Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.6    Op de Olijfberg

De Olijfberg is een tuin of park aan de oostkant van Jeruzalem, vanwaar men een schitterend uitzicht over de oude stad heeft, en waar Jezus gewoon was zich terug te trekken om te bidden met zijn discipelen (bijv. Mt. 26:30). De Olijfberg is symbolisch voor het blootleggen van het innerlijk en voor een zonovergoten 'eigen plek' vanwaaruit men de wereld kan bezien. Zarathoestra heeft zijn eigen Olijfberg met een zonnehoek: het is een berg waar winterse kou heerst maar zij is juist het gunstige klimaat voor hem om 'warme gedachten' uit te broeden. Zijn kerngedachten zijn 1) dat juist ontbering, tegenspoed, strijd, zwoegen en kou de mens aanzetten het hoogste te bereiken, 2) dat men de kunst moet verstaan zijn geluk te vermommen, dus te zwijgen, opdat anderen nooit tot op de bodem van iemands ziel kunnen zien, het intense geluk opmerken en de gelukkige verscheuren (een wijsheid van Xenofon: "Het waardevolste en zaligste van alle bezit is wanneer men gelukkig is, terwijl anderen er niet jaloers op zijn"). Zarathoestra laat mensen liever hun hoofd over hem schudden uit medelijden en onbegrip.

De tekst van dit hoofdstuk is weer een lied, want aan het eind van dit hoofdstuk staat: "Aldus zong Zarathoestra.". Net zoals in de hoofdstukken II.9-11, is 'lied' hier op te vatten als intieme onthulling, een lyrische tekst voor ťťn toehoorder, het zijn Zarathoestra's eigen dagboekteksten, waar hij zijn innerlijk geheel blootlegt. Hoofdstuk III.4 valt duidelijk ook in deze categorie, hoewel hier niet uitdrukkelijk bij vermeld wordt dat het een lied is.

Zarathoestra's eenzaamheid wordt gestaag groter en groter in deel 3. In het vorige hoofdstuk verscheen hij weer onder de mensen, maar had hij hun weinig of niets meer te zeggen. In dit hoofdstuk bereikt de eenzaamheid een hoogtepunt: hij zit ergens alleen in een onverwarmd onderkomen; een metafoor voor de uitkomst van het vorige hoofdstuk, waarin hij door de toehoorders totaal werd afgewezen en zelf een totale vervreemding van hen ervoer. Nietzsches eigen leven is hier ongetwijfeld met het denkbeeldige Zarathoestraverhaal verweven. In plaats van erover te klagen, doet hij precies het tegendeel: hij gaat er een loflied, of beter gezegd spotlied op zingen, waarin de spot meer overhelt naar humor en speelsheid dan naar venijnig of heldhaftig verzet. Om mee te beginnen eert hij de winter omdat ze effectief alle muggen en vliegen van de markt (zie I.12) een kopje kleiner maakt (dwz hij ziet nu in dat het leven zelf alle dwalingen en zaken waar hij zich aan ergert zal aanpakken), maar de winter kan hetzelfde niet met hem bereiken: hij lacht ontbering uit door zelfs in de winter nog een koud bad te nemen, dwz hij heeft geleerd het leven zoals het is zonder klagen te leven, de winter, opgevat als alle tegenspoed en zwaarte in het leven, te zien als een volkomen natuurlijk gegeven waaruit je je voordeel moet zien te behalen. Van de winter heeft hij een zekere hardheid geleerd en ook zwijgen geleerd. "Of leerde hij het van mij?, spreekt hij erachteraan, om zijn harmonie met de natuur te onderstrepen. Zarathoestra's conclusie over het leven is dat alles wat altijd in de natuur is op te merken goed moet zijn.


Er heeft blijkbaar een grote ommekeer plaatsgevonden in het denken van Zarathoestra: hij wordt steeds minder prediker, houdt op eindeloze uitdeler en schenker te zijn, en hervindt zijn kluizenaarschap. Dit kan hij als een aangename verandering zien, hij verwelkomt het. Nu hij weer onder de mensen kwam, en zag dat ze nog kleiner geworden waren, weet hij het zeker: zijn taak is het 'voleinden van zichzelf', die weg zal in eenzaamheid gelopen moeten worden. Het gezelschap dat hij ooit zal krijgen zullen toekomstelingen zijn, nog ongeborenen. Hij weet nu dat hij tijdgenoten niet kan bereiken, maar voor de ongeborenen ergens in de verre toekomst een 'way of life' zal laten zien. Nietzsches 'way of life' heeft hij zeer duidelijk gemaakt door het eindeloos herhaalde gebruik van dezelfde metaforen. Wanneer we ze op een rij zetten merken we op dat de positieve manier van leven uitgedrukt wordt in termen die allemaal zijn ontleend aan het leven in de Alpen, of het leven van de HyperboreeŽrs (mensen die in het uiterste noorden leven, Antichrist ß1): 'de hoogte', 'het vliegen', 'neerwaarts zien', 'de stilte', de frisse lucht', 'de kou', 'het klimmen', 'de afgrond', de taaie boom met sterke wortels op keiharde grond', 'sterke wind', 'ruisende wind', 'dansen'. De af te raden way of life wordt uitgebeeld door een keten van metaforen die voor een groot gedeelte aan kerkgang zijn ontleend: 'muffe kerken', 'bedompte lucht', 'kniezende zielen', 'knielende zielen', 'vervalst licht', 'hoesten', 'tiktak heen en weer gaan', 'strompelen', 'stijve nek', 'schorheid', 'kamerknus', 'rokerig', 'groen uitgeslagen', 'versleten'.


Mijn liefste boosaardigheid en kunst is dat mijn zwijgen geleerd heeft zichzelf door zwijgen niet te verraden.


Ze horen enkel het fluiten van mijn winterstormen: en niet dat ik ook over warme zeeŽn schiet, als hunkerende, zware, hete zuidenwinden...Hoe zouden ze ook mijn geluk kunnen verdragen, als ik niet ongevallen en winternoden en ijsberenmutsen en sneeuwhemelhulsels plooide om mijn geluk!


Dit is al meer dan honderd jaar Nietzsches weerwoord tegen allen die hem uitleggen als uiteindelijk te zijn ondergegaan aan zijn eigen ideeŽn en stellingnames. Van het grote geluk waar hij het over heeft is hoofdstuk III.4 het bewijs. Maar men zou dit kunnen zien als een hoogst zeldzaam moment van extase. Voor geluk is wellicht meer nodig dan een enkel uniek moment. We zullen Zarathoestra's geluk uit het vervolg moeten opmaken, aangezien hij tot nu toe in de eerste plaats een worstelaar en vechtersbaas is gebleven.
Het is interessant op te merken hoe Nietzsche zo onophoudelijk heen en weer gaat tussen de Zarathoestra figuur die een ontembare zonne-wil heeft om te scheppen, te vormen en hervormen, te beheersen, zijn eigen wil op te leggen, mensen op te roepen gelijkwijs te doen en aktief naar de Bovenmens te streven, en dan weer met het tegenovergestelde aankomt: de koude winter-wil die lang zwijgt, die zich terugtrekt in eenzaamheid, die de kosmische wil, de wetten van noodzakelijkheid, de eeuwige wederkeer erkent. Deze twee tegengestelde houdingen omtrent de wil -afwisselend vrije wil en de afwezigheid ervan veronderstellend- komt scherp tot uiting wanneer we de uitspraken over het toeval in het vorige hoofdstuk en in dit hoofdstuk met elkaar vergelijken. In het vorige hoofdstuk heette het: "Ik kook elk toeval nog in mijn pan. En pas wanneer het gaar gekookt is, heet ik het welkom, als mijn spijs." (beklemtoning van autonome wil). In dit hoofdstuk laat hij echter weten: "Doch mijn woord luidt: 'Laat het toeval tot mij komen: onschuldig is het, als een kindeke!'" (van boven opgelegde wil die hij eenvoudig laat zijn). De enige manier om ze aan elkaar te vlechten is in te zien dat 'het braden in mijn pan' niet het besluiten is dat bepaalde zaken 'goed' en andere zaken 'kwaad' zijn, maar juist tot de slotconclusie komen dat alle zaken, gebeurtenissen in het leven in de grond van alles onschuldig zijn, dwz dat goed en kwaad slechts onze indelingen zijn, maar vanuit een hoger perspectief beiden er můeten zijn. Op dat moment ervaart men geluk, de totale bevestiging van het leven, omdat ook de tegenstelling geluk-ongeluk verdwijnt. Men zou zich kunnen afvragen hoe een mens dit kan doen, en Zarathoestra's antwoord is -indien je hem aandachtig leest- doodeerlijk (en volledig aansluitend op het Voorwoord tot Menselijk, al te menselijk, geciteerd in het vorige hoofdstuk): "[Ik ben] onverschrokken, ook nog wanneer ik in [mijn koude winter]bed kruip-: daar lacht nog baldadig mijn weggekropen geluk: daar lacht nog mijn leugendroom." Hij geeft hier dus ronduit toe dat zijn geluk zelfgeschapen is, door zijn eigen wil in een bepaalde gedachtenwereld te laten leven die voordelig is voor zijn persoon (zelfs wanneer hij kruipt weet hij het in gedachten nog in een overwinning om te zetten). Zoiets kan objectief bezien best leugenachtig zijn. Het verschil met de religieuze waan van gelovigen is echter dat Zarathoestra de leugen toegeeft, en zo dus tot de eerlijkste mens uitgroeit.