Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.8    Van de Afvalligen


1

Merk op hoe Nietzsche in deel 3 de volkomen tegenbeweging maakt van deel 1. In deel 1 verschijnt de kluizenaar Zarathoestra aan de wereld, en predikt hij zijn boodschap voor iedereen op aarde en verkrijgt hij volgelingen. Deel 2 vervolgt in de eerste helft deel 1 met grote onstuimigheid en felheid, maar daarna wordt hij steeds meer geconfronteerd met de kosmische wil en krijgt hij het inzicht dat alles zich volgens noodzakelijke onhoorbare wetten beweegt. Het breukvlak ligt precies in het midden van het boek, in II.9, Het Nachtlied. Dit is het moment waarop Zarathoestra de consequentie van het eindeloos schenker en lichtbrenger te moeten zijn onder ogen ziet. Er vangt een proces aan van zoeken naar de grootste eerlijkheid in het denken die de mens in zichzelf maar kan vinden. Vandaar dat hij uiteindelijk in deel drie alles wat hij in deel 1 opbouwde weer in duigen ziet vallen; de wereldgeschiedenis gaat onverstoord zijn weg die het mˇet gaan, zoals een trein niet anders kan dan volgens de rails verder lopen. Tenslotte eindigt Zarathoestra weer op het punt van waaruit hij vertrok: als eenzame in zijn grot. Vandaar ook de ondertitel van Aldus sprak Zarathoestra: Een boek voor iedereen en niemand.
Aldus sprak Zarathoestra is uiteindelijk het verslag van het leven van Nietzsche zelf. Nietzsche ziet zichzelf als een schaduw van de toekomst. Hij laat in zijn denken vroegtijdig zien waar de gehele mensheid in de toekomst volgens hem naar op weg zal gaan. Hij ziet in dat het geen nut heeft zijn tijdgenoten hiertoe op te roepen, omdat ze er eenvoudig nog niet rijp voor zijn. Maar hij ziet ook in dat de toekomst, dwz zijn denkbeelden, niet te stuiten zijn. Aldus sprak Zarathoestra is voor hem de therapie geweest om de eenzaamheid van zijn eigen leven te overleven.


Zarathoestra komt op zijn terugreis naar zijn grot weer door 'de stad die hij liefhad', genaamd de Bonte Koe. Zijn isolement bereikt nu een hoogtepunt: hij merkt op dat volgelingen die hij eens had weer terug zijn gekeerd tot het oude christelijke geloof. Dit kan een voorvoelen van de toekomst zijn die Nietzsche hier naar voren wil brengen -het hoofdstuk sluit naadloos aan op wat men noemt het postmodernisme!-, maar net als in het hoofdstuk waar hij het over de verdraaiers van zijn leer heeft zijn ook de afvalligen een basisgegeven dat onafscheidelijk tot ieder religieus (of ideologisch) verhaal behoort. Hij maakte het zelf mee met de weense dichter Siegfried Lupiner, iemand die een jaar of twee Nietzsches geschriften in hoge mate bewonderde en vereerde, maar opeens bekeerd werd tot het katholieke geloof inclusief het antisemitisme. Wellicht schreef hij dit hoofdstuk ook vooral om het evangelie te parodiŰren, want ook daar wordt over afvalligen gesproken (bijv. Joh. 6:66 of de gelijkenis van de zaaier). Waar in het evangelie 'afvallig' hetzelfde betekent als weer 'in zonde gaan leven', betekent afvallig voor Zarathoestra juist terugvallen 'in schandalige religie'.

Hoewel hij zoveel werk gedaan had in de stad de Bonte Koe (de stad van kuddedieren), zijn toehoorders zoveel had geschonken, en hoewel deze ex-volgelingen jong waren, en even tevoren nog vol drang naar licht en vrijheid, constateert hij dat mensen al gauw oud worden, dwz moe, zich schikkend in het gewone, de sleur, het oude en vertrouwde, het behaaglijke. Zo even waren zijn volgelingen nog als dansers, maar al gauw bezonnen ze zich. Nu spreken sommigen van hen zelfs met minachting over hun vroegere opstandigheid, alsof het aanhangen van de leringen van Zarathoestra slechts te wijten was aan het domme opstandige en stoere van de tienerleeftijd. Zarathoestra ziet ze nu 'krom naar het kruis kruipen'. Het laatste kan men natuurlijk lezen als een sneer naar het evangelie, maar aangezien het eenvoudig de enige manier is waarop men tot het kruis mag naderen, zal de bijtende kritiek moeilijk opgevangen kunnen worden door de oprechte aanhanger van dit geloof die niet door Nietzsches leringen is ge´nfekteerd. De zondaar krijgt in het christelijk geloof alles uit genade nadat hij op zijn knieŰn gaat en diep berouw toont, dwz zijn eigen autonomie volledig opgeeft en zich in plaats daarvan afhankelijk stelt van teksten die voor heilig doorgaan. Zarathoestra's bijgedachten zijn echter duidelijk: hij ziet het christelijk geloof als een manier van escapisme, een manier om gemakkelijke troost, warmte en behaaglijkheid te ervaren. "Een beetje ouder, een beetje kouder, en reeds zijn ze dompelaars en mompelaars en huismussen". "Dompelaars en mompelaars" wijst op religieuze wazigheid in redenaties. "Huismussen" op het aspect van het mak en ongevaarlijk zijn, dus onderworpen zijn, gehoorzamend aan autoriteiten. Hij vraagt zich af of de geestelijke eenzaamheid van Zarathoestra voor zijn volgelingen teveel was. Hij concludeert dat er maar weinig mensen met karakter, dwz met doorzettingsvermogen en sterke eigen wil bestaan. Wie van mijn aard is [dwz zijn tijd ver vooruit is: die een wet voor zichzelf is] zal als eerste metgezellen lijken en hansworsten krijgen (een verwijzing naar de voorrede), en daarna een drukke zwerm gelovigen, waarmee Zarathoestra mensen bedoelt vol blinde overgave, vol dwaasheid en verering, omdat bij hen eigen denken juist niet ontwikkeld is. De afvalligen die hij nu tegenkomt behoren tot deze groep: mensen die geen lange adem hebben, die als kasplantjes neervallen bij de eerste de beste flinke storm of de eerste de beste langere afwezigheid van hun idool. "Half-en-halven bederven alles wat heel is". Zarathoestra blijft niet jammeren wanneer zij het laten afweten. Hij blaast liever met een sterke wind over hen heen opdat ze nog sneller uit zijn gezichtsveld zullen verdwijnen.


2

Vervolgens spreekt Zarathoestra in de Bonte Koe een rede uit gericht tegen deze afvalligen. Hij klaagt ze aan als laffe mensen. Bidden is volgens hem een schande voor hen. Dat is het niet voor mensen die niet beter weten, maar juist voor mensen die hem ooit eens begrepen hebben, dwz mensen die een intellectueel geweten hebben. Zij kunnen weten dat bidden nep is. Hooggeschoolde moderne mensen weten dat de wereld niet met bidden opgebouwd wordt, dat er geen wonderen gebeuren, dat er geen ingrijpen van een God die zich persoonlijk met het lot der mensen bemoeit, bestaat. Hun geloof is dus door en door verwereldlijkt (geseculariseerd), maar ze blijven vasthouden aan een pathetische vorm van geloof. Wanneer zulke mensen met moderne kennis zich aan zo'n God overgeven mˇet het wel geboren zijn uit behoefte tot behaaglijkheid en gemak, uit angst voor het leven, uit behoefte de kille realiteit van het leven te ontlopen.

Met grote minachting spreekt Zarathoestra over deze moderne religieuzen. In De Antichrist schrijft hij met het volgende venijn over ze:


Wie wordt er door het christendom ontkend? En wat doet het als 'werelds' af? Precies...dat men soldaat is, dat men rechter is of vaderlandslievend; dat men zich verzet; dat men zijn eer hooghoudt; dat men zijn eigen voordeel zoekt; dat men trots is... Oftewel elke praktijk van ieder moment in ons feitelijke moderne leven, elk instinct, elk waardeoordeel dat in daden wordt omgezet, is antichristelijk: wat voor een misgeboorte van valsheid moet de moderne mens dan niet zijn, dat hij zich desondanks niet schaamt toch nog christen te worden genoemd! (ž38)


Hier noemt hij deze gelovigen 'glibbermuizen', 'bibberaars', 'nachtuiltjes'. Ze hebben zich verstopt in kleine 'weggekropen gemeentes'. In die kleine gemeentes kom je allerlei verschillende stromingen tegen, allemaal decadent op een andere manier:
-Men spreekt tot elkaar 'Laat ons weer kinderkens worden' (verwijzing naar een uitspraak van Jezus). De na´evelingen.
-De predikers van het evangelie klaagt hij aan als 'suikerbakkers'. Hun predikers zijn mensen die zelfingenomenheid prediken (slechts de voortreffelijkheid van hun geloof naar voren brengen) en hun denken is oppervlakkig.
-De groeperingen die zich diepzinnig noemen, te denken valt aan esoterische religieuzen en mystieken. Zarathoestra's commentaar op hen is subliem: "Maar wie vist waar geen vissen zijn, hem noem ik niet eens oppervlakkig!"
-De mensen die van griezelen houden, te denken valt aan spiritisten uit Nietzsches tijd en aan pinkstermensen uit onze tijd. Mensen die dol zijn op het spelen met geesten.
-Mensen die bij halfgare geleerden te raad gaan. Mij schieten kabbalisten, dispensationalisten, eindtijdexperts en ID-ers te binnen.
-En er zijn nog steeds oude verroeste hyper-orthodoxe gelovigen van de eeuwenoude stempel, mensen die nooit opmerken dat de tijd verder gaat. Men herkent ze aan het gelijken op de de langzame voortbeweging van logge ijzeren stoomlocomotieven en de zwaarmoedig walmende rookpluimen van hun levensstijl.
-Er is ook altijd een groep mensen die de moderne maatschappij meent te moeten oproepen tot terugkeer naar de oude, zuivere leer van vroeger. Deze schijnen in de eerste plaats eenvoudig door zucht naar conservatisme aangedreven te worden.


Zarathoestra kwam van de laatste soort een paar tegen en hoorde ze een vijftal zaken uitspreken die de staat van ontbinding van het religieuze denken in onze tijd goed illustreren. Wanneer een gelovige enige vertwijfeling durft uit te spreken wordt hij door de andere gelovigen niet recht gezet, maar integendeel, zijn woorden wekken de durf van de andere gelovigen op om eindelijk ook eerlijk te zijn, en al gauw wedijveren ze met elkaar om hun geloof en zichzelf steeds belachelijker te maken, terwijl ze daar zelf helemaal geen erg in hebben. Een kostelijke illustratie in een notendop van de theologie van de laatste tweehonderd jaar:


-'Als vader zorgt hij niet goed genoeg voor zijn kinderen: mensenvaders doen het beter!'

-'Hij is te oud! Hij zorgt helemaal niet meer voor zijn kinderen.'

'-Heeft hij dan kinderen? Niemand kan het bewijzen, als hij het zelf niet bewijst! Ik wilde al zo lang dat hij het eens grondig bewees.'

-'Bewijzen? Alsof hij ooit iets heeft bewezen! Bewijzen valt hem zwaar; hij stelt het zeer op prijs dat men hem gelooft.'

-'Ja, ja, het geloof maakt hem zalig, het geloof aan hem. Dat is nu eenmaal de aard van oude mensen! Zo vergaat het ons oudjes ook!'


De laatste opmerking doet mij aan theologen zoals Kuitert denken. Nadat Zarathoestra dit gesprek gevolgd heeft lacht hij zich dood. Hij vraagt zich af hoe het mogelijk is dat mensen met zulke twijfels tˇch nog willen vasthouden aan het idee van hun God. "Is het dan niet lang voorbij ook voor zulke twijfel? Wie mag nog zulke oude ingedutte lichtschuwe zaken wekken!" Merk op dat de oude godsdienst nog steeds om ons heen te vinden is, en Zarathoestra's woorden al 125 jaar oud zijn!
Zarathoestra wijt de dood van God aan het monothe´sme:


Met de oude goden is het immers al lang uit!, en voorwaar, een goed en vrolijk godeneind hebben ze genoten! Ze 'schemerden' zich niet dood, dat is een leugen. Veeleer hebben ze zich namelijk doodgelachen. Namelijk toen het meest goddeloze woord van een god zelf uitging, -het woord: 'Er is ÚÚn God! Je zult geen andere goden hebben voor mijn aangezicht!'-
een oude iezegrim van een god, een jaloerse god, vergat zichzelf op deze manier. En alle goden lachten toen en schudden in hun stoelen en riepen: 'Is dit nu juist niet goddelijkheid, dat er goden zijn, maar geen God?'
Wie oren heeft om te horen, die hore.


De laatste zin vindt men steeds in de evangeliŰn. Het volgt op een opmerking van extra groot belang. Nietzsche valt het christelijk geloof aan met eigen wapens: hij beschuldigt het christelijk geloof van de allergrootste goddeloosheid. Het openbaringsgeloof heeft zichzelf uitgeroepen tot alfa en omega van al het religieuze. Het heeft het goddelijke verkleind tot een boek, een stukje papier, een stel dogma's waarin per sÚ geloofd moet worden, tot geloofsbelijdenissen, en verklaarde alles wat erbuiten staat tot onzin, afgoderij, vals, onwaar. Wanneer deze godsdienst na tweeduizend jaar door de mand valt, is zij dus niet meer te repareren met andere religieuze opvattingen. Het monothe´sme heeft duizenden jaren lang gepredikt dat er niets anders dan haar waarheid over God bestond. Na de dood van het monothe´sme is dus alle religie dood. Polythe´sme hield de religie juist in leven. Alle andere goden wezen op iets anders dat ˇˇk waar zou kunnen zijn, men nam zichzelf dus nooit zo serieus; er was wat hun betreft wellicht uiteindelijk geen God, maar voor de mens bestond wel degelijk altoos 'het goddelijke'. De leus van alle oude goden was als het ware 'Wij bestaan omdat de mens wat moet hebben om met het goddelijke te spelen'. Wanneer men dan in latere tijden meer kennis opdeed kon de godsdienst eenvoudig aangepast worden, zoals in het Boeddhisme, waar men met gemak polythe´sten en athe´sten onder ÚÚn dak kan brengen. Dit is echter niet mogelijk in de westerse cultuur. 'Het goddelijke' valt, door religie eerst eeuwenlang synoniem te maken voor monothe´sme en boekreligie, na de ontmaskering van die monothe´stische boekgodsdienst volkomen weg. Moderne mensen die van hun geloof afvallen hebben vaak een grote aversie tegen alles wat naar religie ruikt, men is volkomen allergisch voor 'het goddelijke'; religie is een vies begrip. Het openbaringsgeloof is daarom de oorzaak voor het westerse nihilisme, de ultieme oorzaak voor de verlamming van de menselijke kracht.