzicht: het zijn mensen die heimelijk de begeerte van de tiran in zich bergen, maar het verpakken in woorden van verheven idealen.


Uit al hun klachten klinkt wraak op, in al hun lofuitingen is een pijnigen; en rechter te zijn schijnt hun zaligheid toe.


Wraak, een ander pijn willen aandoen, is een hoofdingrediënt van het menselijk bestaan. Tot Bovenmens uitgroeien betekent hiervan verlost te worden.
Zarathoestra wil niet verward worden met deze mensen die steeds het woord gerechtigheid gebruiken, en geheel op het aardse leven gericht zijn, zodat ze ogenschijnlijk Zarathoestra's leer lijken te prediken, maar die in werkelijkheid verbitterd zijn, en geheel in de ban van wraak staan, slechts bezig zijn met plannen om de huidige machthebbers te laten boeten. Ze zijn niet beter dan voorheen de ketterverbranders.


Zarathoestra roept op tot wantrouwen van een ieder in wie de drang tot straffen machtig is! Hoewel dit hoofdstuk van de tarantula's in de eerste plaats tegen de opkomende wereldse haat-ideologieën gericht is (waaruit later het communisme en nationaal-socialisme uit groeide), staat de wraak- en strafgedachte ook centraal in bepaalde christelijke groeperingen. Ook in het christendom heeft de wraakgedachte en het willen doen pijnlijden eeuwenlang de boventoon gevoerd. Het woord 'wraak', dat men uiteraard niet openlijk uitspreekt, ligt verscholen achter het veel gebruikte woord 'gerechtigheid', en hoe meer men gerechtigheid eist, des te wraaklustiger men is. Zarathoestra komt nu op één van zijn diepste gedachten:


Want dat de mens verlost wordt van wraak: dat is voor mij de brug naar de hoogste hoop en een regenboog na lange onweersbuien.


Het laatste woord over Verlossing spreekt Zarathoestra in II.20 uit; verlossing van de wraakgedachte is slechts een onderdeel van de totale verlossing. Zarathoestra's gerechtigheid spreekt heel anders dan de gerechtigheid van de tarantula's: de mensen zijn niet gelijk, en zij zullen het nooit worden! "Wat zou immers mijn liefde voor de Bovenmens zijn indien ik anders sprak?" Gelijkheid is geen ideaal dat men moet trachten te bereiken. De leer van de Bovenmens heeft raakvlakken met de evolutietheorie: de ontwikkeling van de soort naar de Bovensoort gaat via de gedachte dat 'gelukkige uitzonderingen', exemplaren die toevallig een graadje voor hebben op de grote massa, de ontwikkeling in de richting van iets hogers sturen. Dit gaat altijd gepaard met strijd en oorlog, iets waar men moeilijk kritiek op mag uiten, want het is eenvoudig de weg van de natuur. Zarathoestra omarmt dit fact of life door het zijn liefde te noemen. Hij brengt hier daadwerkelijk het 'Wees de aarde trouw' uit de voorrede tot zijn logische conclusie. En hij voorziet dat deze liefde voor het volgende tafereel zal zorgen (woorden die huiveringwekkend nauwkeurig de eeuw na hem kenschetsen:


Over duizend bruggen en vonders moeten zij naar de toekomst dringen, en steeds meer oorlog en ongelijkheid moet onder hen worden gezaaid.


Alle tegenstellingen zijn noodzakelijk, ze sporen aan tot verandering, tot ontwikkeling. Het leven heeft hoogte nodig. Elke hoogte wekt jaloersheid en strijd op om dezelfde hoogte te bereiken. Hoogte wekt trappen en klimmers op. Een wereld waar ieder gelijk is, waar nauwelijks of geen individueel streven en wedkampen meer bestaan, dommelt in, degenereert, iets wat communistische systemen later inderdaad bewezen hebben.


Opdat men Zarathoestra's strijd en oorlog en vijandschap goed begrijpe, legt hij nog uit hoe men tegenstellingen dient te zien: als het worstelen, breken en weerstreven van gewelven en bogen in een prachtige tempel of catedraal, dus als een goddelijk spel van licht en schaduw, tegengestelde werkingen die op elkaar botsen, maar daardoor het imposante gebouw juist overeind houden. Dus zelfs het schoonste bevat strijd en vijandschap. Maar dit laat zien dat men elkander dus ook goddelijk weerstreven kan (dwz zonder lage wraakgedachten).


Meteen erachter aan merkt Zarathoestra op dat hij nu ook gebeten is door een Tarantula: ook hij had er behoefte aan vijandschap te verzachten, goed te praten, uit te leggen. Het mag geen waarde op zichzelf zijn. "Niet zomaar mag hij hier ter ere van vijandschap liederen zingen!" was de gedachte die op zijn uitspraak vooraf ging. "Straf en gerechtigheid moet er zijn" is de basisgedachte van iedereen, iedereen is door dit denken geïnfekteerd, het spookt zelfs nog rond in Zarathoestra's denkwereld. Maar al moet Zarathoestra dit toegeven, hij zegt erachteraan niet naar deze stem te willen luisteren. Zelfs wanneer hij de stem uit zijn eigen gedachten voelt opkomen wil hij er volkomen doof voor zijn. "Opdat ik niet zal duizelen, mijn vrienden, moeten jullie mij aan deze pilaar hier vastbinden! (verwijzing naar het verhaal van Odysseus). Liever nog wil ik pilaarheilige wezen (=geheel nietsdoen) dan werveling van wraak!" Voor het eerst zien we dat Zarathoestra geen goddelijke perfectie bereikt heeft, maar ook een mens blijft, al zij het één met de zeldzame heldhaftigheid van een Odysseus. Het vorige hoofdstuk eindigde met de woorden dat Zarathoestra een sterke wind is. Dit hoofdstuk eindigt door hiervan een nuancering te geven: Zarathoestra is geen wervelwind, dwz wordt niet geregeerd door wraak. En zijn dansen is niet gelijk de tarantella (wervelende dollendans van iemand gebeten door de tarantula).


Wanneer Zarathoestra zegt dat zijn hoogste hoop is dat de mens verlost wordt van wraak, zou men hem een profeet kunnen noemen die voor de diepste zin van het evangelie opkomt. In de Antichrist legt Nietzsche zijn kijk op de bijbel neer. Hij begint met te stellen dat het originele jodendom gekenmerkt werd door een unieke nationale wil tot overleven, en dat hun godsdienst er één was waarin Jahweh als schenker van zegeningen en waarborg voor voorspoed optrad. Maar sinds de Assyrische en Babylonische ballingschap verdween de triomferende godsdienst en kwam er een boosaardige, vertoornde, straffende God voor in de plaats. Het hele godsdienstige leven draaide vanaf die tijd slechts om schuld, zonde en straf vanwege zonde. Alles wat gebeurde moest worden gezien als de wil van God, dus alle tegenspoed als straf. Ook gebeurtenissen zoals geboorte, sterven, huwelijk, zelfs maaltijden, moesten godsdienstig worden omlijst met zegeningen, bepalingen, verboden, dreigingen enz. Op het hoogtepunt van dit 'verontreinigde' religieuze klimaat, waar priesters het gehele leven in boeien en banden had gelegd, waar vroomheid zowat gelijk stond aan onderdanige kruiperij en fanatisme, waar alles in het teken stond van oordeel, straf, zonde, verboden en geboden, ontstond het christendom, als een plant met een schimmelziekte. De christelijke beweging zag Nietzsche als een revolutie tegen de priesterlijke stand. Een revolutie waarin de armen, weerlozen en het kleine volk zalig werd gesproken, waarin men tevens zocht naar een individuele innerlijke beleving van het goddelijke, zelfs naar innerlijke perfectie ('het koninkrijk van God is binnen in u', 'Gij dan zult volmaakt zijn'). Hij noemde Christus een 'heilige anarchist'.
Maar dan vervolgt Nietzsche met een psychologische ontleding van de op de achtergrond werkende krachten in het christendom. Christus zelf was volgens Nietzsche een vreemde mengeling van sublieme inzichten, ziekte (lijden aan het leven) en kinderachtigheid, een vreemde mengeling die door zijn volgelingen met uitsluitend ziekelijke ingrediënten aangevuld werd. Jezus wist zich nog boven gevoelens van wraak en ressentiment te verheffen, maar voor zijn discipelen werd loon en straf de taal waarin alles werd uitgelegd. Jezus' dood -symbool voor het zich volledig overgeven aan het goede, het keurmerk op zijn boodschap van liefde- moest worden uitgelegd als een misdaad waarvoor geboet moest worden. Zodoende had men een toekomstige straffende en zich wrekende Messias nodig (wederkomst), en een strenge God op een troon die al zijn vijanden uiteindelijk zou uitroeien en eeuwig straffen. En om uit te leggen hoe God de dood van Christus kon toestaan moest de mythe geschapen worden dat het een verordineerd zoenoffer was om de schuld van de mensheid te vereffenen.


Op de 'blijde boodschap' [van Jezus] volgde op de voet de allerslechtste: die van Paulus. In Paulus is het tegendeel belichaamd van het type van de 'blijde boodschapper': het genie in de haat, in het visioen van de haat, in de onverbiddelijke logica van de haat. Wat heeft deze kwade boodschapper niet allemaal ten offer gebracht aan de haat! Allereerst de Verlosser: hij sloeg hem aan zijn kruis. Het leven, het voorbeeld, de leer, de dood, de zin en het bestaansrecht van het hele evangelie - niets van dit alles bestond meer toen deze valsemunter uit haat begreep wat hij alleen maar gebruiken kon. ... Waar hij behoefte aan had was macht: met Paulus deed opnieuw de priester een greep naar de macht. Hij kon alleen die begrippen, leerstellingen en symbolen gebruiken waarmee men massa's tiranniseert, kudden vormt. Wat was het enige dat Mohammed later aan het christendom ontleende? Paulus' uitvinding, zijn middel tot priesterlijke tirannie, tot kuddevorming: het geloof in de onsterfelijkheid -dat wil zeggen de leer van het 'laatste oordeel'. (§ 42)


Zo laat Nietzsche zien hoe de gedachte aan straf en oordeel, aan wraak, als een zuurdesem, op de gehele geschiedenis van alle culturen die uit de Abrahamitische godsdiensten zijn ontstaan, haar stempel gelegd heeft.