Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.4    Voor Zonsopgang

Hoofdstuk 4 van deel 3 is een hoogtepunt uit het gehele boek, het is wellicht de diepste kern van wat Zarathoestra zichzelf en de mensheid aan levenswijsheid wil leren. Hij doet dit in onovertrefbare schoonheid van taal. Hij doet het ook in religieuze bewoordingen en stijl op de manier die ik 'volwassen geloof' zou noemen.
Het is weer ÚÚn van die zeldzame teksten waarin Zarathoestra-Nietzsche slechts tegen zichzelf praat, en zichzelf -zoals men dat in een dagboek doet- opvallend blootlegt. De duidelijke parallel is het Nachtlied (II.9). Het Nachtlied had als thema de allesdoordringende liefde die de basis is voor Zarathoestra's optreden, maar ervaren werd rond een atmosfeer van pijn, van droefenis, van zoeken, van verlangen, van het niet toereikend zijn, culminerend in jaloersheid op ontvangers van liefde, zelfs een koppigheid of bitterheid liever het omgekeerde te mogen zijn van een gever en lichtbrenger. Maar in dit lied is Zarathoestra geestelijk verder gekomen. Er is geen zweem van droefenis en leed meer te bespeuren. Hij ervaart een uniek moment van extase, van niet eerder ervaren euforie. In het voorgaande noemde Zarathoestra het 'gelukzaligheid tegen wil en dank', omdat de gedachte aan de eeuwige herhaling van al het aardse -dus dat er letterlijk niets meer en niets anders is en nooit zal zijn dan al dit aardse waar we mee bekend zijn- hem angst inboezemde, en hem juist het tegendeel deed verwachten. Het vorige hoofdstuk eindigt met de woorden:


En hij wachtte op zijn ongeluk de ganse nacht: maar hij wachtte tevergeefs. De nacht bleef klaar en stil, en het geluk zelf kwam hem nader en nader.


Dus het omgekeerde van wat hij verwachtte gebeurde. Dit is wellicht het geheim van het leven: iemand die zich openstelt voor de gedachte dat het aardse bestaan goed is en onovertrefbaar -een opstelling die het gezond verstand tart-, zal door deze gedachte juist de zegen ontvangen waar hij zijn gehele leven het meest naar hunkert, namelijk de goedheid en onovertrefbaarheid van het aardse bestaan. Hij zal juist het omgekeerde ervaren van angst en somberheid. Op dezelfde manier werkt ook het omgekeerde denken -hetgeen overigens ook het gezond verstand tart-: de wereld als verdorven te beschouwen zal een verdorven wereld voor deze waarnemer laten zien (christelijk denken).
Het leven (de uitgestrekte hemel boven hem) doet hem slechts verlangen naar het goddelijke. Zijn ambities kennen geheel geen grenzen meer, woorden zijn nauwelijks toereikend om de grootsheid van zijn gevoelens uit te drukken. Als de kern van zijn leven ziet hij nu het oneindig zegenen van alles, het ja-zeggen tegen het gehele leven. Zarathoestra legde in hoofdstuk III.1 hetzelfde ook uit in andere bewoordingen: alles wat op je weg komt te beschouwen als zaken die 'naar huis komen', die bij je eigen Zelf horen, of, weer in andere bewoordingen (in II.18 Van Grote Gebeurtenissen) tot de conclusie komen dat 'het hart der aarde van goud is'. Het diepste inzicht kwam via het Visioen en Raadsel van hoofdstuk 2: de hoogste invulling van het menselijk bestaan is gelegen in het "de kop afbijten van de Geest der Zwaarte"; dit betekent de eeuwige wederkeer onder ogen te moeten zien en dit volmondig te aanvaarden, dwz zelfs te willen. Men verandert dan in "een wezen omstraald door licht, dat kan lachen". Iemands wezen wordt dan 'voltooid', dwz het daaropvolgend zegeningsproces kan niet groot genoeg uitgedrukt worden: "wolkenloos neerwaarts glimlachen uit lichtende ogen uit mijlenverre verte", "enkel vliegen wil heel mijn wil", "boven elk ding staan als zijn hemel, als zijn koepeldak".


Het woord "hemel" en ook de uitdrukking "eeuwige zekerheid" wordt door Zarathoestra opnieuw gedefinieerd. Hemel staat gelijk aan "vrijheid" en "blijdschap". Met vrijheid bedoelt hij te zeggen dat er geen "eeuwige wil" (persoonlijke God) boven alle dingen staat, maar Toeval, Onschuld, Onvoorzien, Overmoed de hoogste machten zijn waaraan men onderhorig is (dus al het omgekeerde van de traditionele religieuze dogma's). Waar het traditionele geloof de mens ogenschijnlijk verlossing aanbiedt, maar in werkelijkheid de mens onderhorig doet zijn aan goed en kwaad, aan schuld, aan dwang (noodzaak), aan doel en zin en laatste oordeel (dus de mens in boeien en ketenen legt), komt Zarathoestra met exact het tegenovergestelde: ogenschijnlijk heeft het leven met de dood van God de zin, het doel verloren, maar juist daarom komt voor de mens nu werkelijke verlossing: het maakt voor hem mogelijk het leven te bezien als vliegen en dansen, twee woorden die Zarathoestra graag in zijn mond neemt om de lichtheid, de blijdschap van dit verloste leven mee uit te drukken.






Zarathoestra wordt vˇˇr zonsopgang wakker, en beleeft de vroege morgenstond geheel in eenzaamheid onder de open hemel. 'In eenzaamheid ontwaken omgeven door de immense natuur' zet als het ware al het menselijke op de juiste plaats:


O hemel boven mij, o reine, diepe hemel! O afgrond van licht! Jou aanschouwend huiver ik van goddelijke begeerten.
Mezelf in jouw hoogte te werpen - dat is mijn diepte! Mezelf in jouw reinheid te bergen - dat is mijn onschuld!


Tot op de bodem van het leven komen staat gelijk aan de ervaring van de hoogste extase. In hoofdstuk II.22 schreef ik over de kosmische kracht die ons leven bepaalt:


De stem of kracht die telkens ingrijpt in Zarathoestra's leven, wordt door hemzelf betiteld als een vrouw, zijn meesteres. In Het Danslied noemde hij haar het Leven. Het leven is zijn meesteres omdat zij haar eigen gang gaat, haar wil tot macht opdringt aan Zarathoestra. Zij is dat wat redt wanneer er geen redding is. Zarathoestra noemde haar ook 'diep', 'peilloos', 'trouw', 'eeuwig', 'geheimzinnig'. Zelfs die benamingen worden door het leven weggeschaterd. In het Nachtlied is zij de stem die spreekt in de absolute stilte en donkerste duisternis. Zij is dat waar je uiteindelijk op stuit wanneer je naar de bodem van het bestaan reist. Zij is de uiteindelijke realiteit van het bestaan, de ontzagwekkende kracht van het leven. Men heeft het ook wel God genoemd, of Moeder Natuur. De uiteindelijke realiteit van het leven is deze: het leven verbergt zich voor de persoon die zich voor het leven verbergt. Voor hem die zelf het leven leeft met een masker op, heeft het leven een masker op, dwz is zij ongrijpbaar, ondoorgrondelijk.


Met een masker rondlopen in het leven betekent niet de bereidheid hebben tot op de bodem van het leven te willen gaan. Het masker opdoen (een eenzijdige kijk op het leven te hebben) is bedoeld om zich te beschermen, om de realiteit maar juist niet te hoeven zien. Maar zo iemand ervaart dat het leven ongrijpbaar blijft, en hij blijft immer in vertwijfeling en innerlijke benauwdheid zitten. Voortdurend drukt de Geest der Zwaarte op die mens. Het masker geeft hem illusies van goed en kwaad, van doel en zin en schuld, van slagen en mislukken, van weg ter hemel (verlossing) en ter helle (verdoemenis, voor eeuwig verloren gaan). Dit alles werkt als kwelling. In dit hoofdstuk zien we dat het tegendeel van de Geest der Zwaarte -dus werkelijke verlossing- bereikt wordt wanneer de mens zijn masker heeft afgezet, doodeerlijk is geworden, geen enkele pretenties meer heeft en het leven -dwz alles- slechts wil bevestigen. Men gaat dan 'voorbij goed en kwaad', de beroemde frase die in dit hoofdstuk voor het eerst voorkomt, en waarover Nietzsche in het jaar nadat hij Zarathoestra heeft afgeschreven nog een heel boek zal schrijven om het op een andere manier duidelijker te maken. 'Voorbij goed en kwaad' te gaan levert de ervaring op waar strijd, angst, onbegrip, agressie en duisternis wegvallen omdat men op een hoger niveau is gekomen. Het leven verandert in een afgrond van licht. Merk op hoe Nietzsche in de frases 'afgrond van licht' en 'in de hoogte werpen is mijn diepte' ook weer 'top' en 'afgrond' verenigt tot ÚÚn en hetzelfde, want vanuit het hogere perspectief is dit de werkelijkheid. Het masker afzetten staat gelijk aan de metamorfose tot kind, de laatste en hoogste gedaanteverwisseling die Zarathoestra noemde in de ontwikkeling van de mens (zie I.1). Dat dit zelfs geheel letterlijk zo is kan men opmerken door de gedachten die Zarathoestra in dit hoofdstuk uitspreekt te vergelijken met de gedachten die hij had als kind, opgesomd in II.11. Men zal zien dat ze in alles overeenkomen: het kind is "een wezen geschapen voor trouw (aan het leven) en tedere eeuwigheden", het ziet "goddelijke blikken en ogenblikken", het zegt: "Goddelijk zullen alle schepselen voor mij zijn! Alle dagen zullen heilig voor mij zijn". Wanneer de mens tot kind wordt, verandert het leven in onschuld. In II.11 betreurt Zarathoestra dat die oorspronkelijke onschuld en grote liefde voor het leven gaandeweg bezoeldeld en gedood werd; met het ouder worden wordt de mens als een kameel steeds zwaarder beladen en verliest hij de hoogste levenskracht (=de hoogste wil tot macht), namelijk het onvoorwaardelijk liefhebben van het gehele leven.
Boekgodsdienst is een voorbeeld bij uitstek van hoe een mens een masker opzet. In boekgodsdienst verdrinkt hij zich in een waterval van woorden (leerstellingen), in een spel waarin een mens zich, door er dagelijks op te oefenen, uiteindelijk tot de opvoerder van een toneelstuk maakt en zichzelf verliest. Ware godsdienst is niet over de juiste dogmatiek beschikken, maar precies het tegenovergestelde: het verstommen van alle woorden:


De god wordt verhuld door zijn schoonheid: zo verberg je jouw sterren. Jij spreekt niet: zo verkondig je mij jouw wijsheid.


Merk op hoe Zarathoestra, de goddeloze, opeens het woord god in zijn mond neemt. Voor het hoogste perspectief bestaat er nu eenmaal geen ander woord. God is het symbool voor 's mensen hoogste aspiraties en meest intense gevoelens. Maar merk ook op dat ware spiritualiteit juist inhoudt dat men over God zwijgt. God staat gelijk aan dat waar men niet over kan spreken, waarover men stil moet zijn, omdat het wezen van God onuitspreekbaar is, niet in woorden te vatten. Wanneer alle woorden verstommen, verdwijnen alle rationele gedachtensystemen, dwz is men tezelfdertijd godloos en dogmaloos. Al het spreken over God, doel en zin is volledig ontoereikend. Fundamentalisme in religie is de hoogste godslastering, omdat God met het invullen van dit begrip verkleind, verdraaid en vermenselijkt wordt. Modern fundamentalisme is het moderne equivalent van met godenbeeldjes rondlopen uit vroegere tijden. Athe´sme is vanuit deze optiek de hoogste spiritualiteit: zij doorziet ieder aankleden van God en beredeneren van het leven als een dwaasheid en is liever stil over God. Het verdwijnen van alle rationele gedachtenspinnen over het onuitspreekbare, voor de mens onvatbare, is een zegening voor de mens:


Dit is mijn zegenen: boven elk ding staan als zijn eigen hemel, als zijn koepeldak; goed en kwaad zijn slechts tussenschaduwen en vochtige triestigheden en jaagwolken. Een zegening is het en geen geen laster, wanneer ik leer:
'Boven alle dingen staat de hemel Toeval, de hemel Onschuld, de hemel Onvoorzien, de hemel Overmoed.'
Ridder 'Onvoorzien' -dat is 's werelds oudste adel, die ik hergaf aan alle dingen, die ik bevrijdde uit hun horigheid aan het doel.
Deze vrijheid en hemelse blijdschap zette ik, als azuren stolp, boven alle dingen, toen ik leerde dat geen 'eeuwige wil' boven alle dingen en door alle dingen heen wil.
Deze overmoed en zotheid zette ik voor die wil in de plaats, toen ik leerde: 'Bij alles onmogelijk is ÚÚn ding -verstandigheid!' O zeker, een beetje verstand, een zaadje wijsheid, gezaaid van ster tot ster, -deze zuurdesem is gemengd in alle dingen: om zotheids wille is wijsheid gemengd in alle dingen!
Een beetje wijsheid is wel mogelijk; maar deze zalige zekerheid heb ik gevonden in alle dingen: dat ze liever nog op de voeten van het toeval dansen.
O, hemel boven mij, o reine hemel! Hoge hemel! Dit nu is jouw reinheid, dat er geen eeuwige verstandsspinnen en -spinnenwebben zijn. Je bent een dansvloer voor goddelijke toevalligheden, een godendis voor goddelijke dobbelstenen en dobbelaars!


"Boven elk ding staan als zijn eigen hemel, als zijn koepeldak" is een versluierde manier van zeggen dat de mens zelf als God in het leven staat: hij schept zijn eigen universum, zijn eigen denk- en gevoelswereld. De mens bereikt het goddelijke door het bestaan te bezien vanuit goddelijk perspectief. Nietzsches filosofie in een notendop is opmerken dat de mens tot nu toe steeds overwegend negatief is bezig geweest, en dit religie noemde. Krachten van buiten en van boven -door de bijgelovige mens in de regel goden, demonen en geesten genoemd- leggen hun stempel op ons en wij gehoorzamen, reageren er slechts op, dwz we zijn re-aktief, reactionair, terugwerkend, lijdende voorwerpen. We beschuldigen onszelf, slaan onszelf teneer, verbieden, straffen en binden met geweld vast, of zijn volledig uitgeleverd aan onze passies, slachtoffers van onze eigen laaiende hartstochten. Lees weer I.6 waar hij het perfect uitlegt hoe het de mens vergaat die niet heer en meester over zichzelf is maar overweldigd wordt door het bestaan. De sleutel tot verlossing (en ware religie) is deze manier van leven opgeven en het om te draaien: het bestaan niet jou te laten bespelen, maar omgekeerd, jouw stempel op het bestaan te leggen, jouw wil aan het bestaan op te leggen, niet reaktief, maar aktief bezig te zijn, dwz zelf telkens de eerste stap doen en dus je eigen wezen en omgeving zelf scheppen. Dit kan gedaan worden door alles wat vijandig staat tegenover het leven af te zweren, en het bestaan op geen enkele manier meer als verdorven te zien, maar in plaats daarvan het te omarmen als iets waarmee men eeuwig zou willen doorgaan. Zarathoestra noemt het vijandelijke bewustzijn 'jaagwolken' (nee-zeggers), ook 'half-en-halven', dwz mensen die noch geleerd hebben te zegenen, noch te vloeken uit de bodem van hun hart (dus toneelspelers) of 'kattenrust' en 'zachtlopers' (luiaards, comfortzoekers, weifelaars). Ze bederven het uitzicht op de azuren hemel. De uitspraak "Zelfs mijn eigen haat haatte ik nog, omdat hij jou bevlekte" laat goed zien dat de vijand zich niet slechts bevindt in andere mensen die door de Geest der Zwaarte worden beheerst, maar ook in onszelf, want onze eigen gedachten van aversie tegen jaagwolken zijn op hun beurt ook weer een onderdeel van de jaagwolken. De frase "We zijn vrienden van begin af aan" stelt dat de mens als ja-zegger tegen het leven geboren wordt, en dit dus de kern van gezond mensenleven is, hetgeen we later na besmeurd en besmet geworden te zijn, weer moeten terugvinden. Dat Nietzsche met het bevlekken van het leven weer in het bijzonder het christelijk geloof op het oog heeft blijkt uit de zinssnede:


Maar je bloost? Heb ik iets onuitsprekelijks uitgesproken? Heb ik gelasterd terwijl ik wilde zegenen?


Voor de Boeddhist klinken Zarathoestra's woorden van euforie wellicht als het Europese equivalent aan de bevrijding van de wet van karma, wat de Boeddhist verondersteld wordt te kunnen ervaren als gevolg van 'verlichting'. Voor de Tao´st komt het overeen met de ervaring waarin de mens in volledige harmonie is met de stroom van Tao (het allesomvattende). In Tao´sme wordt bevrijding van de mens vergeleken met het wegvliegen van een vogel uit een kooi. Maar voor de christen is dit alles godslastering. Voor de christen is het het ondenkbaar dat een mens zijn eigen verlossing kan bewerkstelligen, dat hij vanuit een goddelijk perspectief de zaken kan bekijken, dat er geen plan aan de basis van alles ligt, dat er geen begin, hoogtepunt en einde van de geschiedenis is, dat de mens niet verdorven zou zijn, maar van nature in harmonie met de natuur leeft, dat er geen eeuwige wil alles in goede banen leidt. Het tragische van iemand als Zarathoestra is dat hij na eindeloos ernaar gestreefd te hebben eindelijk uitgegroeid is tot zegenaar, en eindelijk de hoogste invulling van zijn leven gevonden heeft, hetgeen men Bovenmens kan noemen, maar hiermee voor de vrome gelovigen een des te grotere godslasteraar is geworden, omdat hij in alles uitsluitend op eigen kracht steunt, , een God buiten hemzelf overbodig maakt, als autoriteit slechts zichzelf heeft en zichzelf dus in die zin tot God maakt. Er is geen compromis mogelijk tussen het denken van Zarathoestra en het denken van openbaringsgodsdiensten. De manier van leven zoals Zarathoestra het doet is exact hetzelfde als waar in het christelijk geloof slechts Jezus het recht toe heeft (en waar Jezus door de toenmalige vromen al voor veroordeeld werd, Joh. 5:18)!


Men moet echter oppassen van Nietzsche geen gnosticisme te maken, iets waar men zich gemakkelijk aan schuldig kan maken door zich vast te bijten op bepaalde frases en zinssneden in Nietzsches dichterlijk schrijven en het in te passen in modieus religieus denken van onze tijd. Nietzsche kan men 'religieus' noemen in de zin van 'het leven willen bevestigen', 'het bevestigen van waarden die persoonlijke gedachten, gevoelens en streven te boven gaan', 'het zoeken naar de hoogste mensheid', maar op geen enkele manier religieus in de zin van 'vereerder van een bovennatuurlijk Wezen'. Op dezelfde manier moeten we van hem geen New Ager maken (wellicht heb ik me er twee jaar geleden ook aan schuldig gemaakt in een commentaar op dit hoofdstuk), of oosterse mysticus, al hebben al deze denkrichtingen natuurlijk raakvlakken met elkaar. In dit hoofdstuk kunnen we bijvoorbeeld gemakkelijk 'natuurgodsdienst', 'harmonie in de natuur' lezen wanneer Zarathoestra tegen de hemel boven hem zˇ spreekt: "Ben jij niet het licht voor mijn vuur? Heb jij niet de zuster-ziel voor mijn inzicht?" Maar lees dan bovengenoemd boek Voorbij Goed en Kwaad door waar men de volgende woorden kan lezen:


'Wil je geheel volgens de natuur leven?' O, gij edele Sto´cijnen, wat een zwendelarij met woorden! Denken jullie nu echt dat een gegeven zoals de natuur -buitensporig, onbegrensd, onovertrefbaar onverschillig, doelloos, genadeloos, zonder rechtspraak, tezelfdertijd vruchtbaar, doods en onkenbaar- iets dat zo onverschillig is een wil heeft? Hoe zouden jullie volgens deze onverschilligheid kunnen leven? Is het leven niet juist exact het omgekeerde van onverschilligheid? Is leven niet waardeoordelen maken, dingen prefereren, onrechtvaardig zijn, begrensd zijn, iets anders willen zijn? En wanneer jullie eis "Leef volgens de natuur" slechts hetzelfde betekent als "leven volgens de regels van het leven", waarom is dat voor u zo moeilijk? Waarom moet u een principe maken van iets dat u noodzakelijkerwijs al bent en moet zijn?

De waarheid over u is geheel anders: terwijl u zich voordoet als mensen die in extase zijn wanneer ze geconfronteerd worden met de canon van de natuurwetten, wilt u in werkelijkheid het tegengestelde hieraan. U bent acteurs en zelfbedriegers. Uw trots wil uw natuur, uw moraal en uw idealen aan de natuur opleggen. U verlangt dat de natuur in overeenkomst met de Sto´cijnen is, en u zoudt willen dat het gehele bestaan zich schikt naar het beeld dat u ervan maakt, dwz een grootse en eeuwige glorificatie en universaliteit van het sto´cijnse denken. (ž 9)


Voor Zarathoestra betekent het ja-zeggen tegen het leven ook niet dat we in de best mogelijke wereld leven, alsof alles goed te praten is. Hij leert zelfs uitdrukkelijk het tegendeel in III.11. Ook hier in dit hoofdstuk laat hij zien dat hij niet die leer aanhangt: "Wie niet kan zegenen, moet leren vloeken -deze klare leer viel me toe uit klare hemel, deze ster staat ook in zwarte nachten nog aan mijn hemel." Het vervloeken van bepaalde zaken is de stimulant om het te overwinnen, om het onschadelijk te maken, er een eind aan te maken, dus het streven naar de Bovenmens, dus iets positiefs. Boven het vervloeken van kwalijke zaken staat dus de hogere traptrede van het bevestigen van het leven: "Lange tijd worstelde ik en was ik een worstelaar, opdat ik eens de handen vrij kreeg om te zegenen."


De wereld is diep, dieper dan de dag zich ook gedacht heeft. Niet alles mag ten overstaan van de dag worden verwoord.


De eerste zin zal nog meerdere malen worden herhaald. Het is een nieuwe wijsheid die wordt opgedaan wanneer men het masker afzet. Het masker, de eenzijdige kijk op het leven leert bewust de helft van het leven te negeren. Het masker afzetten is de nachtzijde zien, de peilloze diepte in te gaan, maar tegelijkertijd betekent het ook het gehele leven te doorgronden, alles te erkennen en aanvaarden als tot het geheel behorend, en daardoor kunnen opstijgen tot op ongekende hoogte: "Uit het diepste moet het hoogste tot zijn hoogte komen" (III.1). Maar dit is een wijsheid die men eigenlijk niet uit mag spreken tegen de dag: de dagwijsheid van de mens begrijpt de wijsheid van de nacht niet. In de volgende hoofdstukken spreekt Zarathoestra weer uitsluitend over zijn dagwijsheid, oftewel treedt hij op met de geest van de leeuw.