Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.1    De Voetreiziger

De evangeliën kunnen in twee delen gesplitst worden, een eerste deel dat verhaalt over het optreden van Jezus als leraar en wonderdoener en een tweede deel bestaande uit het verhaal van de passie en opstanding. Het eerste gedeelte is bedoeld voor jan-en-alleman ter navolging, maar het tweede gedeelte betreft de weg van Jezus die hij geheel alleen moest gaan, de unieke taak van verlossing van de mensheid die Jezus moet volbrengen. Nietzsche streeft in zijn Zarathoestra-cyclus precies dezelfde gang van zaken na, om zijn boek Aldus sprak Zarathoestra letterlijk het tegen-evangelie te laten zijn en zijn Zarathoestra letterlijk als de contrachrist, antichrist of nieuwe christus te laten optreden, de persoon die in alles zowel de parallel -uiteraard met de benodigde verschillen- alsook volledige omkering is van het christelijk geloof. Zo zagen we in deel 1 en 2 Zarathoestra als leraar en verkondiger, maar nu in deel 3 en 4 Zarathoestra als volbrenger en vervuller van de leer die hij zelf verkondigde. Zarathoestra denkt in het begin van zijn optreden nog dat zijn leer van de Bovenmens ooit in de toekomst gestalte zal moeten krijgen. In zekere zin blijft het begrip ook eeuwig een ideaal, want iedere gestalte van een Bovenmens roept weer een nog hoger ideaal op. Er bestaat wat dat betreft geen 'zijn', maar slechts eeuwig 'worden'. Nietzsches Bovenmens is dan ook geen concreet doel wat eens bereikt wordt, maar eenvoudig een geestesgesteldheid, het ideaal van een Christusfiguur, de persoon die optreedt met de autoriteit van God, nu na te streven voor ieder mens aangezien alle goden buiten de mens dood zijn. Aangezien Zarathoestra de eerste is die de dood van God in al zijn gevolgen tot zich door heeft laten dringen, blijft er uiteindelijk voor hem niets anders over dan zelf als eerste over de brug te gaan en deze mens van de toekomst, de mens die zijn eigen verlossing bewerkstelligt, zelf te belichamen. Voor dit laatste schrikt Zarathoestra zeer terug. In dit eerste hoofdstuk van deel 3 heeft hij eindelijk de beslissing genomen om in zijn denken tot het uiterste te gaan en alle consequenties daarvan onder ogen te zien, maar moet hij zich nu voortdurend moed inspreken om een weg te begaan die iedereen, inclusief hijzelf, als onmogelijkheid zou betitelen. Dit moed inspreken doet hij in bewoordingen die er geen doekjes omheen winden, aangezien ze in termen die slechts op een messias kunnen slaan gegeven worden: Zarathoestra is een mens die 1) de weg van de hoogste menselijke grootsheid bewandelt, 2) de mens die een gepredestineerde unieke taak heeft die met noodwendigheid volbracht zal worden en 3) in de allergrootste eenzaamheid deze weg moet gaan.

Het onmogelijke van zijn weg is al door deel 2 uit de doeken gedaan: boven de ogenschijnlijk vrije wil van de mens staat een kosmische wil, waartegenover de wil van de mens machteloos staat, of tegen wil en dank aan te gehoorzamen heeft. Zarathoestra's boodschap was vanaf het begin een oproep om met behulp van de individuele soevereine en autonome Wil tot Macht een hogere toekomst te scheppen voor de mens, maar hij heeft uiteindelijk moeten inzien dat verlossing niet mogelijk is zolang de mens gevangen is in wat het verleden hem voor de voeten werpt en in wat de toekomst hem ogenschijnlijk als toeval voor de voeten werpt.
De oplossing van dit dilemma werd echter ooit al eens gevonden door Spinoza. Hij leerde dat 's mensen hoogste geluk hierin ligt, dat men zich geheel identificeert met die kosmische wil. Dus alles wat de Natuur dicteert dient de mens als zijn eigen wil te koesteren en lief te hebben. Nietzsches oplossing is een mens te schilderen die zowel de hoogste invulling geeft aan de menselijke wil, alsook beschikt over de hoogste invulling van het menselijke inzicht onderworpen te zijn. De hoogste wijsheid van het begrijpen gekoppeld aan de grootste menselijke kracht van willen. Paradoxaal zijn deze twee zaken diametraal tegengesteld aan elkaar, en bieden ze ons het eeuwenoude dilemma van de vrije wil contra de gedetermineerde wereld. Beiden dienen gehonoreerd te worden als zijnde de waarheid. Hoe Nietzsche dit doet zal in deel 3 en 4 nader geďllustreerd worden.


Zarathoestra gaat middernacht te voet op weg om de gelukzalige eilanden (dwz filosofische pais en vree) te verlaten, scheep te gaan en de zee over te steken naar het verre onbekende. Onderweg beklimt hij een berg en overdenkt hij zijn karakter. De kern van zijn persoon ziet hij in het altoos op weg zijn, het steeds verder trekken, het nooit lang stilzitten, en altijd de berg op, dus opklimmend, nooit over de vlakte. Voor de mens die zó leeft is er nooit een eindpunt. Het doel is slechts de hoogste invulling van eigen persoon te vinden, en deze weg is zonder einde. Zarathoestra stelt dat iemand die zo leeft geen toeval meer op zijn weg zal tegenkomen. Alles wat hem overkomt dient slechts als middel om aan zijn bestaan een hogere invulling te geven. Voor de mens die met deze gedachte leeft is het dan letterlijk zo dat alles wat een mens overkomt niet maar toeval is, maar dingen zijn die bij hem hoorden en slechts naar hem terugkeren, 'naar huis komen'. Alles wat er in een mensenleven gebeurt is een onderdeel van het Zelf dat men is.
Een geweldig inzicht, en voor iemand die het meteen weggooit als onmogelijk kan de opmerking van de schrijver dezes geen kwaad dat sommige dingen niet bij het horen ervan meteen begrepen kunnen worden, maar als klassieke muziek een taal zijn die men met noeste arbeid, vlijt en eindeloos geduld op de kleine hoeveelheid verstand waarover we beschikken moet laten inwerken. De vruchten van dit denken verschijnen pas op de lange duur. Het is een bewezen feit dat de manier waarop wij denken via geijkte paden gaat, en een andere richting opgaan in je denken een ongelooflijke hoop werk vereist. In het geval van dit inzicht gaat het erom de gewoonte in je te kweken alles wat ons in het leven overkomt als voordeel voor ons te beschouwen. Het is ook een gedachte die in de bijbel voorkomt. De gelovige claimt daar voor zichzelf de zegen van God op: "En wij weten dat voor wie God liefhebben, voor wie volgens zijn voornemen geroepen zijn, alles bijdraagt aan het goede." (Rom. 8:27) Nietzsche denkt deze gedachte eenvoudig door, inziend dat God niets anders is dan het leven zelf, en zijn liefde en zegen voor ons eenvoudig afhankelijk is van de mate van onze liefde voor het leven. Dus "Wie het Leven liefheeft, wie door het Leven geroepen is het Leven te verheerlijken, zal enkel en alleen het goede ontmoeten."
Een geweldig inzicht, zal iemand anders zeggen, maar het bergt het gevaar van fatalisme in zich. Inderdaad, zo kan hierop geantwoord worden, maar , voor een persoon als Zarathoestra: op het moment dat fatalisme toeslaat in het denken van de mens zal hij onmiddellijk weer zijn autonome en soevereine wil laten spreken, de persoon zijn waarmee we in deel 1 kennis maakten, want dit -de wil tot macht- is de kern van het leven. Dít is in een notendop het spel van het leven gespeeld door de wijste mens. Vandaar dat verlossing in het boek Aldus sprak Zarathoestra niet komt als de annulering van leringen die Zarathoestra eerder leerde, vanwege nu opgedane diepere leringen, maar dit diepere begrijpen naast de eerdere leringen komt te staan.
Men kan dit hoogste inzicht ook uitdrukken in Zarathoestra's woorden "Top en afgrond, dat is in één besloten!" Het menselijk grootste en hoogste bereikt men door de moed te hebben de bodemloze diepte van de werkelijkheid onder ogen te zien.


Voor mijn hoogste berg sta ik en voor mijn langste voetreis: daarom moet ik eerst dieper omlaag dan ik ooit ben gedaald:
-dieper omlaag in smart dan ik ooit daalde, tot in haar zwartste vloed! Zo wil het mijn noodlot: welaan! Ik ben bereid. Waar komen de hoogste bergen vandaan? zo vroeg ik eens. En ik leerde dat zij uit de zee afkomstig zijn. Dit getuigenis is in hun gesteente geschreven en in de wanden van hun toppen. Uit het diepste moet het hoogste tot zijn hoogte komen.-


Door zo te spreken lijkt het erop alsof Zarathoestra de diepste werkelijkheid van het bestaan als een vijand ziet die hij moet overwinnen. Nietzsche geeft een schitterende beschrijving van de zee (van het leven) als een monster, als droefenis, als zwangere mismoedigheid. Zijn duik erin om tot de bodem van het begrijpen te komen beschrijft hij als het omlaag gaan naar het dodenrijk. Maar wanneer hij eindelijk in de vroege morgen bij de zee aankomt ligt zij daar vredig voor zijn ogen.


Vreemd en slaapdronken blikt ze mij aan. Maar ze ademt warm, dat voel ik. En ik voel ook dat ze droomt. Al kronkelend droomt ze op harde kussens. Luister! Luister! Hoe kreunt ze van kwade herinneringen! Of kwade verwachtingen?


Het aanzicht van de vredige zee van het bestaan wekt bij Zarathoestra tedere gevoelens van liefde op. "Ach, ik ben droevig met jou, o donker monster en boos nog op mezelf om jouwentwil." Boos, omdat hij geen kracht genoeg heeft om de zee te verlossen van haar kwade dromen. Even later lacht Zarathoestra om zichzelf. De menselijke reactie van liefde en tederheid om het bestaan te verlossen is natuurlijk, maar zot, aangezien de Natuur geen liefde en tederheid nodig heeft, helemaal niet naar verlossing verlangt. De Natuur is wat ze is, en ze is er best tevreden mee, of beter gezegd, ze is volkomen gevoelloos, ze kent noch tevredenheid noch opstand. Het is de mens die van verlangen naar liefde en hoop altijd smart ondervindt. De mens die uit verlangen naar liefde zelfs een gedrocht wil strelen. Een zacht plukje dons aan klauwen is genoeg om de klauwen lief te hebben en het aan te lokken. "Liefde is het gevaar van de eenzaamste" roept Zarathoestra uit, en op het moment dat hij de liefde tot orde roept wordt hij weer gestoken door de gedachte dat hij daarmee zijn achtergelaten vrienden benadeelt, alsof ze niets voor hem te betekenen hadden. De wijze mens moet liefde een halt toeroepen, niet omdat de liefde waardeloos is, maar om het tegendeel, omdat de wijze geheel opgeslokt wordt door de liefde, door het medelijden, door troost, en de liefde dus het diepere begrijpen kan verhinderen, zoals medelijden met het zwakke en lijdende de ontwikkeling tot het hogere en krachtigere kan verhinderen. Vandaar dat Zarathoestra weer opnieuw uitspreekt: "Geloofd zij wat hard maakt!" en erachteraan zegt, om het verschil met de oude godsdienst van geruststelling, troost en beloning nog eens te benadrukken: "Ik loof het land niet waar boter en honing vloeien! Van zichzelf afzien is nodig om veel te zien: -deze hardheid heeft iedere bergbeklimmer van node." Anders gezegd: waarheid vindt men pas daar waar men niet bezig is met eigen voordeel, het scheppen van welbehagen voor zichzelf. Maar het gevolg van deze bewuste hardheid tegen zichzelf om de hoogste traptreden te beklimmen is dat Zarathoestra verstrikt raakt in het diep menselijke dilemma van de mens van alle tijden:


En terstond gebeurde het dat de lachende weende: -van toorn [op de liefde] en verlangen [naar de liefde] weende Zarathoestra bittere tranen.


Zarathoestra's hardheid tegen zichzelf heeft zijn basis in het overweldigd worden door het tegendeel, dwz in de overgevoeligheid.
Merk op hoe ook details als in bovenstaand citaat bewust door Nietzsche erin zijn gezet om het evangelieverhaal weer om te draaien. In het evangelie weent de discipel 'bitter' omdat hij zijn meester in de steek heeft gelaten; in Zarathoestra is het precies omgekeerd: de meester weent omdat hij zijn vrienden in de steek moest laten om tot een hogere vorm van zegen voor de wereld te kunnen komen.