Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




III.9    De Thuiskomst

Zarathoestra is weer terug op af, en komt met lege handen na zijn tweede missie onder de mensen terug naar huis. Nog erger, hij heeft zelfs de paar bekeerlingen die hij had gemaakt nog zien terugkeren tot het oude denken. Maar in plaats van hierover te klagen ziet hij zijn terugkomst in de eerste plaats als een positieve zaak: hij heeft zo ontzettend veel over zichzelf geleerd dat hij het allemaal als winst kan beschouwen. Hij trok de wereld in om anderen te leren, maar komt terug met zelfkennis en inzicht in het leven. Zijn inzicht dat de wereld geregeerd wordt door noodzaak en toeval geeft hem het gereedschap om licht te worden, de geest der zwaarte die er in preken tot anderen huist, af te leggen. Over de neo-gelovigen kan hij zich nu doodlachen, de grote stad kan hij nu gewoon links laten liggen. Alles heeft zijn tijd en ontwikkelingen zullen zich onafhankelijk van zijn verwoede pogingen iets te bereiken op hun eigen tijd zich voordoen.


Wanneer Zarathoestra eindelijk in zijn woonstee terugkomt heeft hij een lang gesprek met de Eenzaamheid. Hij weet opeens dat zijn ware woonstee de eenzaamheid is. De eenzaamheid is als zijn moeder die hem af en toe een standje geeft omdat ze het beter weet en hij niet altijd luistert, maar meteen zijn beste metgezel weer is wanneer hij maar terugkeert en berouw heeft. De dialoog bevat vele herinneringen die zijn carrière als prediker bespiegelen. Hij verliet de eenzaamheid in een vlaag van energie en 'deemoedige moed', omdat de eenzaamheid hem pijn deed. Maar de les van zijn optreden was dat hij zich eenzamer voelde onder mensen dan toen hij leefde in eenzaamheid. De mensen braken zijn moed, maakten hem dorstiger dan ooit. Voor de moderne mens die wat te zeggen heeft, maar die als mier moet rondlopen in een krioelende mierenhoop is er veel van herkenning in de volgende woorden van Zarathoestra:


Daar beneden is alle spraak vergeefs! Daar is vergeten en voorbijgaan de beste wijsheid: dat heb ik nu geleerd! Wie alles van de mensen wilde begrijpen, die zou alles moeten aangrijpen. Maar mijn handen zijn er te schoon voor. Alleen al hun adem wil ik niet inademen; ach, dat ik het zo lang onder hun lawaai en slechte adem heb uitgehouden! O zalige stilte rondom mij! O zuivere geuren rondom mij! O, hoe ademt deze stilte zuivere lucht uit diepe borst! O, hoe spitst zij de oren, deze zalige stilte! Maar daar beneden -daar praat alles doorelkaar, daar gaat alles aan het oor voorbij. Al luidt men zijn wijsheid in met klokken, de kramers op de markt zullen haar overstemmen met klinkende duiten! Alles bij hen praat dooreen, alles wordt stuk gepraat. En wat gisteren nog te hard was voor de tijd zelf en zijn tand: heden hangt het stukgekrabt en stukgeknaagd uit de muilen van de mensen van heden. Alles bij hen praat dooreen, alles wordt verraden. En wat eens geheim was en geheimenis van diepe zielen, heden behoort het toe aan straattrompetters en andere schetterkapellen.


Zarathoestra zegt erachteraan dat zijn grootste gevaar was medelijden te hebben voor de mensheid. Je onder de mensenmenigte te begeven staat gelijk aan medelijden te moeten tonen.


Al wat mens is, wil worden ontzien en aardig gevonden. Met ingehouden waarheden, met zottenhand en verzot hart en rijk aan leugentjes van mededogen. Zo moest ik onder mensen leven. Vermomd zat ik onder hen, bereid mezelf te miskennen, opdat ik hen zou kunnen verdragen. Vaak moest ik mezelf een reprimande geven: o, jij zot, jij kent de mensen nog niet goed genoeg! En als ze mij miskenden: ik, zot die ik was, ontzag hen daarom meer dan mezelf: gewend als ik was aan hardheid jegens mijzelf en vaak me op mijzelf nog wrekend voor dit ontzien. Gestoken door giftige vliegen en uitgehold, zoals de steen door vele druppels boosheid, zo zat ik in hun midden en sprak mezelf nog toe: 'Onschuldig is al wat klein is, aan zijn kleinheid.'


Als er iemand ooit miskend is, is het Nietzsche. Ook dit hoofdstuk kan de miskennende mens weer lezen op de omgekeerde manier: men kan er het uithuilen van een kind in zien, de hoogmoedige arrogante kwast die zichzelf opsluit in een ivoren toren waarin alleen hij gelijk heeft, de vermoeide en uitgebluste persoon die het van lieverlee maar opgeeft en zichzelf gaat troosten en opbeuren, de Besserwisser die kritiek heeft op ieder ander behalve zichzelf, de mens die niet tot sociale contacten in staat is en daarom zichzelf opvijzelt door de eenzaamheid uit te roepen als hoogste genot. Nietzsche zou uitroepen dat bovenstaande kritiek op hem die men zou kunnen geven de waarheid vertelt over de mensen die ze uitspreken. Wanneer zij de woorden van Zarathoestra zouden spreken zou het één van die motieven kunnen hebben, aangezien bij hen díe gedachten meteen opkomen. Maar mensen zijn niet gelijk; zijn handen zijn schoon, zijn ziel is diep en zijn denken volkomen oprecht. Uiteindelijk is Aldus sprak Zarathoestra de weerslag van de onophoudelijke levensstrijd van een buitengewoon intelligent persoon. De worsteling heeft twee aspecten: de houding jegens de domme wereld, en de houding jegens het bestaan op zich. Beiden komen op de hoogintellectuele mens af als absurd, onbegrijpelijk, en met beiden moet men leren leven. Voor de hoogintelligente persoon Nietzsche was zelfs dit niet genoeg. Slechts het onmogelijke van zichzelf eisen stelde hem tevreden: men moet het leven willen zoals het is, is de sublieme oplossing voor hem; een doodeenvoudige maar tezelfdertijd onmogelijke boodschap van het boek, iets waarmee slechts een hoogintelligent persoon mee kan leven. Zarathoestra is niet gelijk aan jan-en-alleman. Van hoogintelligente mensen lopen er altijd maar een paar rond. Hij zegt dat hij zonder dat hij het wilde onder de mensen niet zichzelf kon zijn, maar in feite een halve leugenaar werd: 'stijve wijzen' noemde hij 'wijs' en niet 'stijf', 'doodgravers' noemde hij 'vorsers en speurders'. Hij moest om 100% eerlijk te kunnen zijn zich wel in eenzaamheid terugtrekken. Nietzsche had sterk de behoefte zich niet bloot te geven, maar in raadsels te spreken en vermomd onder zijn medemensen rond te lopen. Telkens weer komt men passages tegen waar hij op deze dingen zinspeelt:


Ieder [voor de kennis] uitverkoren mens zoekt instinctief zijn geheime burcht, waar hij van de menigte, de velen, de overgrote meerderheid verlost is, waar hij de uitzondering mag zijn op de regel 'mens'...Wie in de omgang met de mensen zo nu en dan niet groen en grijs wordt van walging, verveling, medelijden, versombering, vereenzaming, is stellig geen mens van superieure smaak. (Voorbij goed en kwaad § 26)


Nu heeft hij deze wijsheid geleerd: "Men moet het moeras niet omroeren. Men moet op bergen leven." Zarathoestra voelt zich nu letterlijk verlost van de mensheid. Hij eindigt door op te merken dat hij zich nu gezond begint te voelen.

In de zeven hoofdstukken die nog volgen is Zarathoestra geheel alleen en spreekt hij met zijn diepste en gezondste eigen stem. Alleen op die manier kan de voltooiing van zijn persoon (van iedereen) geschieden.