Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.15    Het Andere Danslied

De titel van dit hoofdstuk verwijst naar het eerste Danslied, hoofdstuk II.10. In dat hoofdstuk is Zarathoestra figuurlijk aan het dansen met de vrouwen Wijsheid en Leven. Het werd geen vrolijke dans, maar eindigde in verwarring en vraagtekens. Zarathoestra voelde zich in een oceaan van onwetendheid, ontoereikendheid en gebrek aan inzicht verdrinken, maar werd door het Leven aan een gouden hengel weer naar boven gevist. We zien nu dat het hoofdstuk is een metafoor was dat de rest van het boek weergeeft: het verzinken in de oceaan van onbeantwoorde vragen en moeilijk op te lossen filosofische probleemstellingen in het leven beschreef Nietzsche in de rest van deel 2 en 3 tot en met hoofdstuk 12, en het door het Leven naar boven gevist worden, eindigend in het grote verlangen naar het Leven, is het proces vanaf hoofdstuk III.13 tot aan het eind van dit deel. Deel 4 laat zien hoe de verloste Zarathoestra met zijn medemensen omgaat en hoe hij zijn leven verder leeft.
Het vorige hoofdstuk kondigde een zingen van Zarathoestra aan, en dit hoofdstuk moet het lied worden, een danslied, dus een opgewekt lied. Het is een tweede poging de dans met het Leven uit te voeren. Zarathoestra is ditmaal geheel alleen, geen dartelende meisjes, geen Cupido, en geen volgelingen om hem heen die het allemaal volgen. Ook is Wijsheid als rivaal van het Leven afwezig.


1

Het hoofdstuk begint in exact dezelfde bewoording als het eerste danslied: "In jouw ogen heb ik onlangs geschouwd, o Leven: goud zag ik blinken in jouw nachtogen." Het lied omschrijft de dans als een verwoed achternazitten van het Leven om haar eindelijk te pakken te krijgen (=te doorgronden). Het Leven is als een gouden bark (=iets geweldig moois) op nachtelijke wateren (=iets ondoorgrondelijks). Het resultaat is 'zinken, drinken, terugwuiven, lachen, vragen, smelten' van de kant van het Leven en de mens die erop danst 'in razernij'. De mens doet zijn uiterste best te dansen op het Leven, maar het is bijna onmogelijk: steeds ontglipt het Leven de mens; wanneer een mens erop af springt deinst het Leven terug, wanneer een mens het wil opgeven komt het Leven enigmatisch juist weer terug met een hoop verleidelijkheid. Het Leven leert de mens kromme wegen, kromme banen te begaan. De mens eindigt in een liefde-haat relatie: "Ik vrees jou van nabij, ik heb je lief van verre"..."ik lijd, maar hoe graag lijd ik niet om jou!". Het Leven trekt dan weer aan en vlucht dan weer eens weg. Het ergste is dat ze nooit stilstaat. Zarathoestra denkt dat ze allebei nog zullen verdwalen, hij kan nauwelijks bevatten waar hij zich bevindt (=hoogte krijgen van het leven): wanneer hij in het gezicht van het Leven kijkt ziet hij lieftallige witte tandjes, maar ook kwaaie ogen.
Hij is de jager, en wil na eindeloze pogingen het Leven op haar knieën dwingen. Dát is waar hij zijn zweep voor nodig heeft, zoals hij in de beroemde spreuk opmerkte: "Wil je tot de vrouwen gaan, vergeet dan de zweep niet!" Het Leven is de vrouw waar hij het over had: "Op de maat van mijn zweep zul je voor mij dansen en gillen! Ik vergat toch niet de zweep? - Nee!" Vervolgens gaat Zarathoestra volgens zijn beproefde methode te werk: wanneer hij voor een geweldige krachtsinspanning staat, maakt hij een des te sterker besluit alles op alles te zetten: zie III.2 en III.3. Het is het gevolg van zijn inzicht dat alles berust op Wil tot Macht. Hij spant deze boog dus tot het uiterste.


2

Op dit punt aangekomen richt het Leven opeens haar woord aan Zarathoestra: "O, Zarathoestra, knal toch niet zo met je zweep! Jij weet toch: lawaai vermoordt gedachten." Het Leven vervolgt dat ze wel goede vrienden met elkaar moeten blijven, omdat hij geleerd heeft voorbij goed en kwaad te gaan, dwz het hele leven te aanvaarden. "En ook al beminnen we elkaar niet van harte, moet men elkander dan boos zijn als men elkander niet van harte bemint?" Het klinkt als het advies dat ik ooit eens van mijn oudste broer kreeg. "Je zou misschien voor één keer eens een poosje je gevoelens aan de kant moeten zetten en eens enkel en alleen geheel rationeel moeten zijn." Of weer anders gezegd: ruil het onstuimige en heldhaftige amor fati nu eens een keertje om voor het serene, tranquille amor dei. Loop het Leven niet achterna, probeer het niet uit te pluizen, maar geef je er eenvoudig aan over. Dan zul je wellicht ondervinden dat je razende dans eindelijk verandert in iets waar je van kan genieten: in rust en innerlijke vrede. En het Leven laat erop volgen dat zij juist zo goed is voor Zarathoestra, omdat ze jaloers is op zijn wijsheid, en dus wel goed móet zijn voor Zarathoestra om de wedkamp met wijsheid te winnen.


Aangezien Nietzsche al voor de tweede maal met een 'dans met het Leven' aankomt en het dansen zovaak als metafoor van het verloste leven door hem gebruikt is, schoot mij te binnen dat ik vroeger in mijn tienertijd een poster in mijn slaapkamer had hangen, waar op een achtergrond van een zwarte nacht een 'blinkend gouden Hindoe-danser binnen een ring van vuur' was afgebeeld. In de ring van vuur was een tekst te lezen: "fact or fiction?" Ik begreep er niets van toen ik 18 was, want de afbeelding stond boordevol onbegrijpelijke symbolen. Bovendien was het niet zoals het hoorde: hindoe afgodsbeeldjes passen niet in een christelijke slaapkamer. Maar toch hing die poster daar. Als een raadsel. Als iets ondoorgrondelijks. Als iets moois.



Nu, dertig jaar later, heb ik het raadsel opgelost: de poster beeldde uit wat bekend staat als de "Kosmische Dans van Shiva" (ook wel als 'De Heer van de Dans' Nataraya). En nu ik via internet alle details ervan opgezocht heb is het mij duidelijk dat Nietzsche zijn inspiratie ook hieruit geput heeft. Opeens wordt mij de uitspraak die Zarathoestra deed in I.7 duidelijk: "Ik zou enkel geloven aan een god die verstand had van dansen.", en "Nu danst door mij heen een god." Deze god heeft de mens uitgevonden in India, en hij heet Shiva. Let op de verbluffende overeenkomsten tussen de symboliek van dit Hindoeïstische beeld en Nietzsches beeldspraak in Aldus sprak Zarathoestra. Zarathoestra is niet slechts het evenbeeld van de godmens Christus, maar ook van de godmens Shiva; en de Kosmische Dans van Shiva is geheel gelijk aan de Dans van Zarathoestra:

De betekenis van deze dans is uit te beelden hoe de mens uit de illusie kan worden weggetrokken en het 'kosmische Zelf' kan vinden, ook wel Verlichting en Kracht genoemd. Shiva alias Zarathoestra is in de hoogste 'drieëenheid van het Hindoeïsme' (Brahma, de schepper, Vishnu, de onderhouder, en Shiva, de vernietiger) de vernietiger van kwaad en onwetendheid. Shiva alias Zarathoestra leeft in eenzaamheid als een arme kluizenaar op de bergtoppen van de Himalaya. Alle processen in de Natuur zijn als een dans waar alles eeuwig in beweging is, en Shiva is de meester van de dans: hij danst de dans van het bestaan met meesterlijke perfectie, vandaar dat hij met zoveel handen uitgebeeld wordt. Het is het beeld van een overstelpende hoeveelheid beweging, energie. In één hand houdt de danser een muziekinstrument, het symbool van scheppen, en in een andere hand vuur, het symbool van afbreken. Zijn derde hand maakt een gebaar van zegenen en de vierde hand wijst naar de opgeheven voet, symbool voor de verlossing uit ellende, in Zarathoestra's taal verlossing van de Geest der Zwaarte en het dansen of leren vliegen. Andere uitleggingen zeggen dat de hand naar de dwerg wijst waarop de danser staat, maar deze symboliek komt op hetzelfde neer: de danser staat met één voet op een dwerg, symbool voor het individu, dat leeft in de illusie (maya) dat men gescheiden is van al het andere en autonome wil heeft, een eigen zelf is. Anders uitgelegd noemt men de dwerg een demon van onwetendheid, vooral de onwetendheid van de leer dat alles op dualisme berust. Ook wel de demon van haat, ledigheid, kwade gedachten enz., kortom, alweer Nietzsches Geest der Zwaarte, die we in allerlei gelijksoortige bewoordingen zijn tegengekomen. De danser danst zijn bestaan binnen een ring van vuur, dus de ring van de eeuwige wederkeer. In het Hindoeïsme noemt met dit 'Samsara', 'de levensstroom' en verbindt men dit aan reïncarnatie. De danser heeft een slang om zijn middel gekronkeld. Deze slang heet in het Hindoeïsme 'kundalini' ('opgerold als een slang'), hetgeen staat voor de kosmische wil, de 'hogere levensenergie' die boven de mens staat en ook in ieder mens is. De dwerg wordt in dit beeld vermorzeld of ondergeschikt gemaakt, maar de slang is juist het centrum van kracht en macht. Door op deze slang 'in te tappen' en op de dwerg te staan ervaart men het éénzijn met het kosmische Zelf. "The overall temper of the image is paradoxical, uniting the inner tranquillity, and outside activity of Shiva", laat één uitleg weten: dus exact de paradox die we in Zarathoestra terugvinden. We hebben in deze voorstelling dus de gehele missie van Zarathoestra in een notendop.


Deze paragraaf eindigt met een raadsel:


Daarop blikte het Leven peinzend achterom en in het rond en zei zacht: 'O Zarathoestra, je bent mij niet trouw genoeg! Je hebt mij lang niet zo lief als jij wel zegt; ik weet, je denkt erover mij spoedig te verlaten. Er is een oude zware bromklok: 's nachts stijgt haar gebrom op naar jouw grot: -hoor je deze klok om middernacht het uur slaan, dan overweeg je tussen één en twaalf-
dan overweeg je, o Zarathoestra, ik weet het, dat je mij spoedig zult verlaten!'
'Ja', antwoordde ik aarzelend, 'maar jij weet ook- ' En ik fluisterde haar iets in het oor, midden tussen haar verwarde gele dwaze lokken.
'Jij weet het, o Zarathoestra? Dit weet niemand.--' En wij zagen elkander aan en staarden naar de groene weide, waarover juist de koele avond gleed, en weenden samen. -En op dat ogenblik was me het Leven dierbaarder dan ooit al mijn wijsheid.


Men kan in commentaren op Nietzsche op zoek gaan naar de woorden die Zarathoestra in het oor van het Leven fluisterde, en zal dan opmerken dat vrijwel alle uitleggers van Zarathoestra iets schrijven in de trant van Walter Kaufmann: "Wat hij in het oor van het Leven fluistert is ongetwijfeld dat hij eeuwig zal wederkomen." Maar het lijkt mij juist zeer onwaarschijnlijk dat Nietzsche hier een voor iedere lezer overduidelijke boodschap neer wilde zetten in een stijl die ogenschijnlijk het omgekeerde beoogt: een geheim waarvan uitdrukkelijk wordt gezegd dat niemand dit weet. In dat geval zou hij namelijk schrijven in een stijl voor kinderen, dus voor lezers waarvan hij weet dat ze allemaal zeer in hun schik zullen zijn de wijsheid te hebben een zogenaamd geheim zonder veel moeite te kunnen doorgronden! Het lijkt mij waarschijnlijker dat hij zijn geheim, dwz zijn diepste antwoord op het raadsel van het leven uitdrukkelijk als een geheim wilde houden, omdat zijn leer is: "Dit is mijn smaak, dit is mijn weg. Waar is die van jou? Want de weg, die is er niet" (III.11) Een ieder gaat zijn eigen weg en zal dus zijn eigen antwoord moeten hebben: "Elke ziel kent zijn eigen wereld; voor elke ziel is elke andere ziel een hiernamaals. En juist wat het meest gelijkt op elkander, liegt de schijn het schoonst; want de kleinste kloof valt het zwaarst te overbruggen." (III.13) Niemand kan dus het antwoord voor anderen geven, en daarom moet Nietzsche erover zwijgen.

Een andere kanttekening over de bovenstaande uitleg: het antwoord kan helemaal niet zijn dat hij weet weder te komen, want indien hij het leven wil verlaten, dus de tocht van vermoeidheid en frustratie wil opgeven, dan is de eeuwige wederkomst in het geheel geen antwoord, maar een kwelling die de kwelling van het leven juist tot in het oneindige vergroot. Bovendien zijn er miljoenen en miljoenen in het oosten die al sinds mensenheugenis deze leer hebben verkondigd en slaat de opmerking 'dit weet niemand' dan nergens op.

De woorden die Zarathoestra het Leven toefluistert moeten woorden van bevestiging van het leven zijn. Hoewel ik niet Nietzsches woorden hier kan weergeven, kan ik wel schrijven welke woorden ik na het lezen van Aldus sprak Zarathoestra, en na meer dan de helft van mijn leven te hebben geleefd, in het oor van het Leven zou fluisteren. Het zouden deze woorden zijn:


"...maar je weet toch ook dat de dood behoort tot het Leven. De dood is een onderdeel van het Leven, en bij tijden verlangen naar de dood is een onderdeel van mijn mensenleven. Waarom zou je er dus over treuren dat zulke gedachten soms in mij leven? Net zoals jij mij daarnet beleerde niet zo met de zweep te knallen, zo beleer ik nu jou: voorbij goed en kwaad vonden wij elkaar, dus ook voorbij trouw en ontrouw. Zo ik zeg trouw aan je te zijn, maar het voor jou niet genoeg ben, welnu, dan ben ik in mijn ontrouw jou toch ook nooit geheel ontrouw. Zowaar als ik lijd aan het Leven, zowaar heb ik het Leven ook lief."


Op zo'n antwoord zou ik me het 'jij weet het kunnen voorstellen en het "dat weet niemand", want wij zijn geneigd de dood niet als een onderdeel van het leven te beschouwen, maar als het tegendeel, de tegenspraak van het leven. En wij zijn ook geneigd alle tegenstrijd in de mens en daarbuiten altijd als imperfect, als een op te lossen zaak te beschouwen. Verlossing is de tegenstrijd te laten staan (omdat ze niet op te lossen is) en er vrede mee hebben.
Het is waar dat de gedachte dat de dood een onderdeel van het leven is groeit uit de gedachte aan eeuwige wederkeer, want vanuit dat grootsere perspectief is het gemakkelijk te zien. Maar eeuwige wederkeer op zich is geen antwoord op Zarathoestra's verlangen naar de dood. Het werkelijke antwoord op lijden is dat het slechts één aspect is van het leven, en er ook lust voor het leven bestaat, en dat de Lust of de Liefde voor het leven groter is dan het lijden. Hierop kan ik me ook de laatste zinnen van paragraaf 2 goed indenken: op zo'n antwoord staren het Leven en de Levende zwijgend in elkaars ogen en hebben ze elkaar lief met een liefde die alle woorden overstijgt.


3

Opeens luidt de zware bromklok waar zoëven over gerept is. De zware bromklok is een matafoor voor het doorgronden van het Leven, het doorgronden van de Geest der Zwaarte. De twaalf slagen omvatten alle tijd, het gehele bestaan. Iedere slag schenkt de mens een bepaald inzicht, met iedere slag duikt een mens dieper in de oceaan van het bestaan. Hij slaat twaalf keer, dus net zoveel keer als nodig is om het gehele bestaan te doorgronden, maar bij de twaalfde slag staat slechts ***. De laatste slag is dus het equivalent van het geheim dat Zarathoestra net in het oor van het Leven fluisterde. Het is 'de hoogste kennis', in alle mystiek bekend als 'het onuitsprekelijke', 'de verlichting'. Maar alle vorige slagen werken er naar toe. Iedere volgende slag schenkt een dieper inzicht, en de laatste slag kan daarom gezien worden als een logische ontwikkeling uit de vorige slagen. De interpretatie die ik hierboven gaf sluit hier dan ook naadloos op aan.


O mens! Geef acht!
De mens is het enige wezen aan wie denkvermogen geschonken is. Hij is het enige wezen dat acht kan geven op zijn levenssituatie, dus het bestaan kan overdenken.

Wat spreekt de diepe middernacht?
Ons bestaan wekt in eerste instantie slechts een oneindige reeks van onoplosbare vraagstellingen op: een diepe middernacht, dus een onverstaanbare taal.

Ik sliep, ik sliep-
Vanwege de onverstaanbare taal ziet de mens slechts uit op een oneindige middernacht. Hij kan nergens uit wijs worden en doet daarom geeneens moeite meer om het te begrijpen. En voorzover hij antwoorden weet, zijn het allemaal verzonnen fabels, ingebeelde fantasieën, waanideeën, dus slapen, zie I.2: "Goede slaap zocht men en daarbij heulbloemige deugden! Voor alle geprezen kanselwijzen was wijsheid de slaap zonder dromen: zij kenden geen betere zin van het leven...Zalig zijn de slaperigen: want weldra zullen zij indutten.".

Uit diepe droom ontwaakt, sta ik op wacht:
Zarathoestra is de mens die besloten heeft de realiteit onder ogen te zien. Het op wacht staan is het op zijn hoede zijn voor al het decadente, minderwaardige, onechte, valse: alle oude kanselwijsheid, de hiernamaalsgangers, de verachters van het lichaam, de vertellers over het spook god, de veroordelaars van de hartstochten, het streven naar erbarmelijk welbehagen, de onderhorigheid aan de geest der zwaarte, de prediking des doods, de verering van de nieuwe afgod, de leugen van de naastenliefde enz. uiteengezet in deel 1 en de eerste helft van deel 2.

De wereld is diep,
is het vervolg van Aldus sprak Zarathoestra; het is de lange reis in de diepte van de onmetelijke oceaan van de realiteit.

Dieper dan de dag zich dacht.
De 'dagwijsheid' is ons rationeel beredeneren. Het is niet toereikend om het leven te doorgronden. De dagwijsheid is ook alle wijsheid die de mens vóór Zarathoestra had bedacht om het leven uit te leggen: hoe diepzinnig men ook dacht in religieuze tijden, het viel allemaal door de mand als ontoereikend, onwaar, te naief, te gemakkelijk denken.

Diep is haar pijn,
is de uitkomst van 's mensen worsteling het bestaan ten volle te begrijpen.

De achtste slag is het beslissende inzicht:
Lust voor het leven is dieper nog dan het hart dat lijdt.

Pijn spreekt: verdwijn!
(Of: ik wil het leven verlaten!)

Maar alle Lust wil eeuwigheid,
dwz nooit ophouden het leven te leven.

Elf:
-wil diepe, diepe eeuwigheid. De herhaling en versterking van dezelfde gedachte laat zien dat Lust groter is dan het Lijden.

Twaalf: ***
Het onuitsprekelijke wordt in het volgende hoofdstuk toch uitgesproken, zoals een theoloog die weet dat God niet uit te leggen valt, zijn leven lang niets anders doet dan het over God hebben...