Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.10    Van de Drie Kwaden

1

Teruggekomen uit 'de wereld' naar z'n kluizenaarsbestaan valt Zarathoestra naar het schijnt meteen vermoeid in slaap. Hij wordt 's morgens wakker vanwege een droom. De droom die hij had is een evaluatie van de wereld waaraan hij net een bezoek had gebracht.


In mijn droom, mijn laatste ochtenddroom stond ik vandaag op een voorgebergte, -aan gene zijde van de wereld, hield een weegschaal in de hand en woog de wereld."


De taal van deze droom komt uit het bijbelboek Danil, waar God het rijk van koning Belsassar (Belshazzar) 'gewogen en te licht bevonden heeft'. Men raadt het al, Nietzsche, op zijn beurt, treedt nu op als weger, en zal de waarden van de religie te licht bevinden. Hij stelt zichzelf als een god op, alsof hij buiten die wereld staat. Hij staat op een voorgebergte, dwz bekijkt de wereld vanuit het perspectief van erboven staan en erop neer te kijken. In zekere zin kan hij zo doen aangezien zijn oordeel de hele wereld tegenspreekt, en dus een van de belangrijkste kenmerken van goddelijkheid vertoont. Evenals God die de spoedige ondergang voor het rijk van Belsassar voorspelt, doet Zarathoestra de voorspelling dat de er spoedig een tijd zal aanbreken waarin de priesterwaarheden ten onder zullen gaan.


Zarathoestra merkt allereerst op dat de wereld inderdaad te meten is, dwz te doorgronden en uit te leggen is. Men moet zich er slechts bekwaam toe weten. Hoe haalt hij bovenstaande ogenschijnlijk hautaine gedachte in zijn hoofd, vraag hij zich af. Wellicht komt de gedachte automatisch op bij de persoon die 'oneindige werelden' (=religieuze/metafysische denkbeelden) geheel opgegeven heeft. Wanneer de metafysica en mystiek, de religie, het 'voor mijn gevoel' en de gissing, van de hand worden gewezen, blijft slechts het getal over, dwz het meetbare, het uitdrukbare, ofwel de wetenschap. Vandaar dat de droom zelfverzekerd verder gaat, koelbloedig, als gezien door de ogen van iemand die slechts registreert.


-alsof een volle appel zich mijn hand aanbood,
-alsof een boom mij wenkte, een breedgetakte boom met sterke wil tot leuning en ook tot voetbank voor hem die moe is van het reizen.


Bovenstaande is een verwijzing naar het verhaal in Genesis 3, waar de mens voor het eerst van de vrucht (in de volkstaal altijd 'appel') eet van de boom die Kennis van Goed en Kwaad heet. De kennis is voor Zarathoestra nu volledig (een volle appel) geworden, vanwege zijn eindeloos reizen (=opdoen van kennis).



Het eerste wat Zarathoestra opmerkt is dat de wereld geschikt is voor de mens. Niet raadsel genoeg om slechts schrik aan te jagen, maar ook niet vanzelfsprekend genoeg dat ze de mens al gauw geen enkele prikkel meer zou kunnen geven en het leven de saaiheid zelve zou zijn. Hij is dankbaar op zo'n positieve gedachte te komen. Een gedachte overigens die hij vanaf het begin verkondigd heeft, en ook tot het laatst zal verkondigen. In Afgodenschemering laat Nietzsche weten dat de waarde van leven op zich niet is uit te drukken, maar dat waardeoordelen over het leven symptomen zijn van de gedachtenwereld van degene die ze uitspreekt. In de regel heeft men het leven 'slecht' of 'verdorven' genoemd, maar Nietzsche is de eerste die sinds mensenheugenis het omgekeerde durft te prediken: het algemene oordeel over het leven is dat het goed is, (overeenkomend met wat de bijbel God eerst laat uitspreken over de schepping). Vervolgens richt Zarathoestra zijn aandacht op het kwade. Hij zal nu zijn gedachten laten gaan over de drie grootste kwaden, want 'ieder die zegenen leerde, leerde ook vloeken' (zoals de bijbel, zelfs God zelf, ons al leert, meteen na die eerste uitspraak dat God de schepping zegende).


De drie meest vervloekte kwaden in de wereld zijn Wellust, Heerszucht en Zelfzucht. Tegenwoordig zou men zeggen Sex, Macht en Egosme. Zarathoestra vraagt zich nu af hoe hij die zaken moet beoordelen.


Over welke brug gaat het nu de toekomst tegemoet? Welk kwaad zal zelfs over het hoge nog de baas zijn? En welk kwaad zal ook het hoogste dwingen ng hoger te klimmen?




2

Wellust: de wellust is vervloekt door de religie, dwz door de haters van het aardse leven, de 'hiernamaalsgangers', want de wellust is de sterkste spotter met mensen die het aardse leven verachten en verfoeien. Met andere woorden, zij is een kracht die altijd aan het langste end trekt, die dus altijd sterker omlaag trekt, naar het aardse, dan de afkeer van het leven naar boven, naar het hemelse, kan trekken.
Maar wellust is ook de plaats waar alle gespuis samenschoolt. Het hangt er dus maar vanaf met welke andere kwaliteiten wellust zich aandient. Voor 'vrije harten' is wellust onschuldig, 'het aardse tuingeluk'. Wanneer iemand zijn wellust weet te beheersen is het zich overgeven aan de wellust als het drinken van een lang opgespaarde wijn, dwz van de allerhoogste kwaliteit.
Wellust staat ook in verbinding met de hoogste hoop voor de mens, want het staat aan de basis voor de voortplanting, -"want zonder die wellust zouden man en vrouw vreemden zijn voor elkaar."
Tenslotte concludeert Zarathoestra dat 'de tuin van het aardse geluk' schuttingen nodig heeft, opdat het geen zwijnenboel wordt. Men kan wel raden wat Zarathoestra van onze eigen tijd zou zeggen, maar ja, hij was tenslotte ook een Viktoriaan.

Heerszucht: de heerszucht is in de eerste plaats een gesel, het ligt aan de basis van wreedheid en foltering. Maar heerszucht is ook het verlangen van dwaze ijdelheid, dus een instrument van mensen die eigenlijk niet weten wat ze ermee willen doen. Vervolgens is het de kracht die al het afgesletene, wrakke en niet-deugende afbreekt, afstraft en in de vuilnisbak gooit, dus het instrument van leiderschap dat naar nieuwe waarden loodst.
De mens kruipt en bukt wanneer hij met extreme heerszucht wordt geconfronteerd. De heerszucht kan ervoor zorgen dat een mens zich verlaagt tot slang en zwijn. Maar een teveel aan heerszucht wekt bij de mens juist weer een verachting en zelfs (moedige of wanhopige) opstand op. Zelfs een gehele cultuur kan zijn eigen machtswellust op een gegeven moment beu worden en 'weg met mij' roepen.
Heerszucht verleidt ook de reinen en zelfs eenzamen. Een mens kan de heerszucht zelfs enkel en alleen in zijn eigen gedachten ervaren. Dan noemt men het het streven naar totale geestelijke onafhankelijkheid, 'autonomie', de staat waartoe Zarathoestra voortdurend toe heeft opgeroepen. En wanneer deze geestelijk opgeklommen mens nederdaalt om de rest omhoog te halen, wil Zarathoestra het geen heerszucht meer noemen, maar eenvoudig smachten naar beter. Hij heeft daar ook de benaming 'Schenkende Deugd' voor uitgevonden (I.22).

Met betrekking tot de Schenkende Deugd leerde Zarathoestra dat ook de zelfzucht gezond kan zijn, "opwellend uit een machtige ziel en verheven lichaam". Zelfzucht is gezond wanneer het 'heilige bossen' beschermt, dwz het verachtelijke en laffe uitbant en het hoogwaardige verdedigt. Verachtelijk is zuchten, steunen, klagen en alle aandacht aan het kleine gevend. Zelfzucht maakt ook korte metten met lusteloosheid, de apathie van 'alles is ijdelheid', het gedrag van een gedresseerde hond, en kruiperige vroomheid. Zelfzucht haat wie zich niet kan weren, wie alles slikt, wie alles duldt, kortom alle slavengedrag. Gezonde zelfzucht is het maximaal ontplooien van alle sluimerende capaciteiten die in het individu verborgen zijn. Voor Zarathoestra is zelfzucht welhaast een synoniem voor zelftucht.
Zalige zelfzucht heeft iemand die nooit knielt of kruipt voor mensen en zelfs niet voor goden.
Het is de omgekeerde leer van Jezus die de zelfverloochening predikte. In verband met de zelfzucht schenkt Zarathoestra nog speciale aandacht aan de priesters (geestelijken). De religieuze wereld heeft de eeuwen door de zelfzucht op werkelijk alle mogelijke manieren vies gemaakt. Zarathoestra keert het daarom nu volkomen om: onzelfzuchtig is juist een ondeugd, want het staat gelijk aan levensmoeheid. Hij voorspelt dat voor deze priesterwaarheid de dagen geteld zijn. De Grote Middag zal er een eind aan maken. Men kan de komst van de Grote Middag voor de mensheid daaraan herkennen, dat mensen het IK met grote letters gaan schrijven, het ik heel en heilig laten zijn, en de zelfzucht zelfs gaan zaligspreken. 'De Grote Middag' heeft dus als belangrijkste kenmerken vooral dat zij afgedaan heeft met alle vormen van bijgeloof, metafysica en religieuze waan.