Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.13    De Genezende

Dit hoofdstuk is van beslissend belang voor het begrijpen van het gehele boek. Vanaf 'Het Nachtlied' (II.9) zijn we een Zarathoestra tegengekomen die gewikkeld is in een innerlijke worsteling van onmetelijke omvang. In dit hoofdstuk bereikt de worsteling zijn absolute hoogtepunt en komt de strijd ten einde doordat de autonome geest van Zarathoestra eindelijk definitief het onderspit delft. Zarathoestra is zo finaal verslagen dat hij zeven dagen lang niet kan eten of drinken. De vijand die hem de baas is geworden is als een mythologisch monster uit de oertijd, symbolisch uitgedrukt als een combinatie van mens en dier. We horen dat de Dwerg en de Slang uit hoofdstuk III.2 identiek zijn, verwisselbaar voor 'de Geest der Zwaarte'; en deze Geest der Zwaarte staat gelijk aan wat aan de basis voor het Leven staat. Deze basis kan men het meest prangend beschrijven met behulp van de poëtische metafoor van de eeuwige wederkeer. Vanuit het kleinmenselijk perspectief lijkt er steeds overal veel verandering te zijn, maar vanuit de eeuwigheid, of bezien alsof men erboven en erbuiten staat, is er geen verandering, maar bestaat alles eeuwig zoals het is. Voor ons is er slechts 'worden', een alles altoos in beweging zijn; vanuit een hoger perspectief is er slechts 'zijn', 'rust'. Vanuit dit hogere perspectief kan alles gezien worden als een eeuwige ring van wederkeer van hetzelfde. Spinoza noemde het 'worden', -oftewel het tijd-ruimtelijke perspectief- 'de Natuur', en het 'zijn -oftewel het perspectief van de eeuwigheid of het erboven staan-,'God'. In wezen zijn ze gelijk aan elkaar, slechts twee perspectieven, twee manieren van denken over hetzelfde. Twee manieren van het begrijpen van het universum, het bestaan.

De Dwerg is 'de kleine mens' die eeuwig wederkeert. Deze kleine mens is niet een bepaald type mens, ter onderscheiding van 'de grote mens', maar de mens in het algemeen, dus alle mensen zonder onderscheid, zoals men ook over 'de kleine mier' zou kunnen spreken. Van boven af bezien bestaat er geen grote mens, maar is de mens eeuwig en onverbiddelijk de Dwerg, een onderdeel van deze 'ijzeren ring van eeuwige wederkeer'. Deze gedachte is voor Zarathoestra het zwaarst te dragen en doet hem telkens uitroepen: 'Walging! Walging! Walging!' Ook hijzelf behoort tot de kleine mens en kan zich er niet aan ontrukken. De gedachte eraan doet hem bijna stikken. Het is niet de eeuwige wederkeer op zich die weerzinwekkend is, maar juist het onverbiddelijk gevangen zijn in deze eeuwige kleinheid. Er bestaat dus geen opklimmen, geen uiteindelijk ontsnappen eraan. Er bestaat tot in eeuwigheid geen 'Bovenmens'. Dit is het inzicht dat hem finaal teneerslaat. Zarathoestra worstelde er lange tijd mee, te beginnen met hoofdstuk II.19 (De Waarzegger) en II.20 (Van de Verlossing), waarin hij zijn gedachten over determinisme uitlegt en die tezelfdertijd voor het eerst zelf onder ogen moet zien. Vanaf dat hoofdstuk zien we Zarathoestra steeds heen en weer geslingerd worden. Zijn inzicht in het determinisme groeit gestaag. Via het Visioen en Raadsel van III.2, en de grootse ervaring van III.4 leert hij hoe van de grootste vijand de grootste gelukzaligheid gemaakt kan worden. Maar tegelijkertijd blijft hij vasthouden aan zijn oude inzicht, het oproepen tot de aktief nieuw-scheppende Bovenmens. Dat laatste werd in het lange vorige hoofdstuk Van Oude en Nieuwe Tafelen afgerond en in zijn volledige laatste vorm gegoten. Dat vorige hoofdstuk laat de mens, geworden tot fiere Leeuwengeest, op zijn hoogtepunt zien, een glansrijke verschijning. Maar nu, slechts één hoofdstuk verder, wordt deze fiere leeuwengeest een beslissende slag toegebracht, waarna ze zich niet meer kan vertonen, maar de metamorfose tot kind plaatsvindt.

Deze metamorfose betekent niet een streep zetten door het begrip Bovenmens, maar er een andere inhoud aan geven, misschien beter gezegd: er een overtreffende traptrede aan toevoegen. De aktieve Bovenmens waarmee we vanaf het begin van het boek vertrouwd zijn zou men de 'Prometheüs Bovenmens' kunnen noemen, naar Prometheüs die de mensheid hogerop wilde brengen en hen het vuur schonk. Prometeüs zou men ook het symbool voor aktieve bevrijding, verlossing kunnen noemen. De passieve Bovenmens van het tweede deel zou men de 'Spinoza Bovenmens' kunnen noemen, naar de diepe inzichten van Bento Spinoza over het gedetermineerd deel uitmaken van de mens in het ontzaglijke harmonieuze geheel en zich uit geheel vrije wil daarin schikken. Men zou de twee aspecten van de Bovenmens wellicht uitstekend geïllustreerd kunnen zien in het koppel 'Beethoven' en 'Goethe': de eerste de vleesgeworden Prometheüs-geest, en de tweede de levende praktijk van de Spinoza-geest. Nietzsche wil ze tot één smelten, (hetgeen op het eerste gezicht een onmogelijke onderneming lijkt, zoals we uit de anecdote over hun reacties bij het geconfronteerd worden met de voorbijgaande keizerlijke koets tijdens hun gezamelijke wandeling, duidelijk maakt): de aktieve Bovenmens denkt zijn wil op te kunnen leggen aan de schepping, de passieve Bovenmens doorziet het als een illusie en accepteert boven hem staande kosmische noodzakelijkheid; de aktieve Bovenmens laat uitzonderlijke moed zien, het trotseren van de grootste onmogelijkheden en overwinnen van alle tegenwerkingen, de passieve Bovenmens beschikt over wijsheid zijn grenzen te accepteren en zijn autonome wil als deel uitmakend van de kosmische wil te zien. Beide vormen van de Bovenmens ziet Nietzsche als wezenlijke onderdelen die in één en dezelfde mens verenigd dienen te worden. Vrijheid is zich vrijvechten uit dwang, is volledig tot soeverein individu worden, maar de hoogste vrijheid wordt gevonden via de vereenzelviging van de menselijke individuele wil met de kosmische wil, dus de eigen wil als het verlengde, de uiting, de manifestatie (Spinoza: extensio) te zien van een erbovenstaande kosmische wil. De Prometheüs Bovenmens is bereid tot verzet tegen wat zijn wil tegenwerkt. Maar de Spinoza Bovenmens is als het Kind van Onschuld, dat geen eigen wil heeft. In dit hoofdstuk vindt de transformatie plaats. Het is een transformatie waar Zarathoestra zichzelf moet overwinnen om tot een nog hogere vorm van de Bovenmens te komen. Het staat gelijk aan de metamorfose van Leeuw tot Kind uit I.1. Maar de transformatie is niet het veranderen van de mens in een andere entiteit, maar slechts twee vormen van zichzelf begrijpen, waarvan de laatste vorm moeilijker te bereiken is dan de eerste vorm, en daarom later komt. De autonome, individuele wil beperkt zich tot ons zelf en is dus beperkt en gemakkelijker te bereiken; de kosmische wil staat gelijk aan de gehele natuur, het gehele universum, en is in zijn allesomvattende grootsheid moeilijker te herkennen. Inzicht in de Spinoza Bovenmens is voor Zarathoestra het moment van de verlossing, het genezen worden. Maar dit genezingsproces is langdurig en geleidelijk.


Men zou de problematiek waar Nietzsche in zijn Zarathoestra-cyclus mee te maken heeft ook kunnen bezien vanuit een religieuze gezichtshoek: Nietzsche heeft de dood van God geconstateerd. Dit is het vertrekpunt voor het gehele boek, oftewel van al zijn gedachten. Hij heeft zich vervolgens afgevraagd wat de dood van God voor de mens te betekenen heeft en komt tot een eenduidig antwoord: de mens zelf is dus de belichaming van de God van vroeger. Bij het ontleden van dit begrip 'God' destilleert Nietzsche er twee hoofdaspekten uit:
1)Het aspect van de aktieve Prometheüs Bovenmens: God is voor de mens het symbool, de representatie of de belichaming van de allerhoogste idealen die de mens zelf nastreeft, of waartoe hij zichzelf altijd aanspoort om na te streven.
2)Het aspect van de passieve Spinoza Bovenmens: God is het symbool, de representatie van een overal bovenstaande en allesomvattende niet te definiëren grootheid waarin een mens slechts 'opgaat', waarin hij 'rust', een grootheid die de mens slechts 'ervaart'. Een mens maakt deel uit van een groot geheel. Het grote geheel werkt als het ware van buitenaf op hem in, of wordt van buitenaf opgelegd, maar dit is een illusie, want in werkelijkheid is de mens letterlijk één met dit grote geheel, een onderdeel ervan. Op dezelfde manier als een mens kan zeggen dat hij een geest 'heeft', net alsof 'wij' gescheiden zijn van ons lichaam. Vanuit één perspectief zijn er chemische en electrische reacties, vanuit een hoger perspectief bloedvaten, longen, haren, benen, vanuit weer een ander perspectief beweging, gedachten, gevoelens, herinneringen, bekwaamheden, maar vanuit het hoogste perspectief is er slechts één wezen, namelijk een bepaald mens.


Dat we hier met de eeuwige grote paradox te maken hebben waar tallozer denkers uit alle eeuwen al mee gezeten hebben is duidelijk. Vrije, autonome wil en onderworpen zijn aan de hogere wil, gevangen zijn in een eeuwige ring van wederkeer van het gelijke kan moeilijk allebei waar zijn. De oplossing voor deze paradox ligt gelegen in het perspectief van waaruit de mens het bestaan kan overdenken. Vanuit de praktijk van het dagelijks leven hebben we telkens te maken met de vrije mens die voor keuzes staat. Maar vanuit het abstracte, theoretische, hogere niveau, een niveau vanwaaruit een mens als een alleswetende en allesomvattende god verstandelijk de zaken denkbeeldig kan waarnemen, moet een mens de kosmische wil die boven alles staat erkennen.
Beide perspectieven zijn voor een mens noodzakelijk om in te zien. De Prometheüs Bovenmens om de mensheid te inspireren tot hogere mensheid, als medicijn tegen de verlammende gedachte aan nihilisme en neergang, om de mens altoos te activeren; de Spinoza Bovenmens om de mens de onschuld van het bestaan te laten zien, zodat hij verlost kan worden uit de gevangenis van doel, schuld, goed en kwaad, en rust kan ervaren. Nietzsches 'oplossing' voor het bestaan is subliem.


1

Op een ochtend, niet lang na zijn terugkeer naar de grot, sprong Zarathoestra als een dolleman op zijn legerstee, schreeuwde met angstaanjagende stem en gedroeg zich alsof iemand anders op zijn leger lag, die niet wilde opstaan.


Zarathoestra gaat de confrontatie aan met zijn 'afgrondelijkste gedachte', dwz zijn meest weerzinwekkende gedachte. Hij noemt zich 'de goddeloze', 'voorspraak van het leven, voorspraak van het lijden, voorspraak van de kringloop'. Hij wil zijn laatste diepte, de 'voorspraak van het lijden' en 'de voorspraak van de kringloop', waar hij in het vorige hoofdstuk niet over repte, naar het licht toekeren. Iemand die aan het gehele leven recht wil doen, die de realiteit van het leven onder ogen wil zien, heeft geen andere keus. Maar hij wordt overweldigd door de weerzin die de gedachte aan de eeuwige kringloop oproept: "Walging, walging, walging - - - wee mij!" Zijn afgrondelijkste gedachte druist zó tegen zijn gevoelens in dat het aanvoelt alsof het de gedachte is van iemand anders. Maar aangezien de gedachte niet wil weggaan, maar recalcitrant bij hem blijft, kan hij er niet meer omheen: het is zijn eigen gedachte, het hoort bij hem. Zarathoestra is er al een lange tijd voor teruggeschrokken deze confrontatie aan te gaan. Hij heeft het altijd willen onderdrukken, wegmoffelen, uitstellen. In III.3 ,Van de Zaligheid tegen Wil en Dank, schreef hij deze woorden:


Ach, afgrondelijke gedachte, jij die mijn gedachte bent! Wanneer vind ik de kracht dat ik jou hoor graven en niet meer sidder?
Mij klopt het hart in mijn keel als ik jou hoor graven! Jouw zwijgen wil me nog worgen, o afgrondelijke zwijger!
Nog nimmer heb ik jou te voorschijn durven roepen: genoeg was het reeds dat ik jou meedroeg! Nog was ik niet sterk genoeg voor laatste leeuwenovermoed en -moedwil.
Vreselijk genoeg achtte ik altijd jouw zwaarte: eens echter zal ik nog de kracht vinden en de leeuwenstem die jou te voorschijn roept!
Pas wanneer ik me daartoe heb vermand, zal ik me ook nog vermannen tot wat groter is; en een zege zal de bezegeling zijn van mijn voleinding!


Zijn moment van vermanning komt juist nu, omdat in het hoofdstuk Van oude en nieuwe tafelen zijn leeuwengeest tot het zenit uitgegroeid is.
Het is interessant dit te vergelijken met de strijd van Jezus. De missie van Jezus werd voltooid via het ondergaan en aanvaarden van fysiek lijden. Zijn boodschap was een oproep tot ander mens te worden, een mens die 'opnieuw geboren' is, dwz volkomen tegengesteld denkt en handelt dan zijn oorspronkelijke natuur ingaf. Waar een mens van nature strijdt om te overleven, om staande te blijven, zien we Jezus het tegenovergestelde prediken: wie zijn leven wil behouden zal het verliezen, maar wie het opgeeft zal het juist ontvangen. Maar dit hield automatisch in dat hijzelf de consequenties ervan moest ondergaan om het geloofwaardig te maken. Hij móest zich dus in het hol van de leeuw begeven (de orthodoxie van Jeruzalem) om de confrontatie aan te gaan, te laten zien bij machte te zijn zijn leven af te kunnen leggen omwille van een zoveel betere metafysische werkelijkheid. Hoe dichterbij de laatste consequentie van zijn prediking komt, des te moeilijker het voor hem wordt zijn eigen prediking tot het eind door te voeren. Hij bidt vurig dat het niet hoeft, maar gaat tóch verder op de ingeslagen weg. En wanneer het beslissende moment komt, worden zijn metafysische idealen ontmaskerd als hersenspinsels: hij roept vertwijfeld uit: 'Mijn God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?' In één evangelie zijn dit zelfs zijn laatste woorden; in zijn laatste levensmomenten moest hij de illusie van zijn prediking ervaren. Maar we weten dat er toch verlossing op volgde: in andere evangelies weet hij uiteindelijk nog 'Het is volbracht' erachteraan te prevelen en komt de verlossing in de mythe van de opstanding. Dus het geestelijk opgewassen zijn tegen de allerzwaarste gedachte die het leven oproept, brengt de zege. Dit is de kerngedachte voor Nietzsche, en de uiteindelijke rede waarom hij zo nodig in eeuwige wederkeer wil geloven: hij kan zich niets verschrikkelijkers voorstellen dan dit concept, dus gaat hij daarmee de strijd van het accepteren aan. Nietzsche raadt altijd aan je vijand nauwkeurig te kiezen; hij bedoelde ermee dat hoe groter je vijand is, des te groter de zege zal zijn. Voor hemzelf was het een vanzelfsprekende zaak dat alleen de allergrootste vijand groot genoeg zou zijn om hem een zege te schenken die enige waarde zou hebben. De mens die alle waarden vanwege argwaan is kwijtgeraakt heeft tenslotte geen andere keus. Nietzsches prediking is net als dat van Jezus geheel extreem en onnatuurlijk: men moet het huidige menszijn afleggen en uitgroeien tot een Bovenmens. Wat dat begrip ook zijn moge, het is in ieder geval geen mens meer. Voor Zarathoestra is er geen 'Vader', geen opstanding in een nieuw 'verheerlijkt' lichaam, geen eeuwig leven in zaligheid, maar een ideaal dat dus geen raakpunten heeft met de realiteit. Zijn afgrondelijkste gedachte is dan ook het exacte tegendeel van het leven met de Bovenmens-gedachte, namelijk de eeuwige wederkeer van hetzelfde, het nooit verlost worden van het al te menselijke bestaan waar altijd de Geest der Zwaarte op drukt. Deze gedachte druist finaal in tegen zijn diepste wil, en dát is dus zijn oervijand. De enige mogelijkheid om de zege te behalen is door deze gedachte geheel verpletterd te worden, zodat men de consequenties van deze afgrondelijke gedachte wel móet accepteren. Maar daaruit wordt dan tóch verlossing geboren, namelijk het ophouden van de eindeloze strijd om die Bovenmens gestalte te geven. De zege die behaald wordt bestaat uit een volledige bevestiging van het bestaan in al zijn aspecten.


2

Wanneer Zarathoestra zijn afgrondelijkste gedachte bij de hand pakt stort hij ter aarde en blijft hij lang voor dood liggen. Wanneer hij uiteindelijk weer tot bewustzijn komt ziet hij er bleek uit en beeft hij. Hij is zeven dagen lang niet in staat te eten of te drinken. Wanneer hij eindelijk weer bij zinnen komt zijn de eerste gedachten dat alle spreken van de mens slechts een spel met woorden is. De mens schept er zijn illusies mee, moffelt nare zaken weg en omzeilt waarheid. Zijn dieren proberen hem op te monteren zoals de mens altijd iedereen die in de put zit met taalgegoochel opmontert:


Treed buiten je grot: de wereld wacht op je als een tuin. De wind speelt met lome welriekende geuren, die naar jou verlangen; alle beekjes zouden je gaarne achternahollen. Alles hunkert naar jou. Alles wil jouw arts zijn!


Het helpt meteen. Zarathoestra vraagt ze door te gaan met deze zoete woorden.


Hoe lieflijk is toch het bestaan van woorden en klanken: zijn woorden en klanken niet regenbogen en schijnbruggen tussen wat eeuwig gescheiden is? Elke ziel kent haar eigen wereld; voor elke ziel is elke andere ziel een hiernamaals. Juist tussen wat het meest gelijkt op elkander, liegt de schijn het schoonst; want de kleinste kloof valt het zwaarste te overbruggen. Voor mij -hoe zou er voor mij een buiten-mij bestaan? Er is geen buiten! Maar dat vergeten we onder alle klanken; hoe lieflijk is het toch dat wij vergeten!


Al eerder merkte Zarathoestra op dat hij niet zou kunnen leven indien hij geen dichter was. Een mens móet het bestaan versieren met woorden, zodat hij tegen de realiteit bestand is. Woorden kunnen alle zaken, alle realiteiten omkeren tot het omgekeerde, of doen verdwijnen alsof ze nooit bestonden, of een andere kleur geven, juist die kleur die we willen zien. "Met klanken danst onze liefde op bonte regenbogen." Zarathoestra's dieren horen slechts het woord 'dansen' en bekijken de zaak met de grootste luchthartigheid: alle dingen dansen, dingen komen en gaan, reiken elkaar de hand en zeggen goodbye. Alles sterft en bloeit weer op, alles breekt en wordt weer opnieuw gevoegd, eeuwig bouwt zich hetzelfde huis van het zijn. So, what's the problem? Dit is nu juist het verschil tussen het perspectief van het dier en het perspectief van de mens. De mens is de enige die het overdenkt, en kan er niet of maar moeilijk mee leven. Zarathoestra wordt door de dierlijke naïviteit opgefleurd. Hij antwoordt dat hij door zijn afgrondelijkste gedachte gewurgd werd, maar het de kop afbeet. Hij ligt hier nu wel vermoeid van de strijd, maar de strijd is gestreden en hij is slechts 'ziek van zijn eigen verlossing'. Hoe de verlossing tot stand kwam is vooralsnog een raadsel, hoewel de gedachte opkomt dat Zarathoestra eindelijk iets heeft geleerd van de dieren, dwz zijn dierlijke menszijn. Deze gedachte wordt versterkt doordat we Zarathoestra meteen daarna over de mens horen spreken als het wreedste dier. De mens zegt wel lijden te verafschuwen, maar in wezen is hij er verzot op: "Bij treurspelen, stierengevechten en kruisigingen voelde hij zich tot nu toe het prettigst op aarde; en toen hij de hel uitvond, zie, toen was dit zijn hemel op aarde." Het denkenvermogen van de mens concentreert zich vreemd genoeg juist vaak op het innerlijke pijnigen van zichzelf. Hij legt uit dat het niet het lijden op zich is wat hem zo'n grote weerzin berokkende, want op het zien en ervaren van pijn, moeite, lijden en strijden gedijt de mens zelfs. Het was walging aangaande de kleinheid van de mens, dus het onmogelijk ooit tot een uiteindelijke zege kunnen brengen. Walging bij de gedachte dat de mens immer zo klein is en dat er nooit verandering in komt. Het is niet slechts walging over een bepaald slag mensen, zoals de vliegen van de markt, of de hiernamaalsgangers, of de bleken, de zwarten, de gelen, de groenen, de zwakken, de kleinheid betreft ieder mens en voor altoos. "Naakt heb ik beiden gezien, de grootste en de kleinste mens: al te zeer gelijkend op elkander, -al te menselijk, ook de grootste nog." Zarathoestra voelt weerzin tegen de mens vanwege zijn kleinheid. Het imposante gebouw dat hij had opgetrokken in het vorige hoofdstuk, het is eenvoudig illusie en tevergeefs. 'Alles is eender, niets loont de moeite, weten worgt'. De eerste twee zaken werden uitgesproken door de Waarzegger in II.19, maar het 'weten worgt' is een gedachte die Zarathoestra hier pas voor het eerst uitspreekt. Zarathoestra weet nu dat ieder mens een weerzinwekkende dwerg is. De Slang, de Dwerg, de Schaduw, de Geest der Zwaarte, het is allemaal wezenlijk en eeuwig onderdeel van het Leven. Walging aangaande de mens is in feite walging bij het zien van zichzelf. Juist de gedachte dat niemand is uitgezonderd maakt de gedachte zo ondraaglijk. Maar hoe is het dan mogelijk dat Zarathoestra verlossing ervaart? Zarathoestra's aartvijand is de Geest der Zwaarte, maar die waart in zijn eigen persoon rond! Het antwoord is dat hij het eindelijk inziet. Zijn missie de wereld te verbeteren heeft als resultaat een dieper inzicht in zichzelf. De dwerg en geest der zwaarte is een onderdeel van hemzelf. Door deze identiteit te herkennen en te aanvaarden kan hij de vervreemding van zichzelf tegen gaan en verlossing ervaren. Het 'de slang de kop afbijten' staat gelijk aan tot dit inzicht te komen en de walging over zichzelf te overwinnen, het leven volledig te accepteren zoals het is. Met andere woorden het 'de slang de kop afbijten' staat gelijk aan het opgeven van de autonome wil, het inzien van de illusie ervan. Maar indien het een illusie is, dan is alle scheppen, alle streven naar de Bovenmens een illusie. Maar hoewel de mens deze dingen verliest bij het opdoen van de hoogste kennis, krijgt hij er verlossing voor terug, de verlossing van de walging het menszijn aan te zien en de eeuwige frustratie van het streven naar de Bovenmens. De individuele wil legt de mens een juk op dat nauwelijks te dragen is en het belet het gelukkig zijn met het bestaan waarin men zich bevindt. Het accepteren van de eeuwige wetmatigheden die boven alles staan doet alle vijandschap ophouden en schenkt geluk en vrede.
Het resultaat van deze inzichten en kennis is een wijs mens. Nietzsche accepteert de filosofie die Spinoza tot in de puntjes neerlegde in zijn Ethica: De vrije wil van de mens is op de keper beschouwt een illusie, er bestaat slechts determinisme. Ware vrijheid ligt in het accepteren van kosmische noodzakelijkheid. Vrije wil is het opgaan van de individuele wil in de kosmische noodzakelijkheid. Het nieuwe inzicht van het gedetermineerd zijn van alles noemt Zarathoestra het ondergaan, het in stukken vallen (zerbrechen). In het laatste hoofdstuk van deel 2, de Stilste Stonde, zei een stemloze stem tegen Zarathoestra: "Spreek je woord en breek (zerbrich)!" Het woord dat Zarathoestra moest spreken werd slechts aangeduid als 'het': "Jij weet het, Zarathoestra, maar je spreekt het niet uit." "Ja, ik weet het maar ik wil het niet uitspreken...Het gaat mijn krachten te boven." Het onuitgesproken 'het' (wat de bultenaar ook al hoorde) was de botsing tussen de twee willen. De Kosmische Wil slaat de Autonome Wil in stukken. De Eeuwige Wederkeer van het gelijke maakt een eind aan de prediking van de Bovenmens. Het kernbegrip 'ondergaan' van Zarathoestra moet men niet letterlijk zien als fysiek sterven (want dit gebeurt helemaal niet in het boek), maar zien als de Nietzsche-parallel met de Kenosis (ledigmaking) van Christus: "Hij die de gestalte had van God hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf." (Fil. 2:6,7). Zarathoestra doet dit door zijn autonome, individuele wil op te geven. Dit heeft tot gevolg dat de weg vrij wordt gemaakt voor de metamorfose van Leeuwengeest tot Kind. Deze voltooiing wordt in de bijbel onder woorden gebracht in de zogenaamde Christus-hymne van Kolossenzen 1. Daarin wordt Christus bezongen als de goddelijke bewerker van zowel schepping als van verzoening: "In hem heeft heel de volheid willen wonen, en door hem en voor hem alles met zich willen verzoenen, alles op aarde en alles in de hemel." (Kol. 1: 19,20)

Nu het dan eindelijk gebeurt is Zarathoestra's reactie hierop dan ook niet dat hij zijn autonome wil opeens tegenspreekt. Hij geeft niet toe dat hij het dus eerder de gehele tijd fout gezien heeft. Hij laat zich nooit vernederen, en spreekt dus niet uit het nu beter te weten. Hier is de vervulling van zijn wens uitgesproken in de laatste woorden van de Voorrede "dat mijn trots altijd mijn wijsheid zal vergezellen, en als mijn wijsheid het aflaat, laat mijn trots dan met mijn dwaasheid vliegen". Vanwege deze trots houdt hij zijn nieuwe kennis eenvoudig voor zich en gedraagt zich ahw als een zwijgende sfinx. Hij hoeft het niet toe te geven, omdat zowel het één als het ander waar is. Het streven naar de Bovenmens is een onderdeel van de Kosmische Wil. Nietzsche heeft dit overigens nooit zo scherp kunnen zien als de moderne mens van tegenwoordig in staat is. Hij verdiepte zich maar half of nooit in Darwin, en dacht dat aan Darwins evolutie slechts 'stom toeval' ten grondslag ligt. Aan evolutie ligt echter het principe van voortdurende sturing van toeval ten grondslag, namelijk natuurlijke selectie, en dit is geheel in overeenkomst met het idee van uitgroeien tot Bovenmens. Evolutie is scheppen, evolutie is de uiting van natuurwetmatigheden, die bij de mens uitgroeit tot persoonlijke wil, maar ook deze persoonlijke wil is een onderdeel van erboven staande wetmatigheden. Ook menselijke idealen zijn een noodzakelijke expressie van 'moeder natuur', de mens is ertoe gedetermineerd. 'Eeuwige wederkeer van het gelijke' kan men begrijpen wanneer men beseft dat de gehele natuur één groot organisme is. Nietzsche noemt de innerlijke processen die zich in de mens afspelen 'hoe men wordt wat men is' en schrijft erover in Ecce Homo, hoofdstuk 2, §9. Al onze geestelijke veranderingen, ontwikkelingen, ons geestelijk gezond of ziek-worden, zijn wetmatigheden, een keten van oorzaak en gevolg, een noodzakelijk ontrollen van processen. De drie kernbegrippen zoals eeuwigheid, noodzakelijkheid en soevereiniteit die vanouds (bijvoorbeeld in het Griekse denken) in de Natuur zijn opgemerkt, heeft het christendom boven en buiten de Natuur geplaatst en aan God toegeschreven. Via de moderne wetenschap (en in de filosofie via Spinoza) komen deze kernbegrippen weer terug in de Natuur. De Natuur is God. De levende natuur is een onderdeel van dit organisme, het ontstaat niet uit puur toeval, maar volgt wetmatigheden, ontstaat uit noodzakelijkheid.

Zarathoestra kan nu zijn kijk op het leven al naar gelang de situatie vereist van twee tegengestelde perspectieven bekijken, het kleine en het grote, het afzonderlijke en het allesomvattende, het dierlijke hier en nu, en het goddelijke, eeuwige, perspectief. Men zou ook kunnen zeggen dat hij de wereld in kan kijken door verschillende maskers, die hij naar believen op en af kan zetten. Ze zijn allebei waar, hoewel ze volkomen tegengesteld lijken aan elkaar. Het goddelijke perspectief is wreed tegen het dierlijke aspect van de mens, maar het dierlijke aspect móet telkens geconfronteerd worden met het goddelijke perspectief. In Zarathoestra raast dezelfde wreedheid tegen zichzelf als hij in zijn prediking bij anderen aantrof en aan de kaak stelde. Men zou zelfs kunnen stellen dat dit de kern van het menszijn is en in het religieuze haar volledige belichaming vindt: wreedheid van de goddelijke aspecten in de mens (zijn menselijk vermogen tot begrip en daaruit voortvloeiende nastreven van de hoogste idealen) tegen zijn eigen dierlijke aspecten. Maar dit proces gaat altijd samen met een ander proces, hetgeen zich tegelijkertijd voordoet: dierlijk genot deze goddelijke wreedheid te ondergaan. Verlossing is altijd de beklemdheid van deze tegenstellingen opheffen door het goddelijke naar beneden te halen, te ontmaskeren als illusie en zelfs als waanzin (dus het onschadelijk maken van de godsdienst), en het dierlijke te accepteren als onschuld, dwz te rehabiliteren, te verheffen tot het eenvoudige 'the way things are and should be'.