Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.12    Van Oude en Nieuwe Tafelen

1

In Ecce Homo maakt Nietzsche een opmerking over 'het beslissende hoofdstuk Van Oude en Nieuwe Tafelen'. Het hoofdstuk is echter net als het vorige, een terugblik op en opsomming van leringen die eerder al de revue zijn gepasseeerd. Men moet bedenken dat de delen van Aldus sprak Zarathoestra oorspronkelijk afzonderlijk verschenen, en met tussenpozen, zodat een hernieuwde opsomming zo bezien zijn redenen heeft. Deel drie is bovendien de afronding van de trilogie en werkt naar een climax toe. Voordat Nietzsche in de laatste hoofdstukken van deel 3 eindigt met dit hoogtepunt, een extatisch loflied op het leven, geeft hij dus eerst nog een samenvatting van zijn leer. Zijn leer valt eigenaardig en paradoxaal van twee kanten te bekijken: dt hoofdstuk is als een herhaling van deel 1, waarin de autonome scheppende wil centraal staat. In het volgende hoofdstuk buigt de autonome individuele wil voor de kosmische wil die boven alles staat en waar niet aan te tornen valt, en waar Zarathoestra in deel 2 en 3 zo mee geworsteld heeft. De laatste paragraaf van dit hoofdstuk (30) maakt de verbinding.


Het 'beslissende' van dit hoofdstuk moet hierin worden gezocht dat Nietzsches leer de volkomen antithese is van het christelijk geloof, en dus een radikaal breukvlak in de geschiedenis representeert. Ook hiervanuit bezien is het begrijpelijk dat de leer weer eens opnieuw herhaald wordt, iets wat men bijvoorbeeld ook tegenkomt in de blijkbaar eindeloze reeks boeken die maar steeds volgen op "Conversations with God" die Neil Donald Walsch voortdurend schrijft: een nieuwe leer, een dramatische verandering in het eeuwenlange verstarde en verstokte, monotone denken, vereist vele malen herkouwing alvorens men het eindelijk kan verteren (hoewel men in dit laatste geval tegen wil en dank argwaan voelt opkomen dat de schrijver misschien in de eerste plaats commercile of ijdele oogmerken heeft).


De titel Van Oude en Nieuwe Tafelen verwijst naar de op stenen platen (tafelen) gebeitelde tien geboden waar Mozes de berg mee af kwam. De Oude Tafelen zijn het symbool voor de traditionele godsdienst, het aloude religieuze denken waar onze wereld millennia lang in ondergedompeld is geweest. Deze oude tafelen worden verbroken door Zarathoestra, die zijn leven gewijd heeft aan het scheppen van nieuwe waarden. Hier schrijft hij ze op nieuwe tafelen. De tien geboden van de oude mens worden hier 30 paragrafen voor de mens van de toekomst. Dt was voor Nietzsche de gehele invulling van zijn bestaan: bezig te zijn met het schrijven van de wetstafelen van de toekomstige mensheid. Hij schrijft hier dat hij beseft dat ze nog maar voor een deel af zijn:


Hier zit ik en wacht, om mij heen oude verbroken tafelen en ook nieuwe half-beschreven tafelen. Wanneer komt mijn stonde? -de stonde van mijn neergang, ondergang: want n keer nog wil ik tot de mensen gaan. daarop wacht ik nu: want eerst moet ik de tekenen ontvangen dat het mijn stonde is, -te weten de lachende leeuw met de duivenvlucht. Ondertussen spreek ik als iemand die de tijd heeft, tot mijzelf. Niemand vertelt mij nieuws: dus vertel ik het zelf aan mezelf.-


Let op hoe moeilijk het in deze woorden is te vatten waar Nietzsche op doelt met 'mijn stonde'. 'Hij moet nog eenmaal tot de mensen gaan, en daar wacht hij op' kan men gemakkelijk als een verwijzing naar het vierde deel zien, maar het vervolg van deze zin spreekt dit juist tegen: "want eerst moet ik de tekenen ontvangen dat het mijn stonde is, -te weten de lachende leeuw met de duivenvlucht". Dit teken krijgt hij nu juist op de laatste bladzijde van deel vier, dus wanneer het gehele boek Aldus sprak Zarathoestra ten einde is gekomen. Wat Nietzsche hier bedoelt is dus dat hij zijn gehele levenstaak volbracht heeft wanneer zijn boek, of wellicht beter boeken geheel zijn afgeschreven. Daarna zal hij 'neergaan', zijn 'ondergang' komen. Dit gebeurde inderdaad letterlijk vier jaar na het schrijven van Zarathoestra, na het schrijven van de laatste commentaren op dit boek om het voor iedereen zo duidelijk mogelijk te maken: de Antichrist en Ecce Homo. Iemand die begrijpt dat Zarathoestra en Antichrist synoniemen van elkaar zijn, en ook dat Ecce Homo een verwijzing is naar de uitspraak van Pilatus over Jezus, zo iemand begrijpt het meest wezenlijke van Nietzsches persoon en denken. Te spreken over 'wanneer mijn stonde komt' is, -net als het 'voltooien' van zijn werk dat we eerder tegen kwamen- ook duidelijk weer het bewust wijzen op de parallel met het leven en de missie van Jezus. In het Johannesevangelie kunnen we veelvuldig lezen over 'de ure':


-Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven. (5: 25)
-Niemand sloeg de hand aan hem, want zijn ure was nog niet gekomen (7:30)
-Niemand greep hem, want zijn ure was nog niet gekomen. (8:20)
-Maar Jezus antwoordde hun en zeide: De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen moet verheerlijkt worden. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort. (12:23, 24)
-En vr het Paasfeest, toen Jezus wist, dat zijn ure gekomen was om uit deze wereld over te gaan tot de Vader, heeft hij de zijnen, die hij in de wereld liefhad, liefgehad tot het einde. (13:1)


2

Waar het Nietzsche in zijn gehele leven om ging is een alternatief te vinden voor christelijk geloof "en andere vormen van nihilistisch denken". Zijn Zarathoestra is de concrete invulling hiervan. De kern ervan is dat het leven gezien dient te worden als iets positiefs, dansend geleefd dient te worden. 'Goed' en 'kwaad' behoren allebei tot het leven en dienen dus allebei geaccepteerd te worden. Niet op de manier dat men onverschillig wordt en alles om het even is, maar als een intens doorleefde strijd waarin de individuele mens voortdurend kiest voor zijn goed en kwaad. En van de subliemste inzichten van Nietzsche is de mens te karakteriseren als een brug tussen het dierlijke en het goddelijke. Het leven van de mens dient daarom van begin tot eind een tocht te zijn naar het hogere, naar steeds goddelijker, een verlangen naar een 'Grote Middag'. Opnieuw en opnieuw beklemtoont Nietzsche dat medelijden met de mens geen oplossing is, maar de mens zoals die is overwonnen moet worden en er iets groters, waardigers voor in de plaats moet komen. Vandaar dat ieders leven zijn vervulling vindt indien het als een ondergang gekenmerkt kan worden. Het is ten onder gaan, je leven geven, opdat het grotere eruit mag ontstaan. Het oude moet worden afgelegd en het verlangen de Bovenmens gestalte te geven moet voor de oude waan en oude eigenwaan in de plaats komen.


3

Nietzsche gebruikt het woord Bovenmens hier voor het eerst in deel 3, en wel bijzonder nonchalant, als slechts een mooi woord dat hij "langs de kant van de weg vond". Oa in de geschriften van Herder en Goethe komt men en kwam hij het woord tegen. Hij verbindt het Bovenmens zijn met het idee 'verlossing via de wil van de mens te scheppen', anders gezegd, door scheppend bezig te zijn, dwz de menselijke toekomst bewust te vormen en te ontwerpen, bewerkstelligt de mens de verlossing voor het menselijk ras. Nietzsche draagt zijn eigen steentje bij door Aldus sprak Zarathoestra te schrijven en aan de toekomst achter te laten. Zo wordt hij letterlijk een brug waarover de mens 'naar de overkant' zal gaan:


In hun midden wil ik ondergaan, al stervend wil ik hun mijn rijkste gave geven.
Dit heb ik geleerd van de zon, de overrijke zon, wanneer zij nederdaalt: goud stort zij in zee uit onuitputtelijke rijkdom,- zodat nog de armste visser roeit met gouden roeispaan! Want dat heb ik eens gezien, en ik werd mijn tranen niet zat terwijl ik toekeek. Gelijk de zon wil ook Zarathoestra ondergaan.


4

De Oude Tafel die Zarathoestra in de eerste plaats op het oog heeft en laat vallen is natuurlijk het Nieuwe Testament. In het Johannesevangelie geeft Jezus in zijn afscheidsrede 'een nieuw gebod':


Een nieuw gebod geef ik u, dat gij elkander liefhebt; gelijk ik u liefgehad heb, dat gij ook elkander liefhebt. Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander. (Joh. 13. 34, 35)


Deze paragraaf is Nietzsches commentaar hierop:


Zie, hier is een nieuwe tafel: maar waar zijn mijn broeders die ze met mij naar het dal en naar vlezen harten dragen?-
Aldus gebiedt mijn grote liefde tot de versten: ontzie je naaste niet! De mens is iets om overwonnen te worden. Er is velerlei weg en wijze van overwinnen: daar moet jij op toezien! Maar enkel de hansworst denkt: 'De mens kan ook worden oversprongen.'


Nietzsche brengt als eerste gebod niet de naastenliefde, maar de verstenliefde. (zie I.16). We vinden hier ook een verwijzing naar de hansworst uit 6 van de Voorrede, die met behendige religieuze denkacrobatiek de dappere koorddanser naar zijn dood liet vallen. Nietzsche zweert deze geestelijke behendigheid af. Zij is vals. De mens moet op de realiteit van het bestaan blijven lopen, en gestadig zijn weg naar de overkant blijven bewandelen. Niet luisteren naar opgemaakte en gefantaseerde verhaaltjes. Er is geen binnenweggetje of sluipweggetje, er zijn geen geestelijke capriolen en kunsten die de weg kunnen bekorten.
Nietzsche draait nog een andere bijbeltekst om, de Gulden Regel: Alles nu wat gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun ook aldus: want dit is de wet en de profeten. (Matth. 7:12) wordt in de leer van Zarathoestra: "Overwin jezelf nog in je naaste: een recht dat jij kunt roven, moet je jezelf niet laten geven. Wat jij doet kan niemand je terugdoen. Zie, er is geen vergelding". De laatste opmerking een commentaar op de uitspraken van Jezus die telkens goed-doen aan 'loon' verbinden (Matth. 5:12, 46; 6:1, 2, 5, 16; 10:42; 20:8).


5

Een edele ziel wil niets gratis krijgen, in het bijzonder niet gratis eeuwig leven, zoals dat in de evangelin wordt verkondigd. De leer van het evangelie is voor het grauw. Hij minacht ook het zoeken naar genot. 'Men moet genot hebben, maar er nooit naar zoeken' is een zeer diepzinnige uitspraak. Zarathoestra raadt mensen aan eerder de smart en schuld op te zoeken en dan aan het werk te gaan.


6

'De eerstelingen worden altijd geofferd' is een verwijzing naar Exodus 22: 29-30. Zarathoestra beseft dat zijn leer onverteerbaar is voor de contemporaine mens. Niet alleen de in godsdienst ondergedompelde mens heeft er een kluif aan, zelfs de mensen die oren hebben naar Zarathoestra's boodschap; want de eerstelingen zijn nog deels geworteld in het oude denken; "De oude afgodenpriester" woont in onszelf. Wij moeten ons er veelal met grote worstelingen aan onttrekken. Weer een reden waarom de volgeling van Zarathoestra ten onder gaat. Hij kan ten onder gaan aan de innerlijke strijd het oude af te zweren en het nieuwe te omarmen. Er zijn vele voorbeelden te vinden van mensen die na het afzweren van hun christelijk geloof gewond met een blijvend trauma bleven rondzwerven; het geloof werkt bij hen als een rode wapperende doek die stiernijdig maakt en een blijvende doorn in het vlees is.


7

Waarachtig zijn -dat kunnen slechts weinigen! En wie het kan, die wil het niet! Maar het minst van al kunnen het de goeden.


Nietzsche raakt hier het basisdilemma aan van religiositeit. Religiositeit gaat hand in hand met het blindzijn voor de realiteit, omdat het geboren is uit, en gevoed wordt door vijandigheid ertegen. Zelfs wanneer men bereid is de realiteit te bezien zoals die is blijft men veelal nog hangen aan de religie. Men heeft 'geloof in geloof', iets wat men tegenwoordig veel tegenkomt.


O, de goeden! - Goede mensen spreken nimmer de waarheid. Voor de geest is dusdanig goed zijn een ziekte. Ze geven toe, deze goeden, ze geven zich over, hun hart spreekt na, hun innerlijk gehoorzaamt, maar wie gehoorzaamt behoort zichzelf niet toe!


'De goeden' zijn de gelovigen. Men stuit met hen altoos op de waarheid die Nietzsche in de Antichrist uit de doeken doet:


De moraal is het beste middel om de mensheid bij de neus te nemen! De realiteit is dat hier de meest bewuste eigenwaan der uitverkorenen de rol speelt van bescheidenheid: men heeft zich zelf, de 'gemeente', de 'goeden en rechtvaardigen' eens en voor altijd een plaats gegeven aan de ene kant, die van de 'waarheid' - en de rest, de 'wereld', aan de andere... In deze meest fatale grootheidswaan eigent men zich de begrippen 'god', 'waarheid', 'licht', 'geest', 'liefde', 'wijsheid', en 'leven' toe, als synoniemen als het ware voor zichzelf.


In 26 komt Nietzsche er weer op terug, en legt hij uit dat gelovigen altijd Farizeers moeten zijn. Het is nu eenmaal de wet van het leven, de wet van de godsdienst. Christenen zijn daarom altijd de laatsten die de woorden van hun leermeester begrijpen. Waarheid ontstaat niet uit gehoorzaamheid aan een leer, maar uit 'het vermetele wagen, het lange wantrouwen, het wrede neen, de weerzin, het snijden in al wat leeft'. "Verbreekt toch, o inzichtigen, de oude tafelen!" is een welhaast wanhopige oproep om de oude godsdienst voorgoed op te geven.


8

Een kernwaarheid van het leven is dat alles altijd in beweging is en nooit stilstaat. Dus ook waarden en normen staan nooit stil. Absoluut goed en kwaad bestaan niet. En meer dan ooit is het deze moderne tijd die alle oude waarden en normen in de stroom ziet staan. De dooiwind raast als een stier, als een vernieler. Al het ijs wordt gebroken en komt in een stroomversnelling terecht.


9

Al het oude weten omtrent goed en kwaad was gebaseerd op waan. De waan werd dan weer gefundeerd op "Alles is noodlot", dan weer op "Alles is vrijheid", maar de mens heeft er nooit werk van gemaakt de toekomst van het menselijk ras bewust te plannen. Hij heeft eenvoudig maar wat aangemodderd. Hij geloofde in plaats van wist. Vandaar dat hij ook nooit echt weet van goed en kwaad gehad heeft.


10

Als illustratie van de waan waaraan de mens vanouds is overgeleverd gebruikt Zarathoestra twee goboden uit de tien geboden. Gij zult niet roven en Gij zult niet doodslaan. Men noemt deze geboden alle eeuwen door heilig, maar kijkt men op die eeuwen terug: "Waar ter wereld waren ooit betere rovers en doodslagers dan toen er zulke heilige woorden waren?" De realiteit is dus dat roven en doodslaan tot het leven behoren. Door het tegendeel heilig te verklaren werd de waarheid juist doodgeslagen. Alle godsdienstige leer (al wat heilig is) kan men kort en bondig omschrijven door het de definitie te geven: 'al wat het leven weerspreekt en ontraadt'. Aangezien het dus puur vals en onnatuurlijk is herhaalt Zarathoestra zijn oproep: "Verbreekt, verbreekt de oude tafelen!"


11

Om niet verstrikt te raken in het aloude debat over goed en kwaad is er een nieuwe adel nodig. Mensen die niet meer over het absolute goed en kwaad spreken, maar het woord 'edel' op nieuwe tafels leren schrijven, dwz mensen die zelf uitgroeien tot het niveau van goddelijke wetgevers, maar ophouden ze goddelijk te noemen, en hun gedachten aan God (het doorgronden van 'God')te verspillen. Iemand behoort tot adel indien hij zijn eigen weg gaat, en niet dat van de kudde.


12

Nieuwe adel is daar waar 'wil en voet verder wil dan jezelf'. Nieuwe adel dient geen enkele heer, ook geen heilige geest, en ook niet zichzelf. Zij dient enkel en alleen de toekomst. Niet "het land waar de slechtste van alle bomen groeide, het Kruis -aan dat land valt niets te loven", maar "het land van jullie kinderen." Deze liefde voor een betere toekomst is de inspiratie voor de nieuwe adel.


Aan jullie kinderen moeten jullie goedmaken dat je de kinderen van jullie vaderen zijt: zo zullen jullie alle verleden verlossen! Deze nieuwe tafel plaats ik boven jullie.


13

In de voorgaande paragrafen is het christelijk geloof onder vuur genomen. De paragrafen 13-18 richten kritiek op de andere nihilisten: de moderne mens die zegt: 'Leven waarvoor? Alles is ijdel! Leven dat is slechts hooi dorsen; leven- dat is zichzelf verbranden en toch niet warm worden.' Oftewel het pessimistische nihilistische denken waaraan velen in de 20ste eeuw gehoor gaven. Zarathoestra zegt dat ook schimmel adelt: het klinkt wijs wat ze zeggen, maar het is gif en ook kinderlijk. Nihilisten zijn lasteraars van het leven.


Wie steeds 'hooi dorst', hoe zou hij op het dorsen mogen lasteren! Zulk een zot zou men toch moeten muilbanden!


Een woordenspel op 1 Kor. 9:9 en 1 Tim. 5:18: "Gij zult een dorsende os niet muilbanden.", een metafoor waarmee Paulus wilde zeggen dat een dominee recht heeft op inkomen. Zarathoestra is van mening dat wanneer zogenaamde wijze mensen niets bijdragen aan het leven, maar het leven lasteren, hun muilen dan toch maar beter wel gemuilband kunnen zijn.


14

'Voor de reinen is alles rein' - zo spreekt het volk. Doch ik zeg jullie: voor de zwijnen wordt alles zwijn!


In Titus 1: 15 lezen we: "Voor wie rein zijn, is alles rein; maar voor wie bezoedeld en ongelovig zijn, is niets rein, want zowel hun verstand als hun geweten is bezoedeld." Zarathoestra laat weten dat de wereld op zo'n grove manier indelen in zwart en wit niets dan negativiteit oplevert. Alles wat niet-christelijk is wordt op deze manier bezoedeld, vies gemaakt.
Nihilisten worden hierdoor gekenmerkt: men concentreert zich op de keerzijde van het leven. Men komt vanuit een eenzijdige blik altijd uit op negatieve conclusies. Natuurlijk is er veel drek in de wereld -Zarathoestra beklemtoont dat er veel wijsheid in deze spreuk schuilt-, maar daarom is het leven nog geen drek! "Ook aan het beste is nog iets dat walging wekt; ook het beste is nog iets dat overwonnen moet worden!" Dat is het positieve devies van Zarathoestra.


15

Zarathoestra noemt een serie spreuken op die allemaal gevoed worden door het negatieve denken in de wereld: "Verbreekt toch deze oude tafelen! Verbreekt door spreken toch de spreuken der wereldlasteraars!"


16

Nog meer spreuken die blijk geven van een vermoeide kijk op het leven. Voor iemand die de geest van de leeuw heeft is tot inzicht komen een lust, maar voor wereldmoeden is inzicht een speelbal zijn op de golven. Men denkt wijs te zijn, maar geeft zijn eigen wil daarbij op, en verliest daarmee alle levenskracht. Zarathoestra zegt dat het een kenmerk is van de zwakke mens te zeggen: "Waartoe zijn we ooit wegen gegaan! Alles is eender! Niets loont de moeite!" Het is denken dat leidt tot slavernij. Zarathoestra's optreden heeft als doel juist als het tegendeel te werken, een frisse gierwind te zijn die mensen wakker schudt, uit gevangenissen bevrijdt en tot scheppen inspireert.


17

De wereldmoeden zijn nooit consequent in hun leer: ze snoepen altijd toch nog alles mee wat er op aarde te snoepen valt. Zarathoestra zegt dat het veel weg heeft van 'een verliefdheid op eigen aardse moeheid'. Hij zegt dat zulke lui met de roede geslagen zouden moeten worden om weer monter te worden (vgl. Jezus die ongehoorzame dienstknechten het slaan met de roede in het vooruitzicht stelde, Lukas 12:46, 47). Maar hij voegt er als slotwijsheid nog aan toe dat men "aan ongeneeslijken niet moet willen dokteren".


18

Er is vermoeidheid, maar ook doodeenvoudige luiheid, en dat laatste is iets geheel anders. Men spreekt wel dezelfde taal, maar moet op verschillende manier begrepen worden. De doodvermoeide heeft misschien een dappere strijd achter de rug; hij ligt nu in de brandende zon te versmachten en de honden likken aan zijn zweet. Zo iemand moet men met rust laten, hij zal vanzelf weer opkrabbelen wanneer de regen als vertrooster op hem valt, en zijn vermoeidheid herroepen. Maar men doet er wel goed aan de honden, het 'schooiende schorum' om hem heen, weg te jagen.


19

De luiaards, oftewel klaplopers, moeten anders aangepakt worden. Het zijn mensen die de edele mens weten uit te buiten. De hoogste zielen hebben altijd een zwerm klaplopers om zich heen. In de vorige paragraaf noemde Zarathoestra 'de vertrooster'. In het evangelie is dat de Parakleet. In deze paragraaf wordt het gecontrasteerd met de Parasiet.


20

"Wat valt, dat moet men ook nog een zetje geven!" is een beroemde uitspraak van Nietzsche. Het is geen wreedheid, maar wijsheid. Zijn wijsheid zegt hem dat wanneer je eenmaal inziet dat het spel verloren is, je het beter meteen kan opgeven dan een eindeloze langzame ondergang te moeten ervaren. Hetzelfde geldt voor een cultuur die vermoeid en afgeleefd is. "Hem die jullie het vliegen niet leren, leert hem toch -sneller te vallen."
De uitspraken doen enigszins denken aan de uitspraak van Jezus: wie niet voor mij is, is tegen mij.


21

Zarathoestra herhaalt de leer dat je vijand er altijd n moet zijn die het waard is bestreden te worden (zie I.10 en I.12). Aangezien de invloed van Jezus alle proporties te buiten gaat had Nietzsche voor zichzelf geen beter vijand kunnen uitkiezen.


22

De waarheid over de mens:


De mens is het beste roofdier. Alle dieren heeft de mens reeds hun deugden ontroofd: dit betekent dat de mens het van alle dieren het zwaarst heeft gehad. Alleen de vogels zijn nog boven hem. En zo de mens nog leerde vliegen, wee! naar welke hoogte zou zijn rooflust dan wel vliegen!


De laatste opmerking kreeg in de volgende eeuw zijn antwoord: het vliegen werd meteen de spil voor alle volgende oorlogen; de oorlog kreeg ongekende krachten van totale vernietiging.


23

Deze paragraaf herhaalt I.18.


24

Deze paragraaf herhaalt I.20. Zarathoestra geeft nog een aanvulling op zijn denken: om zoveel mogelijk slechte huwelijken te voorkomen zou men eerst een 'proefhuwelijk' moeten sluiten.


25

Zarathoestra voorziet dat in de nabije toekomst hele volkeren zullen instorten en geheel nieuwe volkeren zullen onstaan. Er zullen krachten losbreken die men slechts met de kracht van een aardbeving kan vergelijken.


26

De grootste obstakels op de weg naar de toekomst zullen de conservatieve gelovigen zijn. Zarathoestra verbaast zich erover dat de conservatieve gelovigen niet inzien dat zij juist het tegendeel zijn van hun leermeester. Jezus was een grote revolutionair. Hij bracht een nieuwe leer, en stelde alle orthodoxie aan de kaak als Farizesme. De 'goeden en rechtvaardigen' begrijpen het nooit:


De domheid der goeden is ondoorgrondelijk schrander. Maar dit is de waarheid: de goeden moeten farizeers zijn, -ze hebben geen keus! De goeden moeten hem kruisigen die zijn eigen deugd uitvindt! Dat is de waarheid!


Op dezelfde manier als deze eerste man een waarheid aan de dag legde over de goeden en vromen, zo is er nu een tweede man, Zarathoestra, die weer dezelfde waarheid over hen blootlegt:


De schepper haten zij het meest: hem die tafelen verbreekt en oude waarden, de breker, -hem noemen zij wettenbreker. De goeden immers -die kunnen niet scheppen. Ze kruisigen hem die nieuwe waarden op nieuwe tafelen schrijft, ze offeren ten dienste van zichzelf de toekomst op, -ze kruisigen de toekomst van alle mensen!
De goeden -die waren altijd al het begin van het einde.-


"Ze kruisigen de toekomst van alle mensen". Het huiveringwekkende van deze woorden zal iedereen aan het begin van de 21ste eeuw duidelijk zijn: deze eeuw en de gehele wereld staat op het punt opgeofferd te worden aan religieuze haat en nijd.


27

In de Voorrede (5) schilderde Zarathoestra 'de Laatste Mens' af als de meest verachtelijke vorm van menszijn. Ze worden hier een synoniem voor de orthodox gelovigen die op alle mogelijke manieren de toekomst in de weg staan.


28

Aangezien Zarathoestra in de vorige paragrafen een direkte aanval op gelovigen maakt en alle religiositeit (zie ook 12), ziet hij zijn lezers nu verbleken:


Jullie vluchten weg van mij? Jullie zijn geschrokken? Jullie sidderen voor dit woord?
O, mijn broeders, toen ik jullie beval de goeden en de tafelen der goeden te verbreken: eerst toen scheepte ik de mens in op zijn volle zee.
Eerst nu overvalt hem de schrik, het grote omzien, de grote ziekte, de grote walging, de grote zeeziekte.


Wanneer een gelovig mens eindelijk inziet dat er niet meer gesleuteld kan worden aan zijn religieuze zienswijzen, maar ze geheel en al opgegeven moeten worden, dan ervaart hij de crisis van zijn leven. Een zo grote crisis dat sommigen het nooit te boven komen. Zarathoestra probeert deze mensen een riem onder het hart te steken:


Schijnkusten en schijnzekerheden leerden de goeden jullie; in leugens der goeden waren jullie geboren en geborgen. Alles is door de goeden tot op de bodem krom gelogen en krom gebogen.


Er zit niets anders op dan kloeke zeevaarders te worden en naar het land van de toekomst te speuren. En wanneer de zee raast, dan moeten men leren zeebenen te krijgen om rechtop te blijven lopen.


29

Een eigenschap die de moderne mens onherroepelijk nodig heeft is harder te worden. Scheppen is synoniem voor hard zijn. "Heel hard is enkel het edelste."


30

De nieuwe tafelen eindigen met een gebed! Zoals te verwachten valt is het gebed niet meer aan God gericht, maar aan de wil van Zarathoestra zelf en aan de lotsbeschikking, zijn eigen noodwendigheid:


O mijn Wil! O wending aller nood, o mijn noodwendigheid! Bewaar me voor alle kleine zeges!
O schikker van mijn ziel, die ik lotsbeschikking noem! O In-mij! Boven-Mij! Bewaar mij en spaar mij voor n grote lotsbeschikking! En je laatste grootheid, o mijn Wil, spaar die voor je laatste daad, -dat je onverbiddelijk zult zijn in jouw zege. Ach, wie bezweek niet voor zijn eigen zege!
Moge ik eens bereid en rijp zijn in de Grote Middag: bereid en rijp als gloeiend erts, bliksem-zwangere wolk en zwellende melkuier, bereid tot mezelf en tot mijn verborgendste wil: een boog die hunkert naar zijn pijl, een pijl die hunkert naar zijn ster... Een ster, bereid en rijp in haar middag, gloeiend, doorboord, verzaligd van vernietigende zonnepijlen, zelf een zon en onverbiddelijke zonnewil, tot vernietigen bereid in het zegevieren!
O Wil, wending aller nood, o mijn noodwendigheid! Spaar mij voor n grote zege!


Hier spreekt Zarathoestra dus tegen zichzelf alsof hij tegen een macht buiten hemzelf spreekt. Ze vallen eenvoudig niet van elkaar te onderscheiden. Zarathoestra keert terug tot de gedachte aan de opgelegde kosmische wil. De ene zege die hij nog nodig heeft en waarvoor hij zich onmachtig voelt is te leven met de gedachte aan de opgelegde zonnewil. Het is alsof alles, inclusief zijn eigen wil slechts een onderdeel is, een klein radertje in dit onverbiddelijke klokwerk dat Natuur heet. Hij beseft dat hij nu voor ng een laatste krachtmeting staat, n waartegen hij zich niet voelt opgewassen, maar die hij ook niet meer kan uitstellen.