Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.11    Van de Geest der Zwaarte

Dit hoofdstuk geeft een opsomming van allerlei leringen die we al eerder zijn tegengekomen. Op het eerste gezicht zou men het hoofdstuk overbodig kunnen noemen, tenzij men het handig vindt de gehele persoon van Zarathoestra in n hoofdstuk opgesomd te zien. Bij nadere beschouwing merken we op dat dit juist is wat Nietzsche hier beoogt: de persoon Zarathoestra (als symbool voor de mens van de toekomst) neerzetten als de Antichrist, de tegenhanger van de persoon die overal bekend staat als de man die uitsprak: "Ik ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt tot de Vader dan door mij." (Joh. 14:6). Dit hoofdstuk is Nietzsches commentaar op deze ene tekst.
Het antwoord op de weg komt op het laatst en is duidelijk genoeg:


'Dit nu is mijn weg, -waar is die van jullie?' - zo luidde mijn antwoord aan hen die me vroegen naar 'de weg'. Want de weg - die is er niet!


Zarathoestra laat in dit hoofdstuk meerdere malen weten hoe hij dingen zus of zo ziet, en zegt er dan achteraan: "doch dit nu - is mijn smaak." Hij wil dat iedereen zijn eigen weg gaat, dus tot mondigheid komt, en allerlei wegen beproeft voordat iemand zich uitspreekt een voorstander te zijn van een bepaalde weg. Hij gruwt van de manier waarop de godsdienst het eeuwenlang gedaan heeft: kleine kinderen 'de weg' inprenten, en ze er hun leven lang voor te behoeden ooit op een zijspoor te lopen of een alternatieve weg te kiezen. "Altijd I-a zeggen - dat leerde alleen de ezel, en wie diens geest heeft!...Wie zijn huis witkalkt, die verraadt mij een witgekalkte ziel."
Zarathoestra doet zijn best voortdurend te laten zien dat hij het tegendeel is van Jezus, de persoon die zich 'de goede herder' noemde: Jezus ontfermde zich over lammetjes, Zarathoestra zegt ze bovenal met genoegen te verslinden als mals lamsvlees. Niks 'ontfermen over verdwaalde schaapjes', maar mensen leren vliegen, dt is pas een grootse daad, dt is pas het overwinnen van 'de overste der aarde', de Geest der Zwaarte: "Wie de mensen eens zal leren vliegen, die heeft alle grenspalen opzij geschoven...de aarde zal hij nieuw dopen - als 'de lichte'. De 'Vogelaard' (en wel in het bijzonder de Adelaar) waartoe Zarathoestra zich gelijkt is de beste metafoor om het tegendeel van de Geest der Zwaarte te schilderen. Zarathoestra maakt een zijdelingse opmerking dat hij er een lied over zal gaan zingen. Dit doet hij in de laatste hoofdstukken van deel drie (III.15 en III.16).

Wat het leven betreft merkt Zarathoestra op dat het allemaal Geest der Zwaarte is wat tot nu toe gepredikt is. Hij is er "de doodsvijand, aartsvijand, oervijand" van:


Zwaar noemt de mens die niet vliegen kan aarde en leven; zo wil het de Geest der Zwaarte! Wie echter licht wil worden en een vogel, die moet zichzelf liefhebben: aldus leerde ik.


Wat de waarheid betreft heeft de religie de mens op alle mogelijke manieren bedrogen:
-Zij die het meest met het woord 'liefde' in de mond lopen, lopen over van stinkende eigenliefde. -Met het woord 'naastenliefde' loog en huichelde men het best, vooral degenen die alle anderen tot last waren.
-Met 'Laat de kinderkens tot mij komen' heeft men alle tijden niets anders bedoeld dan dat men het de mens van vroeg af aan moet beletten zichzelf lief te hebben.
-Men zei voortdurend 'Het leven valt zwaar te dragen!' terwijl in werkelijkheid de door mensen geschapen last van de Geest der Zwaarte slechts zwaar te dragen viel. De Geest der Zwaarte is voor een groot deel kunstmatig. Dt maakt het leven tot een dorre woestijn.
-Leugenachtigheid vindt men ook bij mensen die zich op onnatuurlijke manier willen bevrijden van de Geest der Zwaarte door uit te roepen dat "ieder ding goed is, en deze wereld de beste". Alles smakelijk vinden is over een bijzonder slechte smaak beschikken.
-De godsdienst is ondergedompeld in naief zwart-wit denken gekoppeld aan negativiteit: "Ongelukkig noem ik allen die slechts n keus hebben: of kwade dieren te worden, of kwade dierentemmers." De leugenachtigheid van 'de geestelijke mens' kan men opsommen in de bijtende woorden:


De een verliefd op mummies, de ander op spoken; en beiden gelijkelijk een vijand van alle vlees en bloed!


Waarheid wordt via beproeven, vallen en opstaan gevonden, en via vele wegen: "niet op n ladder klom ik tot de hoogte waar mijn oog dwalend in mijn verte tuurt." Antwoorden op levensvragen moet men niet horen en aannemen, maar uit ervaring leren.