Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.16    De Zeven Zegelen

Het laatste hoofdstuk verdraagt eigenlijk geen commentaar. Wanneer Nietzsche wat later zijn 'Voorbij Goed en Kwaad' aan zijn beste vriend Franz Overbeck stuurt, valt in een begeleidende brief te lezen: "Misschien werpt dit boek ook enige lichtstraaltjes op Zarathoestra, een boek dat onbegrijpelijk is omdat er diepgevoelde ervaringen aan ten grondslag liggen die ik met niemand deel. Was het maar mogelijk je enig idee te geven van mijn gevoel van eenzaamheid! Er is niemand aan wie ik mij verwant voel, noch onder de levenden noch onder de doden."

In commentaren op Aldus sprak Zarathoestra wordt het laatste hoofdstuk van deel 3 in de regel gezien als de climax van het gehele boek. Voor eenieder die de bijbel kent is het duidelijk dat de titel van dit hoofdstuk dit niet geheel beaamt. Er staat weliswaar 'oftewel: het lied van ja en amen' onder, dus een algehele bevestiging van het leven, een happy end, maar De Zeven Zegelen staan in Openbaring niet voor het gelukzalige eind van alles ('de opstanding' en de climax van 'de nieuwe hemel en de nieuwe aarde', 'de bruiloft van het Lam'), maar juist voor de verschrikkingen die eraan voorafgaan: 'de barensweeŽn'. Wanneer de Zeven Zegels in het boek Openbaring verbroken worden komen daaruit juist allemaal narigheid en oordelen, zaken die aan het mythische gelukzalige einde noodzakelijkerwijs voorafgaan. De Zeven Zegels zijn de inhoud van de zeven dagen van pijn en ziekzijn die voorafgingen aan Zarathoestra's genezing (III.13). Het getal zeven staat in de bijbelse symboliek voor de volheid, het totaal, dus de Zeven Zegels zijn in wezen alles wat eraan voorafging. In Nietzsches boek staat iedere zegel voor een aspect van Zarathoestra's optreden, zoals het in de loop van het boek aan ons is voorgelegd. Wat Nietzsche hier nu doet is aan dit alles voorbijgaan, het achterlaten. Dit resulteert in de totale verlossing, een extatische ervaring.

Zoals de Zeven Zegels door de christengelovige gezien kunnen worden als 'barensweeŽn', dus verschrikkingen die aan een geweldig blijde gebeurtenis voorafgaan, zo brengen de gedachten en handelingen van Zarathoestra hem uiteindelijk voorbij zichzelf naar nog hoger regionen. Zoals in de bijbel ieder openen van een zegel de oorlog van de Satan laat zien tegen God, zo is iedere opgesomde heldhaftigheid van Zarathoestra als een oorlog geweest die de Autonome wil tegen de Kosmische wil heeft gevoerd. Dus ieder 'zegel met narigheid' wordt in Nietzsches boek ingekleurd door een opsomming van Zarathoestra's optreden. Iedere herhaling "Want ik heb jou lief, o eeuwigheid!" is ahw de kruisiging van die autonome wil en de verzoening met de kosmische wil. Dit opgaan van het individu in 'de Eeuwigheid' is het onuitsprekelijke, de verlichting van alle mystieken, de twaalfde slag van de bromklok in het vorige hoofdstuk.

Nietzsche beŽindigt zijn boek met deze spanning: het leven dat geketend is aan de geest der Zwaarte, wordt nadat men in de allerdiepste oceaan tot op de bodem gezonken is op mysterieuze manier 'vrijgemaakt', 'licht gemaakt'; men proeft dan een extatische verlossing. In deel 4 zullen we zien dat Zarathoestra verder leeft in eenzelfde spanning als die men in het christelijke geloof ook tegenkomt: enerzijds blijft men uitzien naar een toekomstig verlost worden, maar anderzijds ervaart men het volkomen verlost zijn in het hier en nu.

De diepste kern van Nietzsches denken is dat er geen uiteindelijk en laatste doel is waar de schepping op afstevent. Alles blijft eeuwig stromen en is op ieder moment dus even volledig. Er is in het leven daarom geen tekort dat aangevuld moet worden, verbeterd moet worden. Maar de mens wordt wťl verteerd door een eeuwig verlangen naar beter, hoger, meer, perfecter. Het verlangen, niet het doel is waar het uiteindelijk om gaat. Het doel (de Bovenmens) is iets waar men naar kan verlangen, -in volle sterkte naar dient te verlangen-, maar het zal nooit bereikt worden. Wanneer echter het verlangen tot zijn hoogtepunt uitgroeit, mondt dit uit in geestelijke verlossing.


Het aardse leven vindt zijn vervulling wanneer het verlangen, oftewel het begeren, alias de lust, zijn hoogste stand bereikt. In het dagelijks leven uit zich dit in allerlei kleine en grote verlangens. Nietzsche heeft dit verlangen tot het uiterste willen opvoeren, en omarmt daarom bewust de gedachte van het eeuwig wederkeren van alle dingen. Bij deze gedachte moet een mens de walging tot op de bodem onder ogen zien. Het grootst denkbare verlangen is de lust voor de Eeuwigheid, in Zarathoestra's wereld lust naar de Eeuwige Wederkeer, dus in staat zijn het Leven zo lief te hebben dat men er een lied van Ja en Amen op kan zingen en het 'verhoogt' tot Eeuwigdurend. De Eeuwigheid is de overtreffende trap van het Leven. De overtreffende trap niet in de zin van een toekomstig bestaan waarvan alle 'mankementen' zijn opgeheven (zoals in de christelijke fantasie), maar de menselijke kunst hetzelfde aardse leven zoals wij het kennen tot in de overtreffende trap kunnen zegenen: het is een 'state of mind'.


Het hele boek Aldus sprak Zarathoestra is het antwoord op de vraag hoe de walging overwonnen wordt, hoe men tot de gemoedstoestand van verlossing komt. Overeenkomstig de Zeven Zegels bestaat het hoofdstuk uit zeven 'strofen' die eenzelfde begin en eind hebben: "Zo ik al dit of dat deed of zei...o, hoe zou ik niet hunkeren naar de eeuwigheid en naar de bruiloftsring aller ringen, -de ring der wederkomst!" Alle zaken die hij zo intensief heeft nagejaagd, nagestreefd, kunnen slechts uitgelegd worden vanuit een onstilbare, ontembare levenslust, een oneindige hoeveelheid liefde voor het leven, en dit veegt alle walging eenvoudig van tafel. Men zou het zů kunnen lezen: "Zo ik in de kracht van mijn autonome wil deze en gene heldhaftigheid gedaan heb (vervolgd door een onuitgesproken: en altijd met mijn hoofd tegen een betonnen muur liep, de catastrofen van de zeven zegels ondervonden heb)...hoe anders kan ik het leven uitleggen dan als een onstilbare hunkering naar het Leven. Ik weet dat ik het Leven lief heb met een liefde die alle beschrijvingen te boven gaat." Deze lust voor het Leven in de overtreffende trap vindt men wanneer men beseft een onderdeel te zijn van de Kosmische Wil. De vereenzelviging hiermee is het opgaan in deze wil, of anders gezegd, er volledig mee in harmonie zijn. Zarathoestra geeft aan de Eeuwigheid de banaming Vrouw met wie hij getrouwd wil zijn en kinderen van wil hebben. Het eruit voortvloeiende huwelijk kan men op ontelbare wijzen invullen. Zoals in het vorige hoofdstuk het leven (de kosmische wil) de mens beleert, maar de mens op zijn beurt het leven. Of zoals de godsdienst en idealen de mens beleren, maar de mens de godsdienst en idealen weer op hun plaats moet zetten. In het oude religieuze (joodse) denken noemde men dit 'het aan elkaar verbinden van hemel en aarde'. Maar toch is zo'n eind wel merkwaardig, want de beschrijving van de fase als kind blijft volkomen achterwege. Vandaar dat men op goede gronden kan stellen dat de trilogie pas af is na het vierde deel.

Wanneer men in het hoofdstuk een afsluiting wil zien, dan is het dus dat het moment van de definitieve verlossing van het kameel- en leeuwzijn, de verlossing van frustratie en geest der zwaarte, dus het equivalent van de definitieve metamorfose tot kind, nu gekomen is. In de bijbel is Christus de enige die de zegels kan verbreken. Hij kan dit doen omdat hij 'het lam Gods' is, dwz zichzelf heeft opgeofferd om de wil van God uit te voeren. In Aldus sprak Zarathoestra geeft Zarathoestra uiteindelijk zijn eigen autonome wil op, of beter gezegd, komt hij tot de ontdekking dat autonome wil een illusie is: een mens wordt gewild. Het 'ik' en 'de wil' is een illusie. Het door deze gedachte verteerd te worden heeft als gevolg dat de autonome wil volkomen gebroken wordt, ondergaat. Nietzsches totale scepsis dwong hem het labyrint in te gaan en steeds dieper en verder te gaan, zonder hoop om er ooit nog eens weer uit te komen; uiteindelijk verliest de mens dan alle grond onder zijn voeten, alles raakt hij kwijt. Maar de paradox is dat op dŠt moment, dus aangekomen op de absolute bodem, er een weg naar boven gaat. De liefde voor het bestaan ervaart een mens wanneer hij tot voorbij dit dieptepunt komt. Deze weg 'naar boven' is de onvoorwaardelijke bevestiging van het bestaan, de vereenzelviging met de Eeuwige ring der wederkomst. Anders gezegd, het antwoord op het leven is: leef vanuit een fundamenteel ja-zeggen tegen het leven. Deze gedachte is geniaal en heeft veel raakvlakken met het boeddhistische of taoÔstische wereldbeeld. Het interessante van Nietzsche is dat dit antwoord gegeven wordt door een door-en-door westers mens; Nietzsche is in zijn schrijven eigenlijk de ideale verpersoonlijking van wat men 'westers denken' noemt, dus de levensinstelling die gekenmerkt wordt door zaken als 'ontembare energie', 'altoos aktief', 'altoos in beweging', 'nooit rust', 'onvermoeibaar', ''willen', 'streven', 'steeds hoger', 'steeds meer'. Het antwoord op het leven is in zekere zin het omgekeerde van wat de westerse mens in eerste instantie als waarheid opwerpt. En toch spreekt het antwoord de westerse wereld niet finaal tegen, maar groeit het er uit wanneer men deze weg maar tot het bittere einde beloopt. Alles is tot het einde toe beleefd, geÔncorporeerd en tenslotte overwonnen. Uiteindelijk is Nietzsches antwoord esoterie, dwz niet in woorden uit te drukken.




Albert Vollbehr, december 2006