Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.3    Van de Zaligheid tegen Wil en Dank

Zarathoestra gevoelt tijdens zijn reis een mengeling van uiteenlopende emoties, waarvan hier een opsomming:
hij is een klimmer die steeds hogerop wil, hij houdt niet van stilzitten en vlakten, hij gelooft niet in toevalligheden, hij gelooft in zijn lot, dus in noodzakelijkheid, in wetmatigheden, hij gelooft dat top en afgrond (van het menselijk denken) in één besloten zijn, dwz elkaar ontmoeten, hij gelooft in grootsheid, hij gelooft dat het onmogelijke mogelijk is, hij gelooft in het klimmen zonder traptreden, hij gelooft in het afzien van zichzelf, dwz hardheid tegen zichzelf om veel te begrijpen en te bereiken, hij gelooft in moed als hoogste waarde, hij ervaart 'nachtelijke zwangere mismoedigheid' in zichzelf, maar weet die altijd te overwinnen, hij ervaart 'verlangen' naar liefde, maar weet er heer en meester over te zijn, dwz zelfs liefde op te geven om een hoger doel na te streven, hij verlangt naar verlossing in zichzelf, en wil al het andere verlossen, maar voelt zich machteloos, hij ervaart boosheid op zichzelf vanwege eigen onmacht en tegenstrijdigheden, hij ervaart dat liefde een obstakel kan zijn, hij ervaart dat zijn eeuwige en eerste impuls van liefde zelfs lachwekkend en zot is, hij ervaart de Geest der Zwaarte als een aartsvijand, hij ervaart de Geest der Zwaarte ook als de waarheid en als zijn compagnon, hij beziet zijn klimmen en streven als afmatting en zware zelfmarteling, hij beziet het diepste inzicht als een zware teneer drukkende droom, 'zo diep een mens in het leven ziet, zo diep ziet hij ook in het lijden', maar tenslotte ervaart hij 'moed die aanvalt': "Was dit het leven? Welaan! Nog een keer!" De kern en het hoogtepunt van deze moed is de worstelende mens met alles wat in hem leeft toe te roepen de kop van de slang af te bijten.

Wanneer hij op bovengenoemde laatste gedachte komt, het recalcitrante antwoord op het inzicht van de eeuwige wederkeer van alle dingen, spreekt hij dit positieve antwoord over het leven wel uit, maar is hij tezelfdertijd bevreesd voor zijn woorden. In het vorige hoofdstuk sprak hij uit: "Zo sprak ik, en aldoor zachter, want ik was bang voor mijn eigen gedachten en bijgedachten", en in dit hoofdstuk:


Nog nimmer heb ik jou te voorschijn durven roepen; genoeg was het reeds dat ik jou -meedroeg. Nog was ik niet sterk genoeg voor laatste leeuwenovermoed en leeuwenmoedwil. Ik achtte jouw zwaarte altijd vreselijk, maar eens zal ik nog de kracht vinden en de leeuwenstem die jou te voorschijn roept!


Deze uitspraak laat zien dat Zarathoestra begrijpt dat het visioen van de herder een voorstelling is van waar zijn leven op uitkomt, van waar het lot hem toe zal brengen, het visioen van hoe het hem in de worsteling met het leven uiteindelijk zal vergaan. Zijn uiteindelijke bestemming is: "...een veranderd wezen, door licht omstraald, dat lachte! Nog nimmer op aarde heeft een mens gelachen zoals hij lachte!" Het vorige hoofdstuk eindigde daarom in de uitroep:


En nu verteert mij een dorst, een verlangen dat nimmer wordt gestild. Mijn verlangen naar deze lach verteert me: o, hoe verdraag ik het nog te leven! En hoe zou ik het verdragen thans te sterven!


Het is interessant te overdenken hoe Zarathoestra deze verandering teweeg gebracht ziet komen door de kracht van de leeuw, maar hij eerder ook leerde dat de laatste verandering pas geschiedt wanneer de mens het stadium van de leeuw achter zich laat en tot kind wordt, waaraan de Stemloze Stem in de Stilste Stonde, dwz zijn diepste weten, hem nog eens aan herinnerde. Indien volwassen worden in denken juist de metamorfose tot kind inhoudt, vergt deze metamorfose ook leeuwenmoed, want tot kind worden is voor de volwassene het allermoeilijkst.

Met deze mengeling van kris-kras doorelkaar en op elkaar ingrijpende emoties vaart Zarathoestra vier dagen lang over zee. Maar de gezamenlijke uitkomst van al deze gevoelens is geenszins verward denken, maar eenduidig positief:


Maar toen hij vier dagreizen verwijderd was van de gelukzalige eilanden en van zijn vrienden, had hij al zijn smart overwonnen-: zegevierend en vast ter been stond hij weer op zijn noodlot. En toen sprak Zarathoestra tot zijn jubelend geweten:
Alleen ben ik weer en wil het ook zijn, alleen met klare hemel en open zee.
...Wat aan geluk nog onderweg is tussen hemel en aarde, dat zoekt zich nu tot onderkomen nog een lichte ziel: van geluk is thans alle licht verstild.


Zarathoestra overdenkt zijn missie, zijn nederdalen tot de medemens om metgezellen te zoeken, en herinnert zich dat ze niet te vinden waren, maar hij ze zelf moest scheppen. Hij 'voleindigt', 'voltooit' zichzelf nu ten bate van zijn 'kinderen', het nageslacht. Hij heeft geleerd eigenliefde te zien als 'teken van zwangerschap', dwz als middel een hoger doel te bereiken, de verstenliefde, de universele liefde. Het 'zichzelf voleindigen' klinkt vreemd, totdat men begrijpt dat Nietzsche slechts de taal gebruikte die Jezus zelf bezigde om zijn missie uit te leggen: [Zeg tegen Herodes:] "Let op, ik drijf demonen uit en vandaag en morgen genees ik mensen, en op de derde dag bereik ik de voltooiing." (Lucas 13: 32; de evangelist geeft hier een niet erg geslaagde verwijzing naar de opstanding van Jezus die drie dagen na zijn overlijden plaatsvond en Jezus' missie voltooide). Zarathoestra is er zeker van dat zijn missie voor het nageslacht grote gevolgen zal hebben. Nu lijkt het erop alsof zijn kinderen kasplantjes zijn, maar ver in de toekomst zullen het sterke bomen zijn die elke storm het hoofd zullen bieden, levende vuurtorens van onoverwinnelijk leven zullen het worden. (vgl. Mt 5:14 'Gij zijt het licht der wereld'), medescheppers en feestgezellen van Zarathoestra. "En omwille van hem en zijns gelijken moet ik mijzelf voltooien." Om deze missie te voltooien ontzegt Zarathoestra zich alle geluk dat hem ten deel zou kunnen vallen.