Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.10    Middag

Walter Kaufmann omschrijft dit hoofdstuk met de woorden "A charming Intermezzo". Hoe men de plank zˇ mis kan slaan is mij een raadsel! Maar Kaufmann en vele andere commentators beginnen hun commentaar op dit deel dan ook zo: "Part four was originally intended as an intermezzo, not as the end of the book." Of dit nu wel of niet waar is, het is uiteindelijk enkel en alleen iets van belang geweest voor de schepper zelf. Iedere lezer doet zichzelf buitengewoon veel schade aan wanneer hij met zo'n openingsgedachte begint: hij zal dan uiteraard nooit meer iets diepzinnigs tegenkomen in dit deel.


Dit hoofdstuk is het tegendeel van een 'charming intermezzo'. De mystieke hoofdstukken III.4 en dit hoofdstuk zijn de absolute hoogtepunten uit het gehele boek, omdat Nietzsche hier de absolute hoogtepunten uit een mensenleven beschrijft. Direct hieronder in belangrijkheid staan de hoofdstukken die van het grote verlangen naar deze ervaringshoofdstukken spreken: II.9 (Het Nachtlied), en de laatste drie hoofdstukken van deel 3. Daar weer onder staan de hoofdstukken met innerlijke nachtmerries, worstelingen die de grootste dilemma's onder woorden brengen. Daaronder de hoofdstukken die rationele wetten doorzien en universele inzichten schenken (de Wil tot Macht, De Eeuwige Wederkeer, de Wet van de Geest der Zwaarte, het willen veroorzaken van pijn als gevolg van eigen pijnlijden). Al het andere, -de talloze hoofdstukken van bijtende kritiek op deze en gene, de hartstochtelijke oproepen tot de Bovenmens, Zarathoestra's individuele tocht naar eenzaamheid, naar afzondering, naar hoge bergen en winterse kou, zijn talloze adviezen, inclusief deel 1 in zijn geheel- is de praktische uitwerking van het absolute hoogtepunt van het leven, onder woorden gebracht in III.4 en IV.10 en slechts hier en daar elders: de zeldzame ervaring dat het aardse leven perfect is. Het is natuurlijk wel begrijpelijk dat hoe minder een mens benul heeft van processen van buitengewoon zware innerlijke worsteling, en van de buitengewoon krachtige ervaring die men mystiek noemt als bevrijding ervan, des te meer hij bovenstaande indeling van de hoofdstukken op zijn kop zal zetten.


Zarathoestra heeft het hogere menszijn in zijn totaliteit ontmoet, en opgemerkt wat er aan mankeert. De sombere of toornige weeklagen, valse of slinkse gedachtenkronkels heeft hij ontmaskerd voor wat ze zijn. Hij heeft deze trieste personages niet slechts weerstaan, maar heeft ze te woord gestaan precies op de manier die hij in I.7 al beschreef:


Ik gevoel niet met jullie: deze wolk die ik onder me zie, deze zwartheid en zwaarte waar ik om lach, -juist dat is jullie donderwolk. Jullie kijken naar omhoog als jullie verlangen naar verheffing. En ik kijk omlaag omdat ik verheven ben.
Wie van jullie kan lachen en tegelijk verheven zijn? [antwoord: niemand van de hogere mens] Wie de hoogste bergen bestijgt, lacht om alle treur-spel en treur-ernst. Moedig, onbekommerd, spottend, gewelddadig - zo wil ons de wijsheid: zij is een vrouw en heeft altijd enkel een krijger lief...ik geloof enkel aan een god die verstand heeft van dansen! Toen ik de Duivel zag, vond ik hem ernstig, degelijk, diep, plechtig: het was de Geest der Zwaarte. Niet door toorn, maar door lachen doodt men. Komaan, laat ons de Geest der Zwaarte doden!
Ik heb leren vliegen: sindsdien wil ik niet meer geduwd worden om van mijn plaats te komen. Nu ben ik licht, nu vlieg ik, nu zie ik mezelf onder mij, nu danst door mij heen een god.


Deel vier is precies de illustratie van bovenstaande woorden. De Geest der Zwaarte laat zich eerst in alle vormen aan Zarathoestra zien; hij staat er met een glimlach boven. Hij stuurt de hele 'stoet van zwaarte' naar zijn grot om ze 's avonds therapie te geven. Na ze allemaal aanschouwd en te licht (of beter gezegd: te zwaar) bevonden te hebben, gaat hij zelf alleen verder en ervaart het unieke moment van "nu danst door mij heen een god". Het gebeurt wanneer het middaguur aanbreekt, dwz op het moment van de kortste schaduw, wanneer de mens geneest van de grootste vergissing, het onderhorig zijn aan de geest der zwaarte en daaruit voortvloeiende religieuze waan. Nietzsche voorspelt dat het eens gebeuren zal voor de gehele mensheid. Dit hoofdstuk beschrijft dit beslissende moment in het individuele leven van Zarathoestra. Het is ahw de illustratie van de ontknoping van wat er gebeurde in III.13, De Genezende. Hij ervaart een moment van zalige rust. Het is het Zarathoestra-equivalent van de rust van God op de zevende dag toen alles geschapen was. Zarathoestra's werk is volbracht - hij ervaart het leven in de meest extatische bewoordingen van bevestiging:


Stil! Stil! Werd de wereld zoŰven niet volmaakt? Wat overkomt me toch? Zoals een teer briesje, ongezien, danst op de spiegelgladde zee, licht, verderlicht: zo -danst de slaap op mij. Geen oog drukt hij toe, mijn ziel laat hij wakker. Licht is hij, voorwaar! verderlicht.
Hij haalt me over, ik weet niet hoe, hij tipt me van binnen aan met strelende hand, hij dwingt mij. Ja, hij dwingt mijn ziel zich uit te strekken- hoe lang en moe wordt ze, mijn heerlijke ziel! Is de avond van de zevende dag juist in de middag tot haar gekomen?...Ze rekt zich uit in de lengte, lang -langer! ze ligt stil, mijn wonderlijke ziel. Te veel goeds heeft ze reeds geproefd, deze gulden droefheid bedrukt haar, ze vertrekt haar mond. -Als een schip dat zijn stilste baai is binnengelopen: - nu leunt het op de aarde, moe van lange reizen en ongewisse zeeŰn. Is de aarde niet trouwer?


Hier is Zarathoestra op zijn uiteindelijke bestemming. Een uniek moment van perfectie, zoals hij dat eerder ook geheel onverwacht ervoer in III.4. Merk op dat de 'uiteindelijke bestemming' gelegen is in het inzicht dat uitgesproken wordt in de laatste zin: "Is de aarde niet trouwer?" Dwz: is zij niet trouwer dan alle religieuze waan? Deze volmaaktheid is exact de tegengestelde ervaring van de religieuze ervaring waarvan Zarathoestra in II.2 zei: "God is een gedachte die al wat recht is krom maakt, en al wat vast staat draaierig. Dit te denken is werveling en duizeling voor menselijk gebeente, en braken voor de maag; ik noem het de draaiziekte om met deze gissingen bezig te zijn. Kwaad noem ik het en mensvijandig."


Zoals een moe schip in de stilste baai: zo rust ook ik nu dicht op de aarde, vol vertrouwen, wachtend, met de fijnste draad verbonden aan haar.
O geluk! O geluk! Je wilt wel zingen, o mijn ziel? Je ligt in het gras. Maar dit is het geheime, plechtige uur waarop geen herder zijn fluit bespeelt.


Aldous Huxley merkte ooit hetzelfde op: "Afgezien van de stilte kan slechts muziek het onuitsprekelijke uitbeelden." Indien zelfs de herder dit moment niet kan bespelen, dan is de gelukzaligheid slechts uit te beelden door absolute stilte, met associaties aan het niet-zijn en de tijdloosheid. Het moment is daarom niet bewust op te roepen: het komt geheel onverwachts naar een mens toe. Zarathoestra somt deze hoogste vorm van mystiek op in de woorden: "Zo -lacht een god. Stil!" Deze ervaring, waar de mens het ÚÚnworden met God ervaart zou men in het geval van Zarathoestra athe´stische religie, of athe´stische mystiek kunnen noemen: de mens stijgt niet op tot God (zoals de gnostieken en mystici van vroeger), maar het godsbegrip 'daalt uit de hemel neer' totdat het voor honderd procent vermenselijkt en veraards is en enkel en alleen en in zijn totaliteit in de mens belichaamd en ervaren wordt.
Zo'n mystieke ervaring is altijd 'buiten de tijd'. Zarathoestra vraagt zich daarom af of hij nu "de eeuwigheid" ervaart, het ervaren van het aardse bestaan in zijn volledigheid, van eeuwig verleden tot eeuwige toekomst; het bestaan in zijn totaliteit bezien als van buitenaf. Wanneer een mens in de tijd leeft is het een moeizame, soms allesvergende tocht, maar 'erbovenuit' worden getild ('uittreding') laat dit alles wegvallen. De mystieke ervaring is dan ook de vervulling van het verlangen waar deel 3 mee eindigt (De Zeven Zegelen):


O, hoe zou ik niet hunkeren naar de eeuwigheid en naar de bruiloftsring aller ringen - de ring der wederkomst! Nog nimmer heb ik de vrouw gevonden bij wie ik me kinderen wenste, tenzij deze vrouw die ik liefheb: want ik heb jou lief, o eeuwigheid!"


Maar op het moment dat een mens dit hoogtepunt bereikt valt hij onherroepelijk weer naar beneden. Het is de wet van het aardse leven de momenten van gelukzaligheid slechts heel af en toe te mogen proeven; het leeuwendeel van het leven moet geleefd worden in de hunkering naar de eeuwigheid:


"Werd de wereld zoŰven niet volmaakt? Rond en rijp? O, gouden ronde ring -waar vliegt hij heen? Ik ren hem achterna! Hoeps!

Stil - -(en hier rekte Zarathoestra zich uit en voelde dat hij sliep.)
Op! sprak hij tot zichzelf. O slaper! O middagslaper! Kom, vooruit, oude benen! Het is tijd en meer dan tijd, een flink stuk hebben jullie nog te gaan.


Wanneer Zarathoestra uit de mystieke ervaring ontwaakt staat de zon nog steeds op zijn hoogst: de tijd stond als het ware stil, maar de ervaring duurde in werkelijkheid maar een moment. De ervaring van de hoogste mystiek is gelukzaligheid die kan worden omschreven met 'uit de tijd te worden weggehaald' en de 'gouden ring van de eeuwigheid' te bezien. Het is de verlossende ervaring van 'Het is volbracht'. Wanneer men deze momenten ervaart gelooft men opeens in de ziel van een mens.


Eigenlijk is Zarathoestra met deze bevestiging van het leven op het eindpunt gekomen. Hij is eindelijk op de plaats van bestemming gekomen. Zijn afgrond is verdwenen, zijn innerlijke strijd is volkomen gestreden; voorzover hij nu nog verder leeft leeft hij "in de kracht van de eeuwigheid" en wacht hij op het moment dat de hemel boven hem zijn ziel die als een droppel dauw op aarde is gevallen weer in zich op zal drinken.