Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.7    Van het Voorbijgaan

In dit hoofdstuk wordt de eenzaamheid van Zarathoestra op weer een andere manier tot een hoogtepunt gebracht. Zarathoestra gaat een grote stad voorbij, en komt bij de stadspoort iemand tegen die de leer van Zarathoestra zegt te verkondigen. Hij is er zo bedreven in dat de mensen hem 'de aap [=na-aper, imitator] van Zarathoestra' noemen. Zarathoestra hoort hem aan en concludeert dat het een gek is, iemand die zich heeft vastgebeten op bepaalde uitdrukkingen en aspecten van zijn leer en de stijlvormen van Zarathoestra uit z'n hoofd heeft geleerd.
Zarathoestra heeft de grote stad in I.13 inderdaad aangeklaagd als decadent; hij heeft verachting uitgesproken over mensen die geen enkel streven hebben naar hogere idealen van het menszijn. Maar de aap heeft deze zaken aangegrepen in een geest van wraakzucht en haat: vijf maal roept hij Zarathoestra op om op de grote stad te spuwen.


Zarathoestra ziet dat de man hopeloos verstrikt is in venijn:


'Houdt op!' riep Zarathoestra, 'ik walg van jouw gepraat en manieren! Waarom woonde jij zo lang in de stikpoel, dat je er zelf kikker en pad van werd? Vloeit niet een foezelig smoezelig slotenbloed door jouw eigen aderen, dat je zo leerde kwaken en lasteren? waarom trok je het bos niet in? Of ploegde de aarde? Wemelt de zee niet van groene eilanden? Ik veracht jouw verachten; en als je mij waarschuwde, -waarom waarschuwde jij jezelf dan niet? Uit louter liefde zal mijn verachten en mijn waarschuwende vogel opwaarts vliegen: maar niet uit een modderpoel! Men noemt jou mijn aap, o schuimbekkende nar: maar ik noem jou mijn knorrend varken, -door geknor bederf je nog mijn lof der zotheid.
Wat bracht jou toch aan het knorren? Dat niemand je genoeg aandacht geschonken heeft, je nestelde je bij het vuil, opdat je een omgeving zou hebben waar je aan één stuk door kan knorren, opdat je je lust tot wraak kan botvieren, want wraak, o ijdele nar, is alles waar je in geïnteresseerd bent, ik heb je wel doorzien!'


Opvallend is dat de aap van Zarathoestra in exact dezelfde stijl praat als Zarathoestra. Zelfs de beeldspraak zoals 'de maan' en 'maankinderen', of het "ik dien, jij dient, wij dienen" om de godsdienst en het godsdienstige volk mee aan te duiden zijn we al eerder tegen gekomen. De nar heeft taalkundig mooie en humoristische uitdrukkingen die we evenzogoed aan Zarathoestra (oftewel Nietzsche zelf) zouden kunnen toeschrijven: "door modder waden", "hier worden grote gedachten levend gestoofd en stuk gekookt", "hier mogen slechts piepmagere gevoelentjes piepen", "slachthuizen en gaarkeukens van de geest", "neerhangende zielen als slappe smerige lompen, en ze maken van deze lompen nog kranten", "bedelvolk", "bedeldeugd", "ingedeukte zielen", "schrijf- en schreeuwlelijken", "doorgedraaide hanen", enz. enz.
Nuances te zien is moeilijk voor het volk, en welhaast onmogelijk voor de mens die zich in de hectische wereld van de grote stad bevindt. De aap van Zarathoestra is een vlieg van de markt die ogenschijnlijk de boodschap van Zarathoestra begrepen heeft, maar niet gedreven wordt door de grootse visie er wat beters van te maken, en ook niet bereid is alle consequenties die Zarathoestra eraan verbonden heeft op zich te nemen. Net zoals Jezus miljoenen volgelingen heeft die het zich nooit in hun hoofd zullen halen zijn leer in de praktijk te brengen wanneer het hun niet zint: "Indien iemand mijn volgeling wil zijn moet hij al zijn bezit weggeven" zul je in geen enkele modernwesterse kerk ooit horen. Zarathoestra leerde de stadsmensen dit: "Vlucht, mijn vriend, in je eenzaamheid!" "Waar de eenzaamheid eindigt, daar begint de markt; en waar de markt begint, daar begint het lawaai van de grote toneelspelers en het gegons van giftige vliegen." "Om de uitvinders van nieuwe waarden draait de wereld -onzichtbaar draait zij. Maar om de toneelspelers draait het volk en de roem: zo is 's werelds loop." "Ver van de markt en de roem begeeft zich al het grote." De aap van Zarathoestra heeft deze woorden ongetwijfeld ook gehoord, maar volkomen genegeerd. Hij die de stad haat woont zelf in de stad! Het is typerend voor het merendeel van alle klagers en predikers van moraal en godsdienst dat ze zelf onderdeel zijn van waar ze over klagen of tegen prediken. Het is gebruikelijk over zulke mensen het woord hypocriet in de mond te nemen. Maar deze mensen zullen wanneer dit woord tegen hen wordt uitgesproken het nooit kunnen vatten, aangezien ze zichzelf altijd als volkomen onschuldig en oprecht bezien. Wellicht zou men over deze mensen beter het woord gemakzuchtig kunnen gebruiken, een term die ze veel moeilijker meteen weg kunnen wuiven.


Men kan niet aan de gedachte ontkomen dat Nietzsche zelf al vermoedde dat de toekomst grote verdraaiers van zijn filosofie zou laten zien. Op zich is dit niet verbazingwekkend, en heeft het geenszins met genialiteit te maken om dit aan te voelen, want iedereen die enigszins bekend is met de geschiedenis van boekgodsdiensten weet hoe de verdraaiing en foutieve interpretaties er automatisch bijhoren.
Nietzsche geeft hier op zo'n duidelijk mogelijke manier aan dat men moet trachten zowel het één (in dit hoofdstuk bijv. de verachting) als het ogenschijnlijk tegengestelde (de liefde) in zijn denken moet onderbrengen om wijs te zijn. Hij gaat zelfs zo ver te zeggen dat hij niets met mensen te maken wil hebben die zijn boodschap zó verkondigen als de schuimbekkende nar: "Zelfs al had het woord van Zarathoestra honderd maal het recht aan zijn kant: jij zou altijd mijn woord onrecht doen!"



Dit hoofdstuk laat ons stilstaan bij de vraag wie de ware Nietzsche nu eigenlijk is. Nietzsche is de filosoof die, meer dan welke andere filosoof ook, zichzelf geheel naakt neerzet. Bij zowat alles wat hij zegt kijkt men regelrecht in het diepst van zijn ziel. Hij is de ultieme belichaming van het subjectieve. Hij heeft een uiterst persoonlijke stijl, die we juist herkennen aan het extravagante, dus de dingen op een onvergetelijke manier te zeggen. 'Onvergetelijk' houdt vaak in 'extreem', 'choquerend', 'bot', 'recht voor zijn raap', 'doodeerlijk', 'alles of niets'. Dit is wat men 'de pathos van Nietzsche' noemt, 'het schreeuwerige' of zijn 'te ver gaan'; anderen zien er 'naïviteit' in, 'kwajongensachtigheid', weer anderen 'zelfingenomenheid', 'duitse bombast', 'megalomanie' of zelfs 'waanzin'. Maar hoezeer deze termen ook de spijker op de kop slaan, en ons enigszins van hem doen distanciëren, er is bij Nietzsche tezelfdertijd altijd een ander aspect aanwezig, hetgeen hem weer zoveel dichterbij brengt: ironische wegcijfering van zichzelf, zelfkritiek, een afstand nemen van zichzelf, een welhaast genadeloos zichzelf ontmaskeren, zelfs zichzelf een nar noemen, dus een nietsontziende eerlijkheid ook aangaande zichzelf. Wanneer hij aan het laatste bezig is ziet men gemakkelijk een groot mens in hem. Maar wanneer Nietzsche zijn uitgesproken 'Nee!' uitspreekt, is het vaak zo resoluut en stellig, dat men geneigd is de zaak wat te verzachten. En wanneer hij zijn stellige 'Ja!' zegt klinkt het zo verdacht overtuigend dat we geneigd zijn er toch maar een paar vraagtekens bij te zetten. In alle gevallen zijn we bezig om akelige antitheses naar een synthese te laten groeien, om van de worsteling, het onstuimige gevecht in de menselijke geest dat hij in zichzelf en in ons heeft doen laten ontbranden, verlost te worden. Maar het hele punt van Nietzsches schrijven is juist niet in zulke gezapigheid van geest te vervallen. Hij waardeert zijn felle tegenstander meer dan degenen die alle bergen (van de geest) slechten en dalen ophogen. De laatsten zijn namelijk niet bereid de werkelijkheid onder ogen te zien, de waarheid te zoeken, stelling te nemen, zich voor 100% in te zetten. In plaats van dalen en bergen willen dezen eenvoudig slechts de eentonige vlakte waarin geen enkele verrassing bestaat, maar middelmatigheid, troost, gemak en vooral zo weinig mogelijk pijn de klok slaat.
Maar, aan de andere kant, indien we de boodschap van Nietzsche opvangen, en welwillend gaan zoeken in hoeverre we met zijn denktrant kunnen meegaan in uitersten, worden we keer op keer geconfronteerd met het dilemma dat hij ons twee zijden van zichzelf laat zien, ogenschijnlijk tegengesteld aan elkaar. We komen steeds tegenstrijdigheden tegen. Zoals dit hoofdstuk duidelijk laat zien kan men in Nietzsche zowel 'de verachting' als 'de liefde' vinden. In andere hoofdstukken komen we zowel de oproep tot kuisheid als de oproep de hartstochten te koesteren tegen, zowel het oproepen tot scheppen van nieuws en beters als de leer van de eeuwige wederkeer van hetzelfde. We komen zowel de Zarathoestra tegen die de gehele wereld tot discipelen wil maken als de Zarathoestra die zich als een kluizenaar volkomen afscheidt van de wereld en slechts zijn eigen gang gaat. Hij ranselt ons soms bijna af met woorden, maar predikt dat alle grote waarden juist op duivenpoten lopen en in het stilste uur geschapen worden. Hij is zowel de mens die meer dan wie ook onder de Geest der Zwaarte gebukt gaat, als de mens die zegt het leven in extatische dionysische veelkleurigheid onvoorwaardelijk lief te hebben. Nietzsche is de goddelooste van alle filosofen, maar ook de allervroomste, hij is de grote immoralist, in zijn eigen woorden dynamiet, maar beoogt juist de opbouw van de gehele wereld van de toekomst, hij klaagt ascetisme ongemeen fel aan als dwaas en dom en vals, maar leeft zijn eigen leven als een asceet enz. enz.
Dit gegeven is waarschijnlijk het alleraantrekkelijkst in hem, omdat de moderne mens letterlijk zichzelf er in ziet. De moderne wereld is onderworpen aan de informatiestroom, men wordt elke dag bedolven onder een vracht gedachten die uit alle windstreken en alle tijden op ons afkomen. Ieder ja in ons heeft zijn nee in ons, en omgekeerd. Het 'nee' in ons wordt wakker zodra we met een 'ja' geconfronteerd worden, en andersom. 'Het dualisme' dat met de oorspronkelijke Zarathoestra-figuur de wereld in kwam, wordt door de nieuwe Zarathoestra -hij als eerste en de moderne mens na hem- niet overwonnen door het dualisme op zich te ontkennen, maar door de eenzijdigheid, de opdeling van alles in 'goed' en 'kwaad' en dan jezelf telkens aan de zogenaamde goede kant te zien staan, te weerspreken en te doorbreken, en in zichzelf zowel het één als het ander, als rechtmatig en natuurlijk behorend tot het leven, op te eisen. Juist door zowel het één als het ander in zichzelf te erkennen, te omarmen, nadert men het dichtst tot de waarheid. Wie weet bedoelde Nietzsche dit toen hij in zijn aforistisch gedichtje uitspraak dat 'de één twee werd'.