Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.2    Van Visioen en Raadsel

We zijn gekomen op het hoofdstuk waarin Nietzsche eindelijk met zijn diepste inzicht, de leer van de Eeuwige Wederkeer komt. Eigenlijk moet hoofdstuk III.13, De Genezende, er meteen achteraan gelezen worden, omdat we in dat hoofdstuk eindelijk de uitleg en aanvullende informatie krijgen van het Visioen en Raadsel van dit hoofdstuk. Maar Nietzsche zet er tien hoofdstukken tussen om de spanning er in te houden en om te laten zien hoe deze leer een geleidelijk proces in het denken is en hoe het ingepast kan worden op al zijn eerdere gedachten. Om de 'afgrondelijke gedachte' te kunnen verteren moest er in het hoofdstuk De Waarzegger al een aanloop hiertoe worden genomen. We kregen ook steeds andere toespelingen op iets wat móet komen om de diepste probleemstelling, die van het menselijk lijden en de daaruitvolgende Geest der Zwaarte op te lossen. In het hoofdstuk vóór de Waarzegger hoorden we al een vreemde stem die sprak 'Het is tijd! Het is hoog tijd!' In het hoofdstuk erna hoorden we dat de enige manier van werkelijke verlossing is dat de mens het verleden herschept door uit te spreken 'zo heb ik het gewild', zodat het geen brokstuk, raadsel en ijselijk toeval meer is. Deze uitspraak kan men nog algemener neerzetten door te zeggen 'het gehele bestaan zoals het was, is en zijn zal heb ik gewild'.

De leer van de Eeuwige Wederkeer was voor Nietzsche niet maar een bijkomstige inval, ook leuk om te vermelden, maar het moment dat beslissend was voor zijn gehele filosofie, het moment dat hij überhaupt van een eigen filosofie kon spreken. In Ecce Homo zegt hij expliciet dat dit idee aan de basis van het gehele boek ligt, omdat het de hoogste formule ter bevestiging van het leven oplevert die men maar zou kunnen bedenken.


De gedachte kwam tot mij in augustus 1881 en werd op een velletje papier opgeschreven met de woorden "Zesduizend voet aan gene zijde van mens en tijd." Ik wandelde iedere dag door het bos naast het meer Silvaplana [bij Sils-Maria in Zwitserland] en stopte bij een kolossale in het oog springende piramidevormige steen, nabij Surlei. Daar kwam deze gedachte tot mij. [Ecce Homo]


Na deze beslissende ervaring in augustus 1881 schreef Nietzsche een briefkaart naar zijn vriend Köselitz, waarin het volgende te lezen valt:


Er zijn gedachten boven mijn horizon verschenen die ik nooit eerder gehad heb, -ik zal ze niet aan het woord laten, en zal wat mij betreft er een onwrikbaar zwijgen toe doen [...] De intensiteit van mijn emoties doet me huiveren en lachen.


Uit deze zinnen blijkt dat Nietzsches nieuwe gedachten zo schokkend waren, dat hij er zelf ook grote moeite mee had, en ze eigenlijk niet eerst serieus kon nemen! Het duurde daarna bijna anderhalf jaar voordat hij met zijn boek Aldus sprak Zarathoestra een aanvang nam. Men heeft het schokkende gezocht in het idee van de eeuwige wederkeer, maar meer waarschijnlijk lijkt mij dat het gezocht moet worden in alle bijgedachten die zijn filosofie begon aan te nemen: het idee op een uniek kruispunt in de geschiedenis te staan, en de persoon te zijn die als eerste alle consequenties van de 'God is dood'-gedachte inziet, de revolutionaire ommekeer in het menselijk denken teweegbrengt. De parallel met de wetgever Mozes, met de uitvinder van de dualistische godsdienst Zarathoestra, en met de messias Christus kon hem niet meer ontgaan; ook de gedachte de bijbel te zullen vervangen werd steeds duidelijker. De eeuwige wederkeer was slechts een noodzakelijk onderdeel om een tegenhanger van de christelijke lineaire opvatting over de geschiedenis te geven, maar aan de andere kant was het wel één die een stempel legde op al het denken van Nietzsches laatste jaren.

Er zijn twee zaken die in Nietzsches denken centraal staan en in het denkbeeld van de eeuwige wederkeer opgelost worden. De eerste is dat de westerse mens van nature gericht is op het geloof in ontwikkeling naar hoger, iets wat ook centraal staat in het denken van Zarathoestra in zijn leer van de Bovenmens. Het grootste inzicht van Nietzsche is dat de mens zijn grootste hoogte bereikt door de nachtmerrie te omarmen, door te wíllen waar hij het meest voor terugschrikt.
De tweede zaak die opgelost wordt is de vraag 'wat is waarheid'. De mens is van nature geneigd om zijn wensdromen, dus waan en illusies, uit te roepen tot waarheid, dus bereikt de mens de hoogste traptrede van waarheid en inzicht wanneer hij dát omarmt wat hij met geen mogelijkheid voor waarheid wil houden. Nietzsche doet in zijn leven dus bewust zijn uiterste best om dit idee van evolutie naar hoger en beter, en de waanideeën van het ego dat voor zichzelf een illusie schept van een universum waarin alles, -zelfs zijn gecreëerde God met zijn goddelijke plannen- draait om de mens, te verwerpen, en door het alternatief, waarvan wij van nature wegvluchten, als ultieme werkelijkheid te bestempelen. Dit omdraaien van het denken is voor de westerse mens zó moeilijk, dat Zarathoestra het op talloze plaatsen beschrijft als ondergaan, de weg 'onmogelijkheid' begaan, de afgrond in storten. De gedachte die de leer van de eeuwige wederkeer automatisch met zich meebrengt is namelijk het zinloze, het doelloze: er is niets dat er niet ooit al eens geweest is, er is geen begin, er is geen ontwikkeling, er is geen uiteindelijke voltooiing, er is geen uiteindelijke bestemming waar de mens naar op weg is, er is slechts non-metafysische eeuwigheid, eeuwigheid die niet verschilt van de fysieke werkelijkheid waarin we al leven en een deel van uitmaken. Erger nog, Nietzsche leert -indien men hem geheel letterlijk neemt- de leer van de Eeuwige Wederkeer van Hetzelfde, dus een letterlijke eeuwige herhaling van alles wat is en wordt. In de Wil tot Macht (§ 1066) speculeert hij dat er in het universum een eindig aantal atomen zijn die dus op een eindige manier verschillend gerangschikt kunnen worden, zodat bezien vanuit een eeuwigheid alle situaties die opgeroepen worden al eens eerder hebben moeten bestaan. De werkelijkheid is dus cyclisch, een oneindige herhaling van hetzelfde. Dit brengt ook de gedachte met zich mee dat alles tot in de kleinste details gedetermineerd is, en vrije wil, autonome wil, uiteindelijk een illusie is.

Bovenmens te zijn staat gelijk aan het bewandelen van deze moeilijkste weg. Door deze weg te begaan wordt de mens gedwongen dit aardse leven waarin hij zich bevindt uit te roepen tot het hoogste wat er te bereiken valt, en er ja- en amen op te zeggen en bijgevolg 'nee' te zeggen tegen de depressieve gedachte dat het leven lijden is. Nietzsche noemde zijn leer van de eeuwige wederkeer daarom 'de hoogste vorm van de bevestiging van het leven'. Men zou het in religieuze taal kunnen uitdrukken met de woorden 'de hoogste vorm van godsdienst', omdat men met deze gedachte het leven niet slechts aanvaardt (=het is nu eenmaal zo), maar zich ermee identificeert en het omarmt als het grootste geschenk dat maar gegeven zou kunnen worden. De mens ervaart zo letterlijk deel uit te maken van de kosmische wil, van het goddelijke. God is in deze visie geen Wezen, maar een Grootheid die we Natuur noemen, die alle galaxies en ruimte omvat.


1

Merk op in het eerste deel van dit hoofdstuk dat de leer niet gebracht wordt in een dogmatische uiteenzetting en theoretische beredenering ervan. Het is slechts een leer voor uitgelezenen, en het gaat hier niet in de eerste plaats om inzicht, maar om moed en durf. Zijn leer van de Eeuwige Wederkeer is geen wetenschap, maar ethiek: het is de doodsteek die aan de Geest der Zwaarte, hetgeen in de christelijke leer tot dogma is geworden, en waaraan zo ongeveer de gehele wereld zijn respect betuigt, gegeven wordt; het is de enige gedachte die er de doodsteek aan kan geven.
Zarathoestra zet zich op het schip, en de zeereis vangt aan. Hij vervalt in een diepe depressie. Zijn inzicht in de eeuwige herhaling en bijgevolg het determinisme doet hij op als een inzicht tegen wil en dank. Tenslotte, na twee dagen stilzwijgen, begint hij zijn leer te prediken aan de zeelieden, symbolisch voor mensen die men kan omschrijven als avonturiers, dol op raadsels, aangetrokkenen tot de schemering, aangetrokken tot doolkolken, mensen wier eerste kenmerk dus is het beschikken over een ruime voorraad moed. Hij brengt zijn leer naar voren in de vorm van een visioen, een raadselachtige droom waarin hij gedompeld was. Alweer een hint dat het in de eerste plaats niet om een uitgewerkte theoretische beschouwing gaat, maar om een existentiële ervaring, waar Zarathoestra zelf mee worstelt.
Merk vervolgens op dat de Geest der Zwaarte, Zarathoestra's doodsvijand, in de vorm van een dwerg verschijnt, zittend op de schouders van Zarathoestra. Dat de dwerg de Geest der Zwaarte is, wordt duidelijk wanneer hij even later op een staan gaat zitten, symbolisch voor hierboven genoemde steen van Surlei die Nietzsche het beslissende inzicht gaf. De dwerg en de steen en de Geest der Zwaarte zijn één en geven hem het inzicht in de leer van de eeuwige wederkeer. Voor het eerst heeft Zarathoestra het inzicht dat de Geest der Zwaarte geen externe vijand is, een vijand die men bovenal in de traditionele godsdienst kan waarnemen, maar een onderdeel van hemzelf, dwz een onderdeel van ieder mens. Dit is het beslissende inzicht om de mens wijs te maken: de Geest der Zwaarte is identiek aan de waarheid over het leven die wij niet willen zien maar ons telkens voor de voeten geworpen wordt, zij is identiek aan al dat waar we voor terugschrikken, identiek aan wat we haten, identiek aan onze doodsvijand, maar eeuwig onverslagen ons telkens weer voor ogen komt; zij is de nachtmerrie die opdoemt wanneer men eerlijk wordt, en ons vlug weer terug naar de illusie doet wegvluchten, zij is identiek aan de waarheid, dwz identiek aan het inzien van alle waan en alle zelfgemaakte illusies. De Geest der Zwaarte is het deel van onszelf dat ons altijd tart, uitlacht en hoont en op de grond doet vallen, en ons dus tot lilliputter maakt. De Geest der Zwaarte is altijd tegengesteld aan de opwaartse weg die we willen belopen, het wil ons altijd klein houden (vandaar de benaming 'dwerg'). Zo zegt de dwerg tegen Zarathoestra:


'O, Zarathoestra', fluisterde hij smalend, lettergreep voor lettergreep, 'o steen der wijsheid! Jij wierp jezelf de hoogte in, maar iedere steen moet -vallen!
O Zarathoestra, o steen der wijsheid, o slingersteen, o sterrenverbrijzelaar! Jij wierp jezelf zo hoog, -maar iedere geworpen steen -moet vallen!
Tot jezelf veroordeeld en tot eigen steniging: o Zarathoestra, ver heb je de steen geworpen, -maar op jou zal hij terugvallen!'


Zarathoestra ervaart nu waar hij over schreef in I.17. Tot jezelf veroordeeld worden levert een 'tweezaamheid' op waarin men waarlijk eenzamer is dan alleen! Wanneer een mens in innerlijke strijd en depressie verkeert zijn er net als in een strijd tussen twee verschillende wezens maar twee mogelijkheden: de strijd winnen of verliezen. Zarathoestra valt terug op zijn meest geprezen karaktereigenschap: moed.


Maar er is iets in mij dat ik moed noem: die heeft tot nu toe alle mismoedigheid doodgeslagen. Deze moed gebood me eindelijk stil te staan en te spreken: 'Dwerg! Jij! Of ik!'-
Moed is immers de beste doodslager, -moed die aanvalt.


De aanval op de gedachte van de eeuwige wederkeer bestaat hieruit dat men de gedachte niet maar met heldhaftigheid moet doorstaan, maar de tegenzin op kan heffen door de gedachte te omarmen.


Moed is echter de beste doodslager, moed die aanvalt: die slaat zelfs de dood nog dood, want hij spreekt: 'Was dit het leven? Wel aan! Nog eens!'


Hier wordt in een notendop al beschreven waar Zarathoestra's denken uiteindelijk op uitkomt.




2

Het tweede deel van dit hoofdstuk biedt ons de uitleg van de gedachte van eeuwige wederkeer bezien vanuit twee perspectieven. Het eerste perspectief is de zaak bekeken vanuit de objectieve kant. Zarathoestra ziet een poort. Op de poort zelf staat de naam Moment, dwz het hier en nu. Één weg leidt er naar toe, en een andere weg ervan vandaan, dwz een eeuwigheid naar het verleden en een eeuwigheid de toekomst in. Zarathoestra zegt dat ze elkaar weerspreken, elkaar voor het hoofd stoten, dwz dat de mens staande op het Moment de botsing ervaart tussen de de wil die het verleden heeft geschapen en zijn eigen wil die de toekomst in wil. Zarathoestra vraagt aan de dwerg of de twee tijdswegen altijd in tegengestelde richting door zullen lopen. De dwerg antwoordt met minachting voor de menselijke eenvoud van denken: 'Al wat recht is liegt, alle waarheid is krom, de tijd zelf is een cirkel.' Zarathoestra berispt hem zo veel te nonchalant zo'n definitief antwoord te geven, maar na er zelf op doorgedacht te hebben is hij het er mee eens; dus de Geest der Zwaarte, altijd voor vijand gehouden, spreekt juist de Waarheid, en Zarathoestra weerspreekt hem niet.
Om deze waarheid zelf in te zien bewandelt hij in zijn redeneringen eerst de weg van de logica: 'Moet niet al wat gebeuren kan, al eens zijn gebeurd, gedaan, voorbijgelopen?' Indien er een eeuwigheid tijd is en een beperkt aantal mogelijkheden, dan is het theoretisch een noodzakelijkheid. Vervolgens bekijkt hij de zaak vanuit de situatie van oorzaak en gevolg: 'Zijn niet alle dingen dermate stevig verknoopt, dat dit ogenblik alle komende ogenblikken tot gevolg heeft? Dus--ook zichzelf nog?' Tenslotte vraagt hij de dwerg: 'Moeten wij niet allen al eens geweest zijn?...en wederkeren en op gindse andere straat lopen...moeten wij niet eeuwig wederkeren?' Zarathoestra presenteert de leer van de eeuwige wederkeer als een mogelijkheid, als een tasten naar wat het denken op kan leveren of op móet leveren, indien men de lineaire tijdsgedachte die het christelijk geloof altijd geleerd heeft, opgeeft. Indien 'In den beginne' niet bestaat, de geschiedenis ook geen uiteindelijke climax kent, geen einde en geen voltooiing, omdat de God van de bijbel dood is, dan komt men automatisch uit bij het enige andere alternatief dat in de wereld van het denken altijd opgang heeft gedaan, van het oude India en Babylon tot het denken van de Grieken uit de voor-christelijke tijd, dat het bestaan eeuwig is en cyclisch. Deze opvatting vinden we in Europa al terug in het denken van Heraclitus, die de wereld zag als een eeuwige strijd van tegengestelde krachten, die uiteindelijk uitmondt in een vernietiging van alles door vuur, waarna de gehele cyclus weer letterlijk van voren af aan begint. Ditzelfde denken kan men vinden in de latere stoïcijnen en in tal van denkers van naam zoals Empedokles, Zeno, Plato, Aristoteles, Chrysippus, Seneca, Epictetus en Marcus Aurelius. Sommigen verlichtten de trieste gedachte van de doelloosheid door er toch nog een goedaardige god van orde aan toe te voegen, anderen verzonken in apathisch denken, maar het schijnt dat voor de antieke mens deze gedachte toch niet in de eerste plaats als afschrikwekkend of teneerslaand ervaren werd. Het Boeddhisme en ander Indisch denken koestert deze gedachte ook, hoewel niet in de vorm van eeuwige wederkeer van hetzelfde, en in dit denken ziet men het deel uitmaken van de mens aan deze eeuwige rondgang wel als een gevangenis en als lijden. Aangezien de alternatieven in het denken slechts een keuze uit twee zijn (het bestaan heeft een begin en eind of is eeuwig), moet men Nietzsches denken niet zozeer opvatten als een terugwillen naar de oude griekse tijd, maar eerst en vooral als de automatische tegenhanger van het christelijke denken. De leer van de eeuwige wederkeer wordt niet zozeer als een verifieerbare waarheid opgediend, maar slechts als de enige en logische gedachte die overblijft of waar men op uitkomt, indien men het christelijke wereldbeeld verwerpt. Het kan zeer goed zo zijn dat deze gedachte juist voor Nietzsche tot de afgrondelijkste gedachte uitgroeit, omdat een westers mens zoals hij afstand moet doen van de vertroostende leugen die het christendom eeuwenlang gepredikt heeft, en waarmee men grootgebracht is. In de Wil tot Macht § 1062 kunnen we het volgende lezen:


De oude gewoonte om aan ieder gebeuren een doel aan te wijzen, en aan de wereld een leidende, scheppende God te verbinden, is zo krachtig dat de denker er moeite voor moet doen om het niet mee te blijven slepen in de omgekeerde gedachte -dat ook de zinloosheid planmatig is. Zo zijn er velen die de wereld een vermogen tot eeuwige nieuwheid opdringen, dwz de wereld bezien als hebbende een definitieve en onveranderlijke macht tot eeuwige transformaties, tot eeuwige vernieuwing; men veronderstelt niet slechts de intentie, maar zelfs de middelen ervoor dat bewust alles wat ooit eerder geweest is nooit weer herhaald zal worden. Men veronderstelt dat 'iets' alle bewegingen op ieder moment zó stuurt dat het doelen, voltooiingen, herhalingen onmogelijk maakt. Het is nog steeds de oude religieuze manier van denken en wensdromen, dat op de één of andere manier de wereld zich gedraagt als de oude geliefde, oneindige, overvloedig creatieve God.


De westerse mens heeft het traditionele geloof in God opgegeven, maar heeft nu van het aardse vooruitgangsideaal zijn geloof gemaakt. 'Ooit wordt alles beter' is als de vroegere hemelse troost. Maar in Zarathoestra's gedachte van Eeuwige Wederkeer van Hetzelfde wordt ook deze troost met wortel en al de grond uitgetrokken. Wanneer Zarathoestra uitgedacht is huivert hij van dit wereldbeeld, aangezien hij meteen de gigantische implicatie doorziet van de gedachte aan volledig determinisme dat de menselijke autonome wil volledig doet verdwijnen als een illusie.

Meteen hierop bekijkt hij de eeuwige wederkomst dan ook vanuit een ander perspectief, vanuit de subjectieve gezichtshoek van het menselijke ervaren. We krijgen weer een apocalyptisch visioen te horen, één van de indrukwekkendste, in betekenis één van de beslissende passages van het gehele boek, en in intensiteit een passage dat alles wat Nietzsche tot nu toe geschreven heeft overtreft:


Toen plotseling hoorde ik een hond dichtbij huilen. Hoorde ik ooit een hond zo huilen? Mijn gedachte liep de weg terug. Ja! Toen ik kind was, in vroegste kinderjaren, toen heb ik de hond zo horen huilen. En ik zag hem ook, de haren overeind, de kop omhoog, trillend, in stilste middernacht, wanneer ook honden geloven aan spoken; zodat ik medelijden kreeg. Juist immers ging de volle maan, zwijgzaam als de dood, over het huis, juist stond ze stil, een ronde gloed,- stil boven het platte dak, als boven vreemd eigendom. Dit sloeg de hond met ontzetting, want honden geloven aan dieven en spoken. En toen ik weer zo hoorde huilen, kreeg ik opnieuw medelijden.
Waar was thans dwerg gebleven? En poort?...Droomde ik soms? Schrok ik wakker?
Tussen woeste klippen stond ik ineens, alleen, ontredderd, in de meest verlaten maneschijn.
Maar daar lag een mens! En daar! De hond, opgesprongen de haren recht overeind, jankend, -nu zag hij mij komen- en hij huilde weer, hij schreeuwde: -heb ik ooit een hond zo om hulp horen schreeuwen?
En voorwaar, wat ik zag, zulks had ik nimmer gezien. Een jonge herder zag ik, zich kronkelend, kokhalzend, stuiptrekkend, met vertrokken gelaat, en uit zijn mond hing een zwarte zware slang.
Zag ik ooit zo veel walging en bleke afschuw op één gelaat? Hij had wellicht geslapen? En de slang was in zijn strot gekropen -en beet zich vast.
Mijn hand rukte en rukte aan de slang: -vergeefs! Ze rukte de slang niet uit de strot. Toen schreeuwde ik uit: 'Bijt! Bijt!
Haar kop! Bijt haar kop af!' -zo schreeuwde ik uit, al mijn afgrijzen, mijn haat, mijn walging, mijn medelijden, al het goed en kwaad dat in mij was, schreeuwde ik in één kreet uit.

O koenen om mij heen! O zoekers, verzoekers, en wie van jullie ook maar met listige zeilen zich inscheepte op ondoorvorste zeeën! O raadsel-blijden! Ontraadselt toch het raadsel dat ik toen schouwde, duidt me toch het visioen van de eenzaamste! Want een visioen was het en een vooruitzien: wat zag ik toen in een gelijkenis? En wie is hij die eens nog komen moet? Wie is de herder in wiens strot de slang zo kroop? Wie is de mens in wiens strot al het zwaarste, zwartste zo kruipen zal?
De herder echter beet zoals mijn schreeuw hem ried; hij deed een goede beet! Ver weg spuwde hij de kop van de slang, en sprong op.-
Niet meer herder, niet meer mens, -een veranderd wezen, door licht omstraald, dat lachte! Nog nimmer op aarde heeft een mens gelachen zoals hij lachte! O mijn broeders, ik hoorde een lach die niet de lach was van een mens-


De hond is in Nietzsches boek altijd een beeld geweest van de mens. In de Voorrede werd de Koorddanser, de man die de weg van het gevaar had gekozen, door de Priester een 'dode hond' genoemd, dwz symbool van wat te verachten is, omdat de manier van leven van een 'koorddanser' in gewisse dood eindigt. In II.18 (Van Grote Gebeurtenissen) kwamen we de 'vuurhond' tegen, een benaming die Zarathoestra gaf aan iemand die als gevolg van het lijden verandert in een blaffend en bijtend persoon, uit op wraak, vergelding en zich uitend in veel kabaal.
Deze keer betrekt Zarathoestra de hond op zichzelf; de mens is de jankende hond, een hond die hij in zichzelf hoorde toen hij het grootste huilen huilde in zijn vroegste kinderjaren. Ik bedenk niets anders dan dat Nietzsche met de episode van de hond op zijn eigen ervaring doelt van het overlijden van zijn vader, toen hij vijf jaar oud was. Een lijden zoals in deze gebeurtenis grift zich als een eeuwige brandwond op merg en been, en maakt een mens tot wat hij is. Zijn vader was als dominee de verpersoonlijking van de volle maan, dwz de garantie van het zonlicht, van de christelijke God. Zijn te vroeg overlijden deed de zon die hij representeerde door de mand vallen: de volle maan stond stil boven het huis, als boven vreemd eigendom: het was een vals licht.
Zarathoestra laat weten dat 's mensen gemoed door zulke ervaringen altijd op medelijden uitkomt. Het visioen vervolgt met te laten zien wat het eindstation is, de synthese, van zo'n leven gekenmerkt door de these lijden en de antithese medelijden. De mens die zo'n leven leeft beseft op een gegeven moment dat dit leven een uiterst angstwekkende ervaring is: "Tussen woeste klippen stond ik ineens, alleen, ontredderd, in de meest verlaten maneschijn." Dwerg, poort en spin (gedachtensystemen, dus het rationele begrijpen), verdwijnen in vergelijking hiermee volkomen in het niets. Het janken van de hond is bloedstollend, de existentiële ervaring van het leven is zó overweldigend dat het alles opslokt, alles beïnvloedt, alles bepaalt.

Dan komt het hoogtepunt, het visioen van de herder en de slang, dwz de ontredderde mens die een wanhopig gevecht aangaat en overwint. Het is duidelijk dat in de 19e eeuw voor alle lezers van Nietzsche een visioen van 'herder en slang in gevecht, herder overwint en is niet meer een mens, maar een veranderd wezen, door licht omstraald', natuurlijk aan het verhaal van Jezus en zijn overwinning op de Satan deed denken. De slang is in het christendom de Geest der Zwaarte opgevat als de zondigheid van de mens, die Jezus -de Goede Herder- op zich nam om erdoor aangevallen, gebroken en vermorzeld te worden. In deze mythologie is het God zelf die hem letterlijk weer uit de dood opwekt met een veranderd hemels lichaam, en een hemels bestaan. Nietzsche ziet in zijn eigen bestaan een dergelijk gevecht tussen een mens en de Geest der Zwaarte, dwz 'de moeder van alle gevechten', 'het gevecht der gevechten'. Men zou onmiddellijk de conclusie kunnen trekken dat voor Nietzsche deze slang de belichaming is van het traditionele christelijk geloof, waarin hel en verdoemenis, zondig zijn, en verboden en geboden centraal staan. Deze slang beroofde de mens van de waarde van het aardse leven, van al het aards geluk. Het afbijten van de kop van de slang is de zelfbevrijding van de mens die onder dat juk leeft. Maar de betekenis van het visioen gaat nog dieper. In hoofdstuk 13, De Genezende, legt hij uit dat hijzelf de herder is uit dit visioen, en de slang, de Geest der Zwaarte, staat voor het gevangen zijn in een eeuwige kringloop van hetzelfde, waaruit geen ontsnappen mogelijk is. De slang is voor Nietzsche niet het symbool van (christelijke) zondigheid, maar het symbool van de kosmische, overal bovenstaande wil, de geest der zwaarte waaraan geen mens -gelovig, ongelovig, of weer wat anders- kan ontsnappen. De slang is de 'stroom des levens' zelf, in de Hindoeïstische betekenis van kundalini, zoals we zullen zien in III.15.
Het afbijten van de kop ervan, dwz de slang overwinnen is gelegen in het gif uit de slang -uit het leven- weg te halen, iets wat Zarathoestra later in hoofdstuk 4 beschrijft als 'in alle afgronden mijn zegenend ja-zeggen meedragen' en 'het ontzaglijke en onbegrensde Ja- en Amen-zeggen', en 'het worstelen opgeven om een zegenende te worden'. In de traditioneel religieuze wereld zijn al deze zaken verondersteld te gebeuren door de inwerking van Gods Geest op de bekeerde, vrome mens. In Zarathoestra's wereld moet dit gebeuren door zelf 'tegen de wet van de zwaartekracht' in steeds hoger te klimmen, en zoals Zarathoestra het in het vorige hoofdstuk zei: 'en als jou voortaan alle traptreden ontbreken, moet je de kunst verstaan nog op je eigen hoofd te klimmen. Op je eigen hoofd en over je hart heen!' Vandaar dat Zarathoestra zijn tijd niet verdoet met verlangen naar een land van melk en honing, want er moeten reuzenhoge bergen beklommen worden, en het land van melk en honig moet zelf in de eigen geest geschapen worden.


Op welke manier de slang volgens Zarathoestra in de strot van Jezus kroop konden we lezen in I.6.