Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.8    Van de beroemde wijzen

Hoofdstuk 8 en hoofdstuk 12 richten zich tot resp. 'beroemde wijzen' en 'de grootste wijzen'. Zoals gewoonlijk leert Zarathoestra de aangesprokenen een lesje. Maar ertussenin staan drie lyrische hoofdstukken, waarin Zarathoestra zelf een fundamentele levensles te leren krijgt, ÚÚn zo opmerkelijke les, dat de rest van het boek hierdoor in een andere richting gestuurd wordt. Deze les is tevens noodzakelijk vˇˇrdat hij recht van spreken zou hebben om de allergrootste wijzen aan te spreken.


Allereerst gaat Zarathoestra weer als psycholoog aan het werk. Hij ontleedt de motieven van de beroemde wijzen: de wijzen denken wijs te zijn, maar alle eeuwen door zijn ze nooit meer geweest dan de nederige dienaars van het volk. Hij contrasteert dit met 'de vrije geest', een onbekend begrip in de geschiedenis. Het begrip is pas in de 19e eeuw uitgevonden. Beroemde wijzen hebben hun naam niet vanwege de wijsheid die ze verkondigden, maar omdat het volk hen in ere houdt. En het volk houdt hen in ere omdat ze slechts onderbouwden wat het volk wil horen, wat het volk voor waar wÝl houden. Wijzen zijn dus niet op zoek geweest naar de waarheid, maar hadden altijd andere motieven die de boventoon voerden. De motieven van het volk werden in het hoofdstuk hiervoor ge´dentificeerd als afgunst en wraak, en het gespuis werd slechts door wellust voortgedreven, maar het is de wijzen in de eerste plaats altijd te doen geweest om hun eigen eer en glorie. Er heerst daarbij een stilzwijgende overeenkomst tussen de wijzen en het volk. De wijzen dienen het volk, en het volk op haar beurt zal de wijzen dienen. Op dezelfde manier gaan ook de heersers om met de wijzen: wijzen mogen als aardige ezeltjes naast de eigenlijke strijdrossen van de heersers meelopen.


Zarathoestra duidt hier in de eerste plaats op het feit dat alle beroemde wijzen altijd de heersende godsdienst dienden. Zelfs de paar wijzen die enige kritiek leverden dienden nog steeds het volk: men duldde hun ongeloof als grap, zoals een meester zich kan vermaken met de hoogmoed van zijn slaven.


Ach, eer ik aan jullie 'waarachtigheid' leer geloven, zouden jullie eerst eens jullie wil tot vereren moeten breken! Waarachtig noem ik pas hem die godenloze woestijnen intrekt en zijn vererend hart gebroken heeft.


Zarathoestra komt op voor absolute intellectuele eerlijkheid, iets wat in zijn tijd nog nauwelijks bestond. Echte wijsheid is niet ge´nteresseerd in wat de maatschappij ervan denkt. Echte zucht naar waarheid kan het niet schelen dat men de oase (de zekerheden die ons gegeven worden via de openbaringsgodsdiensten) moet verlaten en in de woestijn terecht komt, indien de wil tot waarheid daarheen leidt. Zarathoestra kan de wijzen wel begrijpen. Het waren allemaal deugdelijke mensen, lovenswaardig en goedbedoelend. Via hun overeenkomst met het volk gedijde zowel de wijze als het volk. Maar wat geest is, hebben al deze wijzen nooit begrepen.


Geest is het leven dat zelf in het leven snijdt: door zichzelf te kwellen vermeerdert de geest het eigen weten. En geluk van de geest is dit: gezalfd te zijn, en door tranen gewijd tot offerdier.


Een wijze is niet de persoon die zoveel weet en zekerheden heeft, maar eerder de persoon die vanwege onophoudelijk zoeken en tasten blind is geworden vanwege de zon waarin hij schouwde. Hij is niet een gespierde topzwemmer in het zwembad die moeiteloos baantjes trekt, maar eerder iemand die bijna verdrinkt omdat hij de oceaan heeft gevonden. Een wijze is niet de persoon die zich op vonken concentreert, maar hij die voortdurend bezig is met de wreedheid van de slag van de hamer op het aambeeld. Zowel de trots van de geest, waartoe de geest al niet in staat is indien er het uiterste van wordt gevraagd, als de ingetogenheid van de geest, het onder ogen zien van haar beperktheid, is de beroemde wijzen onbekend geweest.


De godsdienstige wijsheid van wijze mensen is alle eeuwen door voor het merendeel slechts een napraten van kant-en-klare pakketten geweest die al eeuwen tevoren dienst hadden gedaan. Nooit kwam het bij deze wijzen op hun geest in een sneeuwkuil te werpen. De verrukking van zoiets begrijpt men dan ook pas wanneer de geest eerst langdurig de hitte van de sauna proeft. Maar ook die ervaring ontbreekt hen. Slechts een adelaar weet wat afgronden zijn, maar de beroemde wijzen wisten niet van vliegen.


De wijzen hebben altijd gekozen voor geestelijk gemak en comfort; eerbaar, stijf en met kaarsrechte rug staan de wijzen er bij, zonder eigen sterke wil. Ze hebben zich altijd bediend van de heersende godsdienst om zich niet al te koud te voelen. Zarathoestra berispt hen: ijskoud stroomt alle diepe kennis, dwz met geen enkele gedachte aan zelfbehoud of eigen glorie.


Zarathoestra biedt zichzelf aan als voorbeeld van sterke geest: zijn zeil staat gebold en rillend in de onstuimige zee van zijn geest. "Hoe zouden jullie, dienaren van het volk, met mij kunnen varen!"
Zarathoestra noemt zijn eigen geest "Wilde Wijsheid", aangedreven door een omstuimige wind. Dit is al de derde achtereenvolgende keer dat Zarathoestra eindigt met een verwijzing naar de machtige wind als beeld van zichzelf. En ook in II.2 vergeleek hij zich met de wind:


Een noordenwind ben ik voor rijpe vijgen [II.2]

Voorwaar een sterke wind is Zarathoestra voor alle laagten. En deze raad geeft hij zijn vijanden en al wat ettert en spuugt: 'Pas op dat jullie niet tegen de wind in spuwen!' [tegen het gespuis, II.6]

Voorwaar, geen draai- of wervelwind van wraakzucht is Zarathoestra. En zo hij een danser is, dan toch nimmer een tarantula-danser [tegen de wraakzuchtigen, II.7]


De 'machtige wind' die het optreden van Zarathoestra karakteriseert is Zarathoestra's equivalent van de christelijke Heilige Geest.