Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.5    Van de Kleinmakende Deugd

Na de euforie die Zarathoestra in eenzaamheid in zichzelf beleeft in het vorige hoofdstuk, moet hij de omringende mensenwereld weer onder ogen zien. Hij komt weer aan op het vasteland en gaat via omwegen weer naar zijn grot terug. Dit doet hij om te weten te komen hoe het met de tegenwoordige mensheid gaat. Het is opvallend hoe dit hoofdstuk in scherp contrast staat met het vorige. De wereld van de afgrond van licht in het vorige hoofdstuk, die Zarathoestra in alle eenzaamheid gevonden heeft, en aan de andere kant de omringende maatschappij waarin hij leeft (die gekenmerkt wordt door jaagwolken die de blauwe lucht bedekken), hebben geen raakvlakken. Telkens wanneer Zarathoestra tot anderen spreekt heeft hij totaal geen weet van zijn hoogste wijsheid, het 'wolkenloos neerwaarts glimlachen uit lichtende ogen', het onbegrensde ja- en amen zeggen, het zegenen van al het bestaan. De hoogste wijsheid is ten diepste een zalige rust in het ontzagwekkende dat boven de mens staat, de kosmische wil. Het is een nachtwijsheid die hij voor zichzelf gevonden heeft en waarover hij tegen anderen niet rept omdat men het niet zal verstaan, niet kan begrijpen, alles zal verdraaien. Tegen anderen spreekt hij altijd de dagwijsheid, dwz laat hij de individuele, autonome wil spreken, die nooit aflaat op te roepen tot het daadwerkelijk voortstuwen van de menselijke ontwikkeling in de richting die hijzelf voor ogen heeft. De dag- en nachtwijsheid hebben hun parallel in de vroegere theologische noties waar men aan de ene kant een ondoorgrondelijke, onbewogen godheid zag, waar alles in samenkomt en rust, in wiens schoot een mens zaligheid kan ervaren en eenvoudig mag 'zijn' (de schepping waarvan God zei dat het voltooid en goed was), en aan de andere kant voortdurend het appl op de mens deed om zich te bekeren, om zich daadwerkelijk in te zetten voor het goede, om altoos te 'worden'; het laatste had zijn parallel in wat men 'heilsgeschiedenis' noemde, het zogenaamd aktief ingrijpen van God en volvoeren van zijn plannen in de menselijke geschiedenis. Dezelfde paradox waar gelovigen mee te kampen hebben zien we in het denken van Zarathoestra.
Zarathoestra's optreden is het moderne equivalent van het optreden van Paulus; zijn oproepen tot de Bovenmens is als Paulus' oproep tot bekering tot Christus; het is de uiting van hun wil tot macht, de kracht van de autonome wil die niet in te tomen is, zelfs niet nadat men ook de wetmatigheden van de eeuwige wederkeer (de eeuwige beschikking) onder ogen ziet. De wil tot macht van mensen als Paulus en Zarathoestra kent geen grenzen, maar wil de hele wereld aan hun voeten leggen. De ogenschijnlijk autonome wil bindt onvervaard de geestelijke strijd aan met alles wat tegenwerkt. Ze zijn aktief bezig de toekomst van de gehele mensheid te scheppen. Tegelijkertijd zijn ze overtuigd van het gedetermineerde van alles. Ze doen slechts wat ze niet laten kunnen, en geven aan hun autonome wil de innerlijke geestelijke kracht door het te funderen op vermeend inzicht in de wetten van noodzakelijkheid, en hun wil te zien als de totale vereenzelviging hiermee. De christen put zijn zekerheid uit vermeende vereenzelviging met de wil van God; Zarathoestra's zekerheid om zijn geloof uit te dragen groeit uit vermeend inzicht in en vereenzelviging met de onverbiddelijke werking van de natuur. Deze geloofszekerheid behoort vanouds tot het spel van de wil tot macht. Het is om de tegenwerkende krachten te imponeren, te ontmoedigen, en uiteindelijk te overwinnen. Ik noem het een spel omdat zowel het inzicht in het allesomvattende als het geloof in de vrije wil een door het menselijke denken geschapen fantasie is, en men ze, naar gelang men de n of de ander nodig heeft, als het ware met een knopomdraai kan aan- of uitzetten en het leven dan afwisselend kan bezien vanuit de hoogte, het eeuwige, goddelijke perspectief (het vorige hoofdstuk), of vanuit het dichtbijzijnde, het nabije, het puur menselijke. Nietzsche zelf schrijft er het volgende over in Voorbij goed en kwaad:


Gesteld dat iemand het lompe simplisme van dat beroemde begrip 'vrije wil' heeft ontdekt en het uit zijn hoofd zet, dan verzoek ik hem nu zijn 'verlichting' nog een stap verder voort te zetten en ook de omkering van dit wanstaltige begrip 'vrije wil' uit zijn hoofd te zetten, dwz de 'onvrije wil'...ook de 'onvrije wil' is mythologie: in het rele leven gaat het slechts om sterke en zwakke willen. (21)


Nietzsche vervolgt bovenstaande paragraaf door erop te wijzen dat de ene of andere overtuiging toegedaan zijn niet zozeer met 'de waarheid' te maken heeft, maar bijna altijd een symptoom is van waar het iemand aan mankeert, dwz het laat slechts onze persoonlijke gesteldheid zien. Door het n of het ander naar voren te brengen verraadt de persoon zichzelf: aanhangers van de vrije wil zijn het omdat ze voor geen prijs 'menselijke verantwoordelijkheid' of 'geloof aan zichzelf', of 'aanspraak op eigen verdiensten' willen prijsgeven, terwijl aanhangers van het omgekeerde verantwoordelijkheid juist van zich af willen schuiven, nergens schuldig aan willen zijn, en zij hebben het -uit innerlijke zelfverachting geboren- verlangen zichzelf op iets anders te kunnen afwentelen. Allebei de zienswijzen zijn interpretaties, deelwaarheden, een bepaald perspectief van waaruit men de realiteit bekijkt. Vandaar dat Nietzsche het eerste hoofdstuk van Voorbij goed en kwaad besluit door de psychologie uit te roepen tot meesteres over de overige wetenschappen. De antwoorden op de fundamentele probleemstellingen liggen in de psychologie (23).
Vanuit de hoogte bezien bestaat er slechts harmonie en wordt de menselijke wil ontmaskerd als een illusie, en leidt het tot verstomming van alle woorden (in Aldus sprak Zarathoestra gesymboliseerd door stilte, de nacht, het donker, de zee, de hemel). Maar van dichtbij bezien lijkt de menselijke wil juist allesbepalend en uit die zich in een stroom van allesverzengende profetische woorden en stellingnames (in Aldus sprak Zarathoestra gesymboliseerd door wilde omstuimigheid, de dag, het licht, het land). Nietzsche gaat in zijn boek de hele tijd van het ene op het andere perspectief over. In II.1 vergeleek hij zich met een rivier die uiteindelijk zijn weg vindt naar de zee: door het uiterste van de menselijke geest te eisen stijgt het op tot goddelijke hoogten, hetgeen betekent een steeds dieper zicht krijgen op de realiteit van het leven, het erkennen van de kosmische wil, het determininsme, het ontbreken van een persoonlijke God en een uiteindelijk doel, en hetgeen automatisch gepaard gaat met vervreemding van de kudde die de realiteit het liefst zoveel mogelijk verkleint en zich altijd het liefst met illusies tevreden stelt. In dt hoofdstuk vergelijkt hij zich met het omgekeerde: een rivier die terugvloeit naar de bron, dwz de terugkeer tot het oorspronkelijke menszijn, tot communicatie met de kudde, tot het voor iedereen verstaanbare. Wanneer Zarathoestra zich op het land bevindt regeert de autonome wil tot macht (dwz macht over de medemens), wanneer hij zich op zee bevindt regeert de kosmische wil tot macht, dwz het onderworpen zijn aan een hogere macht die boven de mens staat. De autonome wil tot macht is de leeuw in de mens, de overgave aan de kosmische wil het worden tot kind. De leeuw treedt op met vuur en machtsvertoon en preken, gevoelens van walging en zelfs wraakgevoelens, maar de wil van het kind kent geen wraak en walging meer omdat het niet uit is op verovering en machtsuitbreiding en confrontatie met de vijand. De leeuw klaagt aan en breekt af, het kind zegent en schept nieuw.

De ervaring die Zarathoestra opdoet in de volgende confrontatie met de maatschappij is net als zijn eerste optreden bijzonder ontmoedigend. Zarathoestra heeft al meerdere malen verzucht dat er geen oren zijn voor zijn boodschap. Hij leeft zijn leven als de eenzaamste mens. In deel 1 zagen we echter dat hij discipelen maakte. Maar in deel twee zagen we hem alweer zijn hoofd schudden om hen: het zijn slechts gelovers, dwz mensen die een ander achternalopen omdat ze zichzelf nog niet hebben gevonden, en mensen die de zaken in de regel verdraaien, omdat hun oogmerk niet de waarheid op zich is, maar ze slechts hun idool vereren. De meeste mensen die met lof aankomen hebben hun eigen stokpaardje en proberen Zarathoestra slechts voor hun karretje te spannen.
Wat het brede publiek betreft ondervindt Zarathoestra geen enkel begrip. Hij geniet nu wijdverspreide bekendheid, maar vanwege zijn scherpe woorden van afkeuring van menige zaak die de moderne mens kenmerkt -zijn gemakzucht, zijn tamheid, zijn kleinheid- moeten de mensen niets van hem weten; ze zien hem als een onweerswolk. Dus precies eender als hij hen ziet ('jaagwolken' die het uitzicht op de blauwe hemel bederven). Vanwege zijn ongeloof in God zien ze hem als een gevaar voor kinderen. Precies zoals Zarathoestra de Laatste Mens als decadent beschouwt en dus als een gevaar voor de toekomstige mensheid. De citaten die Zarathoestra geeft van commentaar op zijn persoon heeft Nietzsche misschien letterlijk over zichzelf horen zeggen: "Haalt de kinderen weg! Zulke ogen verzengen kinderzielen.", roept een vrouw. Het omgekeerde wat de massa altijd over Jezus zegt, en dus de totale verwerping (oftewel de totale verdorvenheid) van Zarathoestra symboliserend. In alles is Zarathoestra het tegendeel van zijn omgeving. Hij lijdt eronder, maar geeft -net als Paulus- nooit ook maar n centimeter grond waarop hij staat op. Nietzsche is een meester in sarcastische opmerkingen die precies tot op het bot insnijden. In Menselijk, al te menselijk (2.1.313) staat een bondig aforisme dat als commentaar op bovenstaande uitroep van de vrouw zou kunnen dienstdoen: "Men zal de menigte niet eerder tot hosanna-geroep brengen dan wanneer men op een ezel de stad binnenrijdt." [en dat zal het laatste zijn waar hij zich aan zal bezondigen!, is de strekking van deze gedachte, want 'ezel' is synoniem voor 'domheid'.]
In dit en de volgende hoofdstukken tot aan hoofdstuk 13, de Genezende, zien we hem weer op precies dezelfde felle manier optreden als we al zo vaak hebben gezien in deel 1 en de eerste helft van deel 2, maar zonder nieuwe leringen te geven. Hij lijkt nu op de oudtestamentische profeet die niet meer oproept tot bekering, maar slechts het komende oordeel aankondigt dat onafwendbaar is. Hij klaagt de moderne mens aan als slechts uit op een gezapig, kleinburgerlijk leven van behaaglijkheid, uitmondend in armetierigheid en onvruchtbaarheid. Hij ziet als kern van het onbegrip bij het publiek alle kenmerken die hij gaf van 'de laatste mens': men streeft slechts comfort na, zo weinig mogelijk inspanningen, en beschikt over een 'kleine deugd'. Zelfs een zweempje zelfbeklag zoals we het in deel 2 tegen kwamen steekt hier weer zijn kop op: "Ze spreken allen over mij wanneer ze 's avonds om het vuur zitten, -ze spreken over mij, maar niemand denkt aan mij."

De mens behept met de kleinmakende deugd is de mens die in zijn ontwikkeling blijft steken in de fase van het beladen te worden als kameel. Hij blijft erin steken omdat hij goed de kunst verstaat immer een zo'n klein mogelijke last op zich te nemen en te hoeven dragen, zodat bij hem nooit de behoefte opkomt tot uitgroeien tot Leeuw en nog later tot Kind. Bij hem ontstaat nooit de drang tot bevrijding en tot uitgroeien tot iets groters en hogers, omdat zijn hoogste streven het zichzelf ontzien, sparen en voorzien van gemak en comfort is. Hier een opsomming van de vernietigende aanklachten die Zarathoestra tegen de moderne mens heeft:
-De moderne mens is als een kleine ergernis wiens grootste kwaad slechts het stekelig zijn als een egel is, dus een volledig gedresseerd, mak en tam wezen.
-De meeste mensen weten niet wat willen is, maar worden slechts gewild.
-De moderne mens weet slechts kabaal te maken om Zarathoestra's leringen, en spreidt er een mantel over uit om het weg te moffelen en tot zwijgen te brengen. Men is dus niet in staat om de zaken te doordenken, interessert zich niet voor probleemstellingen, houdt niet van kritische opmerkingen en oproepen om alles anders te doen. Men is niet genteresseerd in argumentatie, maar hoest slechts om Zarathoestra's woorden maar onverstaanbaar te maken. Religieuze waarheden staan boven alle kritiek en argumentatie verheven. Het is een kwestie van geloven zegt men altijd, en hiermee houdt het denken en de discussie op.
-Men loopt, maar het lopen is als strompelen.
-Men zegt zich op de toekomst te richten, maar kijkt de hele tijd achterom, dwz dient de aloude tradities.
-De kleine deugd beschikt over veel woorden die leugenachtig zijn. "Ik dien, jij dient, wij dienen' - zo bidt hier de huichelarij van hen die heersen [dwz de geestelijke leiders], en wee indien de eerste heer enkel de eerste dienaar is!"


Zoveel goedheid, zoveel zwakheid zie ik. Zo veel gerechtigheid en mededogen, zo veel zwakheid. Rond, rechtschapen en goedig zijn ze met elkander, zoals zandkorrels rond, rechtschapen en goedig zijn met zandkorrels.
Bescheiden een klein geluk omarmen -dat noemen zij 'overgave'! En tegelijk scheelogen ze bescheiden reeds naar een nieuw klein geluk.
Ze willen in hun onnozelheid eigenlijk n ding het meest: dat niemand hun pijn doet. Dus zijn ze tegen eenieder voorkomend en doen hem wel.
Maar dit is lafheid, ook al heet het 'deugd'.


Het is zeer gemakkelijk dit alles te zien als een aanval op de kleinburgerlijke christenmoraal van de 19e eeuw. De lezer van vandaag zou zich kunnen afvragen wat er nu scheelt aan deze vorm van leven. Wat is er mis aan 'goedigheid', 'ik dien, jij dient, wij dienen', aan mededogen jegens het zwakke, aan het bescheiden een klein geluk omarmen, wanneer ze oprecht worden beleefd en daadwerkelijk in de praktijk worden gebracht en bovendien niet voortkomen uit gedeesdheid, kruiperigheid, gehoorzaamheid en onderdanigheid, maar deze zaken nagestreefd worden met de aristocratie van iemand die zijn weg bewandelt? In Nietzsches tijd had de christelijke moraal het monopolie en mondde het daarom uit in ontstellend veel huichelarij, het toneelspelen van deze deugden. In onze moderne tijd liggen deze zaken echter geheel anders. Ik beleefde mijn vroeger christen-zijn altijd als een tegen de stroom inzwemmen waar moed voor nodig was. Men heeft er lef voor nodig deze christelijke deugden aan de dag te leggen. Zo bezien veranderen deze kleine deugden in het moderne klimaat van de maatschappij juist weer in grote deugden, want wat Nietzsche in de eerste plaats beoogt is mensen te zien die in staat zijn werkelijk karakter te tonen. Het is daarom niet verwonderlijk dat sommige moderne christenen deze teksten van Nietzsche lezen alsof het woorden zijn te vergelijken met de oudtestamentische profetische boodschappen. De woorden van Nietzsche zijn in onze tijd nog steeds van toepassing op een bepaald slag gelovigen wanneer men zich in een vrome omgeving bevindt, maar ze zijn evengoed van toepassing op een bepaald slag moderne door en door geseculariseerde mensen, wanneer men drdoor omringd wordt. Zelf voel ik zeer sterk dat 'de goddelooste' en 'de vroomste' als het ware synoniemen van elkaar zijn, of anders gezegd, dat religieus en athestisch elkaar op een belangrijker punt dan waarover ze met elkaar kibbelen op dezelfde plaats tegenkomen. Nietzsche en vele andere mensen met een achtergrond van 'ooit eens gelovig' ervaren juist dit (Bonhoeffer heeft dit goed onder woorden gebracht). Het is de ervaring van een eigenaardig samenkomen van gemengde gevoelens, ervan afhangend of men met 'vroom christelijk geloof' geconfronteerd wordt of juist met de grove afwezigheid ervan. In het eerste geval verander ik in de ogenschijnlijk goddeloze Zarathoestra die zo spreekt:


'Vervloekt al de duivels die in jullie zijn, die zo graag willen kermen en de handen vouwen en bidden.'
Dan roepen zij: 'Zarathoestra is goddeloos'. En vooral roepen zulks hun leraren van overgave-: maar juist hen schreeuw ik met plezier in het oor: 'Ja! Ik ben Zarathoestra, de goddeloze!' Deze leraren van overgave! Waar het maar klein en ziek en schurftig is daar kruipen ze heen, als luizen.
Welaan! Dit is mijn preek voor hun oren: ik ben Zarathoestra, de goddeloze, die spreekt: 'Wie is goddelozer dan ik, dat ik me kan verheugen in zijn onderricht?' Ik ben Zarathoestra, de goddeloze: waar vind ik mijns gelijken, die zichzelf hun wil geven en alle overgave afleggen? Ik ben Zarathoestra, de goddeloze: ik kook elk toeval nog in mijn pan. En pas wanneer het gaar gekookt is, heet ik het welkom, als mijn spijs. En voorwaar, menig toeval kwam bazig tot mij: maar baziger sprak tot het toeval nog mijn wil, -en daar lag het al smekend op de knien.


In het tweede geval verander ik in de ogenschijnlijk religieuze mens die opkomt voor het eerbiedigen van het leven (=God), oproept tot de Bovenmens en het overwinnen van de zieke mens, en zie ik dat veelal in de kleuren die Jezus hier aan gaf. Het ouder worden is een kwestie van volwassen worden: je eigen weg gaan, je eigen eerlijke gedachten eerbiedigen, je eigen wil tot macht tot het uiterste opvoeren:


Opdat een boom echter groot wordt, daartoe wil hij om harde rotsen harde wortels slaan!


Voor mij en vele andere mensen betekent het alle mythologie en dogma's van het christendom, inclusief de God die het predikt, van me afwerpen omdat de antieke denkbeelden niet kunnen samengaan met moderne kennis en mondig menszijn, maar tezelfdertijd wel menselijke idealen hoog blijven houden. Ten diepste hebben Nietzsches teksten een vreemde manier van werken als de ultieme vroomheid voor de moderne mens. Hij ergerde zich aan luiheid, tamheid, oneerlijkheid en halfbakkenheid, karakterloosheid, klakkeloos geloof en levenswijze die wordt gevoed door sleur en routine. Nietzsche komt altijd op voor het doodeerlijk en waarachtig (echt) zijn, het nee durven zeggen tegen de meerderheid, en alles dienstbaar maken aan het zoeken naar het hoogste menszijn, allemaal kernbegrippen die we ook in het gezondste religieuze denken tegenkomen:


'Het loopt wel los' dat is ook een leer van overgave. Maar ik zeg jullie, o behaaglijken: het loopt tegen en zal al meer en meer jullie tegenlopen! Ach, dat jullie het halve willen toch aflegden en vastbesloten waren tot traagheid zowel als daad! Ach, dat jullie mijn woord toch begrepen: 'Doet voor mijn part wat jullie wilt, -doch weest eerst mensen die tot willen bij machte zijn!' 'Hebt voor mijn part jullie naasten lief gelijk jezelve, -doch weest eerst mensen die zichzelf liefhebben.


Merk op hoeveel cursieve woorden hier staan: Nietzsche preekt in dit hoofdstuk als de beste dominee het op de kansel zou kunnen doen. Op het eind van zijn kostelijke preek moet hij zich er echter van frustratie bij neerleggen: er is geen manier om de boodschap over te brengen, om de zaken duidelijk te maken, om de mensheid daadwerkelijk te veranderen. Hoeveel hij ze ook door elkaar rammelt en hoezeer hij ze ook probeert wakker te schudden, er komt geen beweging in, men blijft doof:


Maar wat praat ik waar niemand mijn oren heeft! Het is nog een uur te vroeg voor mij. Mijn eigen voorloper ben ik onder dit volk, mijn eigen ochtendkraaien door donkere stegen. Doch hun uur komt! En ook het mijne komt! Met het uur worden ze kleiner, armetieriger, onvruchtbaarder, -armetierig kruid! armetierig aardrijk!.
En spoedig zullen ze erbij staan als dor gras en steppe, en voorwaar! zichzelf beu -en mr nog dan naar water smachtend naar vuur! O gezegend uur des bliksems! O geheimenis vr de middag!- Lopende vuren zal ik eens nog van hen maken en verkondigers met vlammende tong: verkondigen zullen zij eens nog met vlammende tong: hij komnt, hij is nabij, de grote middag!


Het is hier van groot belang op te merken dat Zarathoestra's toekomstbeeld in dit hoofdstuk nu niet over de komst van de Bovenmens rept als toekomstideaal. De Bovenmens als ideaal zou men het Zarathoestra-alternatief voor het aloude hemelse leven, het hiernamaals, kunnen noemen. Het ligt voor eeuwig in het verre verschiet, net weer iets hoger dan men kan bereiken. Bovendien heeft Zarathoestra allang ingezien dat preken over de Bovenmens voor de toehoorders uit zijn tijd geen enkel nut heeft. Hij ziet zijn tijdgenoten als mensen aan wie de prediking over de Bovenmens niet meer besteed is. Hij heeft het nu over de nabije toekomst, in de Wil tot Macht noemt hij een tijdsbestek van 200 jaar, dwz de 20ste en 21ste eeuw. De moderne mens zal steeds meer in de Laatste mens veranderen, zich steeds minder willen inspannen, zich steeds meer willen ontzien, steeds meer zoeken naar comfort, gemak en vertier, maar tezelfdertijd zal er een nieuw innerlijk vuur en een nieuwe cultuur ontstaan. De oude cultuur zal langzaamaan verpieteren en de nieuwe cultuur zal zijn stempel steeds zwaarder op de maatschappij drukken. Zarathoestra geeft aan zijn optreden nu de benaming 'geheimenis vr de middag', dwz het inluiden van 'de eindtijd' voor het christelijk tijdperk: zijn woorden zullen in de toekomst gelezen worden door mensen die zichzelf in dorre steppen van een afstervende christelijke cultuur zien staan; zij zullen er dan door aangestoken worden en in laaiende vuren en vlammende tongen veranderen. Dit zal met grote conflicten en oorlogen gepaard gaan, maar voor hem staat de uitkomst vast: zij zal een nieuwe bladzijde omslaan in de geschiedenis van de mensheid. Hij noemt het moment van de geboorte van de nieuwe cultuur 'de Grote Middag'. Men vergelijke de term met de wederkomst van Christus en het duizendjarig rijk voor de christenen. Het is een apocalyptisch motief, waarin zowel oordeel over het oude als de schepping van het nieuwe mee aangeduid wordt, een eenmalige, unieke gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid.
'Het nabije Grote Middaguur' is het moment van de ondergang van het traditionele vrome denken van de openbaringsgodsdiensten, en de schepping van een volkomen nieuwe denkwereld, waarin de mens centraal zal staan. In Ecce Homo geeft Nietzsche een uitleg van 'het Grote Middaguur':


Mijn taak is het toebereiden van het moment dat de mensheid zijn hoogste bewustwording bereikt, het moment van het Grote Middaguur, waarop de mensheid zijn blik zowel achteruit als vooruit werpt, zich bevrijdt van de macht van het toeval en van de religieuze leiders, en voor het eerst als gehele mensheid de vragen waarom? en waartoe? stelt. Deze taak volgt noodzakelijkerwijs uit het inzicht dat de mensheid niet maar automatisch op de goede weg zit, dat de mensheid in het geheel niet goddelijk bestuurd wordt, maar dat juist in zijn heiligste waarden de negatie, degeneratie en dekadent denken geregeerd hebben.


Het Grote Midden van de Dag (= het moment waarop de zon het hoogst staat en de schaduwen het kortst zijn) is in andere woorden het moment dat de mensheid volwassen wordt, dwz het juk van traditionele godsdiensten aflegt, en voor zichzelf rationeel de toekomst gaat scheppen. Vanaf de tijd dat alle goden voor mensen dood zijn zal de mens zijn schuldgevoel kwijtraken, zelf zijn goed en kwaad, zijn wereld, moeten scheppen. Vanaf die tijd zal de mens eindelijk zichzelf en het leven lief meten hebben, als zijn eigen God meten optreden, zin en doel zelf moeten scheppen, verantwoordelijkheid voor al het leven zelf moeten nemen, in een leeg heelal zijn moed moeten opvoeren tot ongekende hoogte, zich inspanningen moeten getroosten om daadwerkelijk aardse verlossing te bereiken. Het Grote Midden van de Dag zal komen wanneer de mensheid bij nieuwe wetstafelen zal gaan leven, waarvan Zarathoestra in III.12 het ontwerp geeft.
Christenen wachten nog steeds op een toekomstige eindtijd en de verschijning van de antichrist, maar in de persoon van Nietzsche zijn ze allebei geheel letterlijk al gekomen.


Wanneer het Grote Middaguur in een individu wordt ervaren noemt Nietzsche het De Grote Vrijmaking, dwz het zich losmaken uit de ketens van de traditionele openbaringsgodsdiensten. De tekst over de Grote Vrijmaking is te vinden in het voorwoord tot Menselijk, al te menselijk (een jaar na het afmaken van Aldus sprak Zarathoestra geschreven). Het is een onderdeel van een uitvoerige en meesterlijke tekst waarin Nietzsche met zijn intellectuele eerlijkheid tot het uiterste gaat, en ons daardoor het meest verhelderende antwoord geeft op het waarom van zijn tegenstrijdigheden in inzicht en overtuigingen. Alles wat hij schrijft is zijn persoonlijke Pelgrimsreis naar Volwassen Geloof, de reis die miljoenen moderne mensen maken van een oorspronkelijk kinderlijk vertrouwen op de openbaringsgodsdienst naar mondig individueel denken. Het is een reis naar volwassen geloof omdat met de ondergang van de openbaringsgodsdiensten het begrip 'absolute waarheid' verdwijnt. Alle overtuigingen en zienswijzen zijn van nu af aan voor altijd perspectivisch, dus subjectief gekleurd, slechts op de wil van het individu berustend. In plaats van gehoorzaamheid aan een of andere autoriteit (het onvolwassen zijn) zal ieder individu in zijn leven een persoonlijk gevecht moeten leveren om tot zijn eigen inzichten te komen, zijn eigen wil te eerbiedigen, zich eerst uitend in negatie (het afzweren van bijgeloof en opgelegde leringen) en dan positief in het opbouwend bezig zijn in het leven. Ik laat het hier in zijn geheel volgen:


Voorwoord Menselijk, al te menselijk
1
Men laat mij vaak met opgetrokken wenkbrouwen weten dat al mijn werken een gemeenschappelijke, kenmerkende eigenschap hebben: zij zouden stuk voor stuk, zo zegt men, strikken en netten bevatten voor onvoorzichtige vogels, en bijna voortdurend een bedekte uitnodiging zijn om gewone waarden en gewaardeerde gewoonten om te keren. Wat? Alles alleen maar -menselijk-al te menselijk? Met deze verzuchting zou men mijn boeken dichtslaan, niet zonder enigszins in verlegenheid te zijn gebracht en wantrouwen te hebben gekregen jegens de moraal. Ik zou zelfs mensen ertoe verleiden en aan te moedigen pleitbezorger van de meest verschrikkelijke dingen te worden, alsof mijn boodschap zou zijn dat in deze dingen niets ergers schuilt dan dat ze de meest belasterde zaken zijn. Men heeft mijn geschriften een leerschool in de argwaan genoemd, mr nog een leerschool van verachting, gelukkig ook van moed, van de roekeloosheid zelfs. Inderdaad, zelf geloof ik niet dat iemand de wereld ooit met zo'n diepe argwaan bekeken heeft, en niet alleen als toevallige advocaat van de duivel, maar evenzeer, om het theologisch te formuleren, als vijand en uitdager van God; en wie iets van de gevolgen vermoedt die aan de basis van elke diepe argwaan liggen, iets van de huiveringen en angsten van de vereenzaming waartoe elk onvoorwaardelijk verschil van blik de ermee behepte veroordeelt, zal ook begrijpen hoe vaak ik, om uit te rusten van mijzelf, als het ware om tijdelijk even mijzelf te mogen vergeten, ergens een schuilplaats heb gezocht - in de een of andere bewondering of vijandschap of wetenschappelijkheid of lichtzinnigheid of domheid; en ook waarom ik, wanneer ik niet vond wat ik nodig had, het op kunstmatige wijze heb moeten afdwingen en naar behoefte vervalsen en verdichten (hebben dichters ooit iets anders gedaan? en waar dient alle kunst ter wereld anders voor?). Wat ik steeds weer het dringendst nodig had voor mijn kuur en revalidatie, was het geloof niet in die mate alleen te zijn, alleen te zien, een magisch vermoeden van verwantschap en gelijkheid van oog en begeerte, een uitrusten in het vertrouwen van de vriendschap, een blindheid deux zonder argwaan of vraagtekens, een genieten van voorgronden, oppervlakten, van het nabije, het naaste, in alles wat kleur, huid en schijnbaarheid heeft. Het kan zijn dat men mij in dit opzicht allerlei 'kunst', dwz allerlei subtiele valsemunterij zou kunnen verwijten: bijvoorbeeld dat ik willens en wetens mijn ogen heb gesloten voor een lange lijst van zaken. Maar stel dat dit allemaal waar zou zijn en dat dit alles mij met goede reden verweten wordt, wat weten jullie ervan, wat konden jullie ervan weten, hoeveel listigheid omwille van het zelfbehoud, hoeveel rede en hogere bescherming bij zo'n zelfbedrog is inbegrepen, -en hoeveel onoprechtheid nog voor mij nodig is om mij steeds weer de luxe van mijn waarheidsliefde te kunnen veroorloven?...Enfin, ik leef nog; en het leven is nu eenmaal geen bedenksel van de moraal: het wil misleiding, het leeft van de misleiding...maar heeft men niet gelijk? begin ik niet alweer met wat ik altijd gedaan heb, ik, oude moralist en vogelvanger - praat ik niet immoreel, amoreel, 'voorbij goed en kwaad'?-

2
-Zo heb ik dan op een keer, toen ik er behoefte aan had, ook de 'vrije geesten' verzonnen: zulke 'vrije geesten' zijn er niet, waren er niet, -maar ik had ze destijds, zoals gezegd, als gezelschap nodig, om goedgeluimd te blijven onder barre omstandigheden (ziekte, vereenzaming, buitenland, lusteloosheid, leeglopen): als dappere kerels en spoken, met wie men keuvelt en lacht als men zin in keuvelen en lachen heeft en die men naar de duivel zendt als ze vervelend beginnen te worden, -als een schadeloosstelling voor onbekende vrienden. Dat zulke vrije geesten ooit zouden kunnen bestaan, dat ons Europa onder zijn zonen van morgen en overmorgen zulke montere, vermetele kerels zal tellen, in levende lijve en tastbaar, en niet, zoals in mijn geval, alleen als schaduwbeelden en schimmenspel van een kluizenaar: daar zou ik nooit aan willen twijfelen. Ik zie hen reeds komen, langzaam, langzaam; en wie weet doe ik iets om hun komst te bespoedigen wanneer ik van tevoren beschrijf onder welk gesternte ik hen zie ontstaan, over welke wegen ik hen zie komen.-

3
Men mag vermoeden dat voor een geest waarin het type van de 'vrije geest' eenmaal zijn volmaakte rijping en zoetheid zal bereiken, de beslissende gebeurtenis in een grote vrijmaking heeft bestaan, en dat hij daarvr des te meer een geketende geest was en voorgoed aan de hoek of zuil gekluisterd scheen. Wat bindt het sterkst? Welke touwen zijn welhaast onbreekbaar? Bij mensen van een hoge, uitgelezen soort zullen het de plichten zijn: die eerbied die de jeugd past, die schroom en kiesheid tegenover al het vanouds vereerde en waardige, die dankbaarheid voor de grond waaruit zij groeiden, voor de hand die hen leidde, voor het heiligdom waarin zij leerden te aanbidden, -het zijn hun hoogste ogenblikken zelf die hen het sterkst zullen binden, het duurzaamst verplichten. De grote vrijmaking komt voor aldus geketenden plotseling, als een aardschok: de jonge ziel wordt eensklaps geschokt, losgescheurd, weggescheurd, zij begrijpt zelf niet wat er gebeurt. Een aandrift en aandrang gebiedt en overmeestert haar als een bevel; een wil en wens wordt wakker om weg te vliegen, waarheen ook, tot elke prijs; een heftige, gevaarlijke nieuwsgierigheid naar een nog niet ontdekte wereld vlamt en flakkert in al haar zinnen. 'Liever sterven dan hier te leven', - zo klinkt de dwingende stem en verleiding: en dit 'hier', dit 'thuis' is alles wat zij tot dan had liefgehad! Een plotselinge schrik en argwaan tegenover de dingen waarvan zij hield, een bliksemschicht van minachting voor wat haar 'plicht' heette, een oproerig, eigenmachtig, vulkanisch schokkend verlangen naar een nomadisch bestaan, vreemde landen, vervreemding, koude ontnuchtering, bevriezing, een haat tegen liefde, misschien een tempelschendende greep en blik achterwaarts, daarheen waar zij tot nu toe aanbad en minde, misschien een gloed van schaamte om wat zij zojuist deed en tegelijk een jubel omdat zij het deed, een dronken, innerlijk, jubelend huiveren waarin zich een triomf verraadt -een triomf? waarover? over wie? een raadselachtige, problematische, twijfelachtige triomf, maar hoe dan ook de eerste triomf: dit soort nare, pijnlijke zaken behoren tot de geschiedenis van de grote vrijmaking. Zij is tegelijkertijd een ziekte, die de mens kan verwoesten, deze eerste uitbarsting van kracht en wil tot zelfbeschikking, tot een zelfstandig vaststellen van waarden, deze wil tot de vrije wil: en hoeveel ziekte komt niet tot uiting in de woeste pogingen en grillen waarmee de bevrijde, de vrijgemaakte zichzelf nu zijn macht over de dingen tracht te bewijzen! Hij doolt wreedaardig rond, met een onbevredigde wellust; voor wat hij buitmaakt moet de gevaarlijke spanning van zijn trots boeten; hij verscheurt wat hem ergert. Met een boosaardige lecht draait hij alles om wat zich gesluierd, door de een of andere schroom gespaard, aan hem voordoet: hij beproeft hoe deze dingen eruit zien wanneer men ze omkeert. Er zit iets van willekeur en van genot in wanneer hij hij zijn genegenheid misschien nu dt schenkt, wat dus dusverre in een kwade reuk stond, -wanneer hij nieuwsgierig en uitdagend rondom het verbodene sluipt. Op de achtergrond van zijn doen en dolen -want hij is onrustig en doelloos onderweg als in een woestijn -staat het vraagteken van een steeds gevaarlijker nieuwsgierigheid. 'Kan men niet alle waarden omkeren? En is goed misschien kwaad? en God alleen maar een sluwe uitvinding van de duivel? Is alles in laatste instantie misschien vals? En als we bedrogenen zijn, zijn we dan niet daarom juist ook bedriegers? moeten we niet ook bedriegers zijn?'- zulke gedachten leiden en verleiden hem steeds verder voort, steeds verder weg. De eenzaamheid omgeeft en omsingelt hem steeds dreigender, wurgender, zijn hart steeds dichter rijgend, deze vreselijke godin en geduchte moeder van alle begeerten - maar wie weet tegenwoordig nog wat eenzaamheid is?..

4
Van deze ziekelijke vereenzaming, de woestijn van deze experimentele jaren, is het nog een lange weg naar die geweldige overvloeiende zekerheid en gezondheid die het zonder de ziekte, als middel en vishaak van de kennis, niet kan stellen, naar de rijpe vrijheid van de geest, die evenzeer zelfbeheersing en tucht van het hart is, en die de toegang tot vele tegenovergestelde denkwijzen mogelijk maakt-, naar die innerlijke overdaad en verwenning van de grote rijkdom, die het gevaar uitsluit dat de geest bijvoorbeeld zelf in zijn eigen wegen vastloopt en verliefd op ze wordt en bedwelmd in een hoekje blijft zitten, naar dat overschot aan plastische, genezende, nabootsende en herstellende krachten, dat nu juist het bewijs is van grote gezondheid, een overschot dat de vrije geest het gevaarlijke voorrecht verleent op proefondervindelijke grondslag te leven en zich aan het avontuur over te geven: het meesterschapsvoorrecht van de vrije geest! Er kunnen lange jaren van genezing tussen liggen, jaren vol bonte, pijnlijk-toverachtige veranderingen, beheest en in toom gehouden door een taaie wil tot gezondheid, die zich vaak al als gezondheid durft te kleden en verkleden. Er zit een tussenstadium in, waaraan een mens met deze lotsbestemming later niet zonder ontroering terugdenkt: een bleek, fijn geluk van licht en zon behoort ertoe, een gevoel van vogel-vrijheid, vogel-uitzicht, vogel-overmoed, een mengeling van nieuwsgierigheid en discrete verachting. Een 'vrije geest' -dit koele woord is in die toestand weldadig, het is bijna verwarmend. Men leeft, niet meer gekluisterd aan liefde en haat, maar zonder ja, zonder nee, uit vrije wil nabij, uit vrije wil veraf, ontglippend waar het wil, uitwijkend wanneer het wil, wegfladderend, weer weg, weer omhoogvliegend; men is verwend, als ieder die ooit eens een immense verscheidenheid onder zich heeft gezien, - en men werd de tegenpool van hen die zich bezorgd maken over dingen waarmee zij niets te maken hebben. Inderdaad, de vrije geest heeft voortaan alleen nog maar te maken met dingen, vele dingen, die hem geen zorg meer baren...

5
Een stap verder in de genezing: en de vrije geest nadert het leven weer, zij het langzaam, bijna weerspannig, bijna wantrouwig. Het wordt weer warmer om hem heen; gevoel en medegevoel krijgen diepte, allerlei dooiwinden strijken over hem heen. Het is hem bijna te moede alsof hem nu pas de ogen voor het nabije opengaan. Hij is verwonderd en zit stil te denken: waar was hij toch? Deze nabije dingen, zo vlak bij hem: hoezeer veranderd komen ze hem nu voor! Wat een dons, wat een bekoring hebben ze intussen gekregen! Hij kijkt dankbaar terug, - dankbaar voor zijn trektochten, zijn hardheid en zelfvervreemding, zijn vergezichten en vogelvluchten in koude hoogten. Hoe goed is het dat hij niet als een teerhartige duffe baliekluiver altijd veilig 'thuis', altijd 'bij zichzelf' gebleven is! Hij was buiten zichzelf: dat lijdt geen twijfel. Nu ziet hij zichzelf pas-, en voor wat een verrassingen komt hij daarbij niet te staan! Wat een onbeproefde huiveringen! Wat een geluk ook, zelfs in de vermoeidheid, de oude ziekte, het terugvallen van de genezende! Wat bevalt het hem goed, stil te zitten, lijden, geduld te spinnen, in de zon te liggen! Wie is er zo goed vertrouwd met het geluk in de winter, met de zonnevlekken op de muur, als hij! Het zijn de dankbaarste dieren van de wereld, en ook de bescheidenste, deze het leven half toegewende genezenden en hagedissen: -er zijn er onder hen die geen dag laten voorbijgaan zonder een klein loflied aan zijn achternaslepende zoom te hangen. En in ernst gesproken: het is een grondige kuur tegen elk pessimisme (de kanker van de oude idealisten en leugenaars, zoals bekend-) om op de manier van deze vrije geesten ziek te worden, een behoorlijke tijd ziek te blijven en daarna nog langer, nog langer, gezond, dwz 'gezonder', te worden. er ligt wijsheid in, levenswijsheid, om zichzelf de gezondheid lange tijd slechts in kleine dodes voor te schrijven.

6.
Omstreeks die tijd kan het ten slotte gebeuren, onder het plotselinge licht van een nog onstuimige, nog veranderlijke gezondheid, dat zich voor de vrije, steeds vrijere geest het raadsel van die grote vrijmaking begint te ontsluieren, het raadsel dat tot dusverre vaag, dubieus, bijna onaanraakbaar in zijn geheugen had liggen wachten. Lange tijd durfde hij zich bijna niet af te vragen: 'waarom zo afzijdig? zo alleen? zo alles afzwerend wat ik bewonderde? de bewondering zelf afzwerend? waarom deze hardheid?, deze argwaan, deze haat tegen de eigen deugden?' - maar nu waagt en vraagt hij het hardop en hoort al iets van een antwoord. 'Je zou heer en meester over jezelf moeten worden, k over je eigen deugden. Vroeger waren zj je gebieders; maar zij mogen slechts jouw werktuig zijn, naast andere werktuigen. Je zou macht over je voor en tegen moeten krijgen en de kunst leren verstaan ze uit en in te schakelen, al naar gelang je hogere doeleinden. Je zou het perspectivische in elke waardeschatting moeten leren begrijpen - de verschuiving, vertekening en schijnbare teleologie van de horizonten en wat allemaal nog meer bij het perspectivische hoort; en ook de domheid met betrekking tot tegenovergestelde waarden en alle intellectuele verliezen waarmee elk voor, elk tegen betaald wordt. Je zou de noodzakelijke onrechtvaardigheid in elk voor en tegen moeten leren begrijpen, de onrechtvaardigheid als iets wat onlosmakelijk bij het leven hoort, het leven zelf als iets wat van het perspectivische en de onrechtvaardigheid afhangt. Je zou vooral onder ogen moeten zien waar de onrechtvaardigheid altijd het grootst is: namelijk daar waar het leven het kleinst, engst, gebrekkigst, rudimentairs ontwikkeld is en toch niet kan nalaten zichzelf als doel en maat van de dingen te zien en ter wille van zijn behoud heimelijk en kleingeestig en voortdurend van het hogere, grotere, rijkere kruimels af te breken en het in twijfel te trekken, -je zou het probleem van de rangorde onder ogen moeten zien, en hoe macht en recht en breedheid van perspectief samen hoog opschieten. Je zou...-genoeg, de vrije geest weet inmiddels welk 'je moet' hij gehoorzaamd heeft, en ook wat hij nu kan, wat hij pas nu -mag...

7
Zo geeft de vrije geest zichzelf uitsluitsel over dat vrijmakingsmysterie en door zijn geval te veralgemenen eindigt hij er ten slotte mee het volgende oordeel over zijn ervaring te vellen. 'Zoals het mij verging', zegt hij bij zichzelf, 'moet het iedereen vergaan in wie een taak belichaamd wil worden en 'ter wereld' wil komen.' De geheime kracht en noodzakelijkheid van deze taak zullen zich onder en in zijn afzonderlijke lotgevallen doen gelden als een onbewuste zwangerschap, -lang voordat hij zelf de taak in ogenschouw heeft genomen en haar naam kent.Onze bestemming beschikt over ons, ook wanneer wij die nog niet kennen; het is de toekomst die ons heden de wet voorschrijft.