Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.1    Het Honingoffer

Zarathoestra staat alweer gereed om 'naar beneden te gaan'. Maar ditmaal zal het een ander terugkomen tot de mensheid zijn. Zijn 'kruisiging', 'ondergang' is nu achter de rug, 'de opstanding' werd ervaren in de metamorfose tot kind; wat rest is dus 'de wederkomst'. Jezus sprak tegen zijn discipelen op de laatste dag voor zijn ondergang: "Ik zeg jullie: vanaf vandaag zal ik niet meer van de vrucht van de wijnstok drinken tot de dag komt dat ik er met jullie opnieuw van zal drinken in het koninkrijk van mijn vader." (Matth. 26: 29). Dit koninkrijk wordt volgens christenen ingeluid wanneer Christus ooit eens weer terugkomt. Nietzsche laat Zarathoestra nu opnieuw optreden als koning in zijn eigen rijk. Hij fantaseert een parodie op het bijbelverhaal, waarin Zarathoestra in zijn koninkrijk de wijn drinkt met zijn volgelingen. Het valt te verwachten dat ook deze symboliek van de wederkomst wordt omgedraaid: het koninkrijk van Zarathoestra wordt niet met grote fanfare en majesteit 'opgelegd van boven' (zoals de bijbelse fantasie), maar het zijn de mensen die zich uiteindelijk, wanneer ze hun dwaalwegen tot het einde hebben gelopen, tot Zarathoestra zullen keren, en hij laat zich dan vinden. En wanneer het feest gevierd is (door Zarathoestra gegeven om ze te genezen) bemerkt Zarathoestra dat de Geest der Zwaarte van de hogere mens wijkt, dwz hun walging van het leven verdwijnt vanwege 'de mannenkost' die hij hen geeft. Maar zodra de hogere mens zich weer wat beter voelt vervalt hij weer in een armzalige vorm van religie. Zarathoestra concludeert dat de hogere mens zoals de huidige mensheid die kent niet de mens is die hij op het oog heeft. Om hun armetierigheid te onderstrepen slaken ze net voor het einde van het boek een kreet van ontzetting en slaan ze allemaal in een oogwenk op de vlucht bij het zien van een sterke leeuw die zich naast Zarathoestra heeft gevlijt. Zarathoestra blijft uitkijken naar zijn toekomstige kinderen, en ziet zijn bemoeienis met en omkijken naar de zogenaamde hogere mens om hem heen slechts als een verzoeking: het beroep dat mededogen op hem doet, waaraan hij als mens maar al te licht gehoor geeft, maar welk effect weinig anders kan zijn dan hem af te houden van het volvoeren van zijn eigenlijke werk, het werken aan de verre toekomst.


Dit eerste hoofdstuk vangt aan door te zeggen dat er maanden en jaren voorbij trokken, zonder dat Zarathoestra ook maar iets doet of zegt. Hij zit slechts eenvoudig op de steen voor zijn grot, ongetwijfeld de steen van de Eeuwige Wederkeer, van de geest der Zwaarte, de steen van Surlei aan het meer Silvaplaza die voor Nietzsche zo'n grote symboliek bevatte. Het erbovenop zitten staat symbool voor het overwonnen hebben evenals het stil voor zich uit kijken naar de Afgrond, naar bochtige ravijnen en naar de uitgestrekte zee, dus de realiteit van het leven koel en zonder opium van de religie moedig onder ogen zien. De tijd gaat ongemerkt aan hem voorbij, en Zarathoestra's haren worden wit. Naast het overwonnen hebben beeldt de gehele scene de zalige vrede uit die nu heerst in het hart van Zarathoestra. Meteen erop wordt dit serene beeld aangevallen door quasi onschuldige opmerkingen van Zarathoestra's dieren:


'O, Zarathoestra', zeiden ze, 'zie je wellicht uit naar jouw geluk?'
-'Wat is er aan geluk gelegen!' antwoordde hij, 'ik streef al lang niet meer naar geluk, ik streef naar mijn werk.'


Voor de denker die lang met filosoferen bezig is geweest valt het begrip 'geluk' uiteindelijk weg als een bijzaak. Ditzelfde wordt in de allerlaatste regels van het boek nogmaals herhaald: "Mijn verdriet en mijn mededogen -wat doet het ertoe! Streef ik dan naar geluk? Ik streef naar mijn werk!" Zarathoestra's dieren plagen hem nogmaals door hem te steken met het begrip 'geluk': wanneer het niet gaat om geluk dan is het op z'n minst een twijfelachtige bezigheid filosofisch bezig te zijn. Ze merken nu zogenaamd als grap op dat hij zich blijkbaar niet zo met geluk bezighoudt omdat hij allang in een 'hemelsblauw meer van geluk' ligt. Zarathoestra begrijpt de spot die hier wordt opgediend, en noemt ze 'olijke narren'. Als ware filosoof die ware wijsheid heeft opgedaan antwoordt hij: "Maar jullie weten ook dat mijn geluk zwaar is, en niet als een vlietende watergolf: het bedrukt mij en wil niet van me wijken en gedraagt zich als gesmolten pek." Er bestaat geen geluk zonder ook het tegendeel grondig te kennen. Zijn dieren worden met dit wijze antwoord echter niet tevreden gesteld, maar gaan maar door met prikken:


'O, Zarathoestra', zeiden ze, 'daardoor komt het dus dat jij zelf steeds geler en donkerder wordt, hoewel jouw haar er wit en vlasserig uit wil zien? Kijk toch, je zit onder de pek!'


Zarathoestra wordt er dus van beschuldigd dat hij de verlossing, de gelukzaligheid, niet heeft bereikt, ondanks het extatische slot van het vorige deel. Zijn dieren hebben hier dezelfde functie als het kind in de droom waarmee deel twee begon: onschuldige instrumenten om een eerlijke waarheid te laten zien die Zarathoestra niet wil zien. Maar dit spreekt Zarathoestra nu met klem tegen:


Wat zeggen jullie nu, mijn dieren? Voorwaar, het was een vergissing toen ik van pek sprak. Zoals het mij vergaat, zo vergaat het alle vruchten die rijpen. Het is de honing in mijn aderen die mijn bloed dikker en mijn ziel stiller maakt.


Hij voegt eraan toe dat het inderdaad wel tijd wordt om eens iets te doen, namelijk een hoge berg te beklimmen en daarboven een honingoffer te brengen. We hebben hier weer eens een verwijzing naar de bijbel met een bijgedachte: in de bijbel wordt een bloedoffer gebracht aan God, en honing is het symbool voor het leven in overvloed ('het land overvloeiende van melk en honing'). Zarathoestra heeft nu honing en geen bloed meer in zijn aderen stromen; hij is nu bereid van zijn overvloed een aalmoes van dankbaarheid aan de godheid te schenken. Maar zelfs dit denkbeeld is slechts een voorwendsel om de dieren om de tuin te leiden en van ze af te komen: eenmaal alleen laat hij weten dat hij helemaal niets met offeren te maken wil hebben. Hij heeft namelijk helemaal niets te offeren, omdat zijn levenswijze zo'n denkbeeld geheel onmogelijk maakt: hij verkwist als regel alles wat hem maar geschonken wordt. Alles wat hij heeft geeft hij weg aan jan en alleman. Hij gooit zijn overvloed als lokspijs van een visser in de zee, waar het wemelt van begeerlijk leven, zo begeerlijk dat zelfs goden er zin in krijgen om vissers te worden en uitwerpers van netten. Dit is een spottende zinspeling op een gelijkenis van Jezus in Matthes 13: 47-50: "Het koninkrijk der hemelen is als een net dat in de zee geworpen werd, en allerlei vis verzamelde. Toen het vol was werd het op het land getrokken en verzamelde men de goede vis in kuipen, en gooide men de slechte vis weg. Zo zal het gaan bij de voltooiing van de wereld: de engelen zullen erop uittrekken en de kwaadwilligen van de rechtvaardigen scheiden." Zarathoestra heeft geen gedachte aan schifting van goed en slecht, maar zegt eenvoudig de vis naar zijn hoogte te trekken. Hij heeft hierbij geen haast, maar kent ook geen bijzonder geduld. Hij rust eenvoudig in zijn 'eeuwig noodlot', dwz in de kosmische wil die boven alles staat. De visbuit zal ahw vanzelf wel gevangen worden. Hij vraagt zich nu wel af of hij een dwaas is, door een hoge berg op te gaan en daar vissen denkt te vangen! Maar hij verkiest deze dwaasheid toch boven wat hij als een nog grotere dwaasheid beschouwt: naar beneden gaan en een hoogdravende toornende brieser te worden die mensen vermaant: 'Hoort mij aan, of ik ransel jullie met de gesel Gods!', dwz het op de manier te doen van de profetische boodschappers in de bijbel en van de christelijke evangelisten van alle eeuwen. Hij noemt deze mensen 'ongeduldige lawaaitrommels'. Hij zegt niet te heven spreken of preken: ooit moet het noodlot waarvan hij weet heeft verschijnen. Hij staat op eeuwige grond, op hard oergesteente, dwz hij weet dat zijn inzichten onontkoombaar zullen zijn voor de rest van de mensheid. En met het onontkoombare noodlot bedoelt hij die Grote Middag, waarover hij eerder al repte. Hij noemt het deze keer 'ons Grote Hazar', en 'het Zarathoestra-rijk van duizend jaren'. De termen verwijzen alweer naar de bijbel. Hazar is het hebreeuwse woord voor Stad, en tot de visioenen over de wederkomst behoren visioenen over het Nieuwe Jeruzalem en het Duizendjarig rijk van Christus (Openbaring van Johannes) waar de christenen altijd naar uit hebben gezien.
Het werk van Zarathoestra is eenvoudig het bereiden van de glinsterende lokspijs geweest -de honing van zijn hart-, en het is af. Hij hoeft nu slechts lachend toe te kijken hoe deze spijs als een angel in de buik zal bijten van alle zwarte mensendroefenis.


In dit hoofdstuk komen we Nietzsches beroemde motto tegen: "Word wie je bent." Nu we al drie delen van Zarathoestra aandachtig doorgelezen hebben is de spreuk niet raadselachtig meer, maar eenvoudig de beknopte samenvatting van Nietzsches filosofie in Aldus sprak Zarathoestra: vanuit het perspectief van dichtbij bezien is een mens bezig met worden (scheppen, nastreven, uitvoeren van de wil tot macht), maar vanuit het perspectief van veraf is dit alles een onderdeel van het zijn dat onveranderlijk is. Het n sluit het ander niet uit, beiden zijn waar. Aan het motto gaan deze woorden vooraf: "Want dit ben ik van grond en aanvang aan, trekkend, aantrekkend, optrekkend, opvoedend, een trekker, teler en tuchtmeester", dwz de spreuk moet gelezen worden met de klemtoon op "word", word wie je bent. Het is een uitnodiging tot durf jezelf te zijn. Het altoos aktief zijn laat ook zien dat het hoogste filosofische inzicht van de noodzaak en eeuwige wederkeer en het onveranderlijke zijn niet tot apathie, fatalisme en passiviteit hoeft te leiden, maar men het kan laten werken als weten dat een innerlijke 'zalige' rust schenkt temidden van het worden, veranderen, streven, scheppen en verlangen: ten alle tijden z moet het zijn, z is het goed. Een diepe boodschap van 'Word wie je bent' is daarom niet dat men eeuwig 'onder constructie is', 'nooit af', 'altijd in wording', 'iets anders zijn moet', dus telkens iets van buitenaf nodig heeft om beter, meer, gezonder, groter, perfecter te zijn, maar precies het tegendeel: ondanks dat het leven altijd worden is en veranderen en we eigenlijk niets anders kennen in het leven dan in iets anders veranderen, zijn wij mensen en al het andere in het bestaan van begin tot eind al af, voltooid.