Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.14    Van het Grote Verlangen

Inzicht in de Spinoza Bovenmens is voor Zarathoestra het moment van de verlossing, het genezen worden. Maar dit genezingsproces is langdurig en geleidelijk, want in de praktijk van het leven kan dit inzicht moeilijk of helemaal niet gehonoreerd worden. Een mens voelt zich instinctief altijd een individu met een individuele wil die op de wereld inwerkt.
Hoewel Zarathoestra intellectueel de Spinoza Bovenmens kan begrijpen en erkennen, is het voor hem emotioneel een zware zaak hiermee in zijn schik te zijn, aangezien het acceptatie van de geest der zwaarte, acceptatie van de dwerg, inhoudt. Spinoza kwam met zijn inzichten uit op amor dei (liefde voor God). Het is een levensinstelling waar een mens de harmonie van het alles inziet en zich daar, als een harmonieus onderdeel ervan, volkomen in schikt, aan overgeeft. Spinoza's houding is puur intellectueel en rationeel, ontdaan van gevoelens. Nietzsche komt ook op Spinoza's inzichten uit, maar noemt het amor fati (liefde voor het noodlot). Dit is de houding van de mens die intens worstelt met zijn gevoelens en zich uiteindelijk niet als een oosterse goeroe passief kan maken en alles maar als een harmonie kan ondergn. Amor fati duidt op een geest die een zaak geestelijk omarmt desondanks hardnekkige innerlijke tegenstand. Op dezelfde manier als een mens zijn aardsheid, zijn lichamelijkheid als essentieel kan begrijpen en accepteren, maar er niet altijd mee in zijn schik is, en het vaak als een belemmering kan zien. Zarathoestra heeft er moeite mee de Spinoza Bovenmens in zichzelf te omarmen. Het leven is een krachtenspel, waarin voortdurend alles in beweging is en de krachten met elkaar botsen:


...een zee van in zichzelf terugkerende aanstormende en wegebbende krachten, eeuwig veranderend, eeuwig teruglopend, met immense jaren van de wederkeer, met een afgaan en een opkomen van de vormen die hij aanneemt, uit de eenvoudigste uitgaande naar de veelvoudigste, uit wat het meest stil, het meest star, het koudst is weg naar het vuur dat oplaait, naar wat het wildst en het meest tegenstrijdig is, en dan weer uit de overdaad terugkerend naar het eenvoudige, uit het spel van de tegenstrijdigheden terug tot aan de lust van de harmonie.
(zie Nietzschewereld; het loont de moeite deze prachtige site in zijn geheel door te lezen).


Zijn ziel is wat gevoelens betreft dus nog steeds melancholisch, hunkerend naar iets anders. Vandaar dat het boek wordt vervolgd met een hoofdstuk dat de titel draagt: Van het Grote Verlangen. In de laatste drie hoofdstukken van deel 3 blijft hij maar mogelijkheden zoeken om aan zijn dwerg-zijn te ontsnappen, misschien beter gezegd: blijft hij zoeken naar een weg om emotioneel aan het nieuwe inzicht te beantwoorden. Op de n of andere manier moet hij een weg zien te vinden "uit het spel van de tegenstrijdigheden terug tot aan de lust van de harmonie". Aangezien Nietzsche uiteindelijk aan tegenstribbelende gevoelens moet beantwoorden en zijn basisprobleem is hoe hij op lust voor het leven kan uitkomen, is het hoogste antwoord voor hem niet het intellectueel/rationeel begrijpen, maar het emotioneel overweldigd worden door de grootsheid van het bestaan, dus extase te ervaren, gevoelens zo groot dat ze alle andere gevoelens eenvoudig het zwijgen opleggen.


Het is interessant op te merken dat Zarathoestra hier zijn ziel toespreekt alsof het om iets anders gaat dan hemzelf, iets buiten hemzelf. 'Ziel' moet hier worden gezien als ons wezen gezien als expressie van de kosmische wil, ter onderscheiding van het 'Zelf' waarover Zarathoestra sprak in I.4, de individuele wil. In dat hoofdstuk stelde Zarathoestra dat het 'Zelf' de drang heeft boven zichzelf uit te willen scheppen en daaraan ten onder te willen gaan. Op het moment dat het Zelf ten onder gaat komt daar een Ziel voor in de plaats. In de oude religie geloofde men dat men na letterlijk sterven als letterlijke ziel voortleefde. In Zarathoestra's wereld is het sterven een ten onder gaan van het Zelf (de autonome wil), en de Ziel wat ervoor in de plaats geboren wordt: het diepere inzicht in het bestaan, de diepere zelfkennis. De ziel verscheen in Zarathoestra pas voor het eerst in het Nachtlied, II.9. De ziel borrelt daar op in het diepst van de nacht. De ziel is ahw de diepste kern van ons wezen, iets waar de mens zelden of nooit op terechtkomt, waaromheen allerlei lagen en muren liggen die ons zicht erop belemmeren:


O mijn ziel, ik verloste jou van alle nissen, ik veegde stof, spinnen en schemer van jou.
O mijn ziel, ik wiste de kleine schaamte en stofnestendeugd af van jou en overreedde jou naakt voor het aanschijn van de zon te staan.


De sleutel tot 'het bereiken' van de ziel is totale intellectuele eerlijkheid: naakt voor het aanschijn van de zon te staan. Deze eerlijkheid krijgt men via "de storm die 'geest' heet".
Zarathoestra geeft een opsomming van zaken die hij zijn geest heeft laten doen. De menselijke geest tot zijn hoogste inspanning te werk stellen staat gelijk aan het voorbij goed en kwaad gaan:


O mijn ziel, ik gaf jou het recht om neen te zeggen zoals de storm neen zegt, en ja te zeggen zoals de blote hemel ja zegt.


Zelf en Ziel staan tegenover elkaar als nieuw scheppen en eeuwige wederkeer van hetzelfde, als autonome vrije wil en determinisme. De paradox wordt opgeheven door het eerste te zien als een ondergeschikt zijn aan het tweede. Wanneer de mens het bestaan bekijkt vanuit het hogere perspectief, vanuit de ziel, verandert hij van zuchter in zinger, van strijder in liefhebber, van storm tot rimpelloze zee, iets waar Zarathoestra in II.13 al op duidde. De ziel is het perspectief waar de mens zichzelf en het leven liefheeft. Net zoals de ziel de diepste kern van de mens is, is de liefde tot zichzelf de moeilijkste kunst, "van alle kunsten de fijnste, listigste, laatste en geduldigste (III.11). In I.17 stelde Zarathoestra al dat het zoeken van de weg naar jezelf het allermoeilijkst is. Men moet van zeven duivelen een vriend maken en gaat eraan ten gronde. Het proces van zelf-haat naar zelfacceptatie, het proces van het scheppen van zichzelf, is nu voltooid.


Jouw volheid tuurt over bruisende zeen en zoekt en wacht; het verlangen van overvolheid straalt uit jouw glimlachende ogenhemel! en voorwaar, o mijn ziel! Wie, die jouw glimlach zag, zou niet in tranen versmelten? De engelen zelf versmelten in tranen om de overgrote goedheid van jouw glimlach. Het is jouw goedheid en overgrote goedheid die niet klagen en wenen wil: en toch verlangt, o mijn ziel, jouw glimlach naar tranen en jouw trillende mond naar snikken.


Zelf en Ziel zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden, net als 'boven jezelf uit scheppen' en 'lijden aan de geest der zwaarte'. Melancholie, de geest van zwaarmoedigheid is de vorm waarin de Geest der Zwaarte zich deze keer laat zien. Melancholie/zwaarmoedigheid is nog steeds uitzien naar verlossing, nog steeds wachten op een bevrijder. De bevrijder van alle menselijke lijden is liefde, want slechts in de liefde is lust. Voor liefde is een object voor liefde van node. Nietzsche geeft het in het volgende hoofdstuk.