Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




II.9    Het Nachtlied

Geheel onaangekondigd worden de preken waaraan we al zo gewend zijn abrupt afgebroken en vervolgd met drie hoofdstukken die als titel een lied hebben. Ze vormen precies het hart van deel twee, en zijn dus bewust zo centraal geplaatst. Wanneer we de Zarathoestra cyclus opvatten als bestaande uit drie eigenlijke delen, bevattende 60 hoofdstukken, en het in twee gelijke delen splitsen, zijn we nu precies op het punt gekomen waarmee de tweede helft begint, hoofdstuk 31. De liederencyclus waarmee deze tweede helft begint, kondigt een radikaal breukvlak aan met het voorgaande. Het is alsof al het voorgaande nu wordt weggeveegd en geen geldigheid meer heeft. We moeten ons denken nu volgens volkomen nieuwe banen laten gaan. Het is afgelopen met de Bovenmens, het is afgelopen met Zarathoestra als hoog boven alle anderen uitstekende figuur die de rest van de mensheid onder zich ziet. Zarathoestra wordt tot op de bodem van zijn ziel eerlijk en ontdekt de waarheid over zijn eigen leven, een daarmee de diepste waarheden over 'het' Leven. Dit gebeurt wanneer hij een keer volkomen alleen is, en niet door zijn discipelen omringd wordt.

Het eerste lied is een klaaglied, een lyrische tekst waarin Zarathoestra zijn allerdiepste gevoelens blootlegt. Het Nachtlied wordt in Duitsland algemeen beschouwd als één van de teksten "die zum Schönsten gehören, was die deutsche Literatur zu bieten hat". De tekst was voor Nietzsche persoonlijk zo aangrijpend dat hij het later in Ecce Homo in zijn geheel aanhaalde. Hij schrijft erbij dat het het moment weergeeft van de grootste zielsverlatenheid; het nachtlied is "het eenzaamste lied wat ooit geschreven is". Nietzsche maakte dit Nachtlied eens op een balkon midden in een meinacht in Rome, de stad die bekend staat om zijn fonteinen:


Nacht is het: luider spreken nu alle springfonteinen. En ook mijn ziel is een springfontein.
Nacht is het: eerst nu ontwaken alle liederen van minnenden. En ook mijn ziel is het lied van een minnende.
Iets ongestilds, onstilbaars is in mij; dat wil tot klinken komen. Een zucht naar liefde is in mij, een zucht die zelf de taal der liefde spreekt.
Licht ben ik: ach, was ik maar nacht! Doch dit is mijn eenzaamheid, dat ik door licht omgord ben.


Het gedicht begint met een analyse van de ziel van Zarathoestra. Het is een moment dat alles kristalhelder voor ogen staat en hij op de bodem van zijn ziel kan kijken. Zarathoestra's ziel is als een onophoudelijke stroom liefde. Zijn verlangen naar liefde is synoniem voor het wezen dat hijzelf is, Zarathoestra's gehele wezen is doordrenkt van dit verlangen (zie ook II.11, waarin hij laat weten vanaf zijn vroegste jeugd hierdoor gekenmerkt te zijn). In het voorgaande hebben we gezien dat dit zich naar de buitenwereld uit als een onophoudelijke en onvermoeibare stroom gedachten die de mensheid willen inspireren tot het hogere, het goddelijke.


Maar hij bezwijkt nu onder de gedachte dat hij eeuwig en altoos een gever, een uitdeler, een lichtbrenger moet zijn, maar nooit het geluk van ontvangen mag smaken. De leraar die anderen wees op het gif van wraakgedachten en jaloersheid beschrijft hier hoe hijzelf te kampen heeft met deze gevoelens. Hij schrijft dat hij ernaar verlangt duister en nachtelijk te zijn. Hij zou de zaligheid van het zuigen aan de borsten van het licht willen proeven. Zelfs de kleinste flonkerende sterren zou hij dan nog zegenen, want hij zou zich dan nooit meer alleen voelen.


Deze nachtelijke gebeurtenis moet men niet opvatten als een bliksemslag bij heldere hemel, maar als een erkenning van de gevoelens die Zarathoestra altoos diep in zichzelf met zich meedraagt, een erkenning waartoe men gedwongen wordt op het moment dat het aktieve leven even stilstaat en men alles zo objektief mogelijk kan bezien en erover reflekteren, dwz op de late avond. Zarathoestra's gehele optreden tot nu toe is de uiting die groeit op een bodem die niet openlijk uitgesproken is, waarover voortdurend gezwegen is, maar die zijn ziel eigenlijk beheerst, namelijk de hopeloosheid antwoorden te vinden op het


Waarom? Waarvoor? Waardoor? Waarheen? Waar? Wat? Is het niet dwaasheid nog te leven?


waarmee het volgende hoofdstuk eindigt. Deze probleemstelling is de kern van het boek, de probleemstelling waar het gehele boek mee worstelt en die Zarathoestra tot een bevredigende oplossing wil brengen.


Van Zarathoestra's eerlijkheid wordt nu het uiterste gevergd. Niet slechts zijn eenzaamheid en vermoeidheid moet hij opbiechten, maar erger nog, hij moet toegeven dat in hemzelf de boze gevoelens huizen die hij telkens in anderen opmerkte:


Een honger groeit uit mijn schoonheid: pijnigen zou ik graag hen die ik beschijn, beroven zou ik graag hen die ik beschenk: -zozeer honger ik naar boosheid.
Mijn hand terugtrekkend wanneer haar al een hand wordt toegestoken; aarzelend als de waterval die nog aarzelt in zijn val: -zozeer honger ik naar boosheid.
Zulke wraak beraamt mijn volheid, zulke arglist welt op uit mijn eenzaamheid. Mijn geluk in het schenken stierf in het schenken, mijn deugd werd zichzelf moe in haar overvloed!


Zarasthoestra wordt geplaagd door de wet van het leven: het leven kan men niet onder de knie krijgen via wijsheid. Deze levensles wordt in het volgende hoofdstuk uitvoeriger behandeld. Het antwoord dat Zarathoestra gevonden had op de banauwdheid van het leven, de vereenzelviging met de Zon, is geen ultiem antwoord, want het leven zit zo in elkaar dat alles wat volkomen eenzijdig is pervers wordt. Boosheid groeit als vanzelf uit de schoonheid, en andersom. Tegengestelden behoren altijd tot elkaar, en men komt juist altijd het complement tegen wanneer men eenzijdig met het één of ander bezig is. Het ergste is nu dat Zarathoestra moet toegeven dat zijn geluk stierf in het schenken. Zijn deugd had tot gevolg dat hij zich vermoeid voelt. En overvloedige deugd resulteert slechts in overvloedige vermoeidheid. Wie altijd schenkt en uitdeelt, die verliest zijn schaamte, diens hart wordt eeltig. Het leven leert deze les in alle kleuren: wie altijd drinkt weet het geluk van dorstlessen niet, wie altijd zomer ervaart, verliest het geluk van zomer, wie altijd gezond is heeft geen weet meer van zijn schat. Wie beroepschauffeur is weet niet meer hoe heerlijk het is een auto te rijden, de beroepspianist hoort geen hemelse klanken meer. Wie altijd vakantie heeft geeft niet meer om vakantie. Wie seksverslaafd is weet niets meer over de heerlijkheid van seks. Wie altijd liefde is en ondervindt, weet op een gegeven moment zelfs totaal niets meer van liefde.


Mijn oog schiet niet langer vol vanwege de schaamte van smekenden; mijn hand werd te hard voor het beven van gevulde handen.
Wat is er van de traan in mijn oog en het dons van mijn hart geworden?


Zarathoestra merkt dit op:


Dit is de vijandschap van het licht tegen al wat licht geeft: zonder erbarmen trekt het zijn banen. Koud tegen zonnen, zo trekt elke zon zijn baan. Hun onverbiddelijke wil volgen zij, dat is hun kou.


Zarathoestra stuit hier voor het eerst op de menselijke gevoelens, gevoelens die hij eerder telkens weer de kop in drukte. Telkens weer spoorde hij zichzelf aan tot hardheid, tot verzet tegen medelijden, tot het honen en verachten van menselijke zwakheid en verlangen naar 'erbarmelijk welzijn'. Maar nu moet hij de rekening betalen voor dit denken: hij mag dan steeds de zon als voorbeeld genomen hebben, nu moet hij ook de keerzijde van de zon onder ogen zien. De wet van de zon is onverbiddelijk, zij trekt slechts een vaste baan, gevoelloos, zonder erbarmen. Dit laatste staat voor een mens gelijk aan bittere kou. En nu Zarathoestra het opmerkt wordt hij bevangen door de meest verschrikkelijke tegenbeweging:


Ach, ijs omhuift mij, mijn hand brand zich aan al wat ijs is!


Enkel het duister, enkel de nacht kan het geluk van warmte scheppen uit dat wat licht is ervaren.


Het hoofdstuk besluit met dezelfde woorden als waarmee het begon: het blijft voor Zarathoestra een onveranderlijk gegeven dat hij licht moet zijn. Zijn ziel blijft een springfontein en zijn ziel blijft het lied van een minnende zingen. Maar zoals iedere minnende weet is er niets groters dan het brandende verlangen naar liefde en kan men het niet onderscheiden van 's mensen grootste kwelling.