Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.11    De Begroeting

In dit hoofdstuk maakt Nietzsche eerst duidelijk dat alle eerdere verschijningen aan Zarathoestra de noodkreet van de hogere mens waren. De kreet wordt opnieuw geslaakt door al zijn gasten die zich nu in zijn grot bevinden. Vreemd genoeg merkt Zarathoestra nu pas op dat zij de slakers van de noodkreet zijn. Blijkbaar is dit bedoeld als sarcasme: de Waarzegger had namelijk gezegd dat de slaker van de noodkreet 'de hogere mens' was, maar in zijn ontmoetingen met de personages kwam Zarathoetra niets tegen wat aan het begrip 'hoger' voldeed. Vandaar dat hij steeds maar urenlang door bleef zoeken en nu zegt: "Ik hoorde dus jullie noodkreet? Nu weet ik ook waar hij gezocht moet worden die ik vandaag tevergeefs heb gezocht: de hogere mens."
Waar het hen ten eerste aan ontbreekt is een vrolijk gemoed:


Toch vormen jullie, dunkt me, een slecht gezelschap. Maken jullie elkanders hart niet bars, o schreeuwers in nood, wanneer jullie hier bijeen zitten? Eerst moet iemand komen, -iemand die jullie weer laat lachen, een goede vrolijke hansworst, een danser en losbol en wildebras, een of andere oude nar, vinden jullie niet?


In De Genealogie van de Moraal verwijst Nietzsche (in de tweede verhandeling §24) opnieuw naar "hij die eens moet komen", de mens die de grote gezondheid brengt, de verlossende mens. Daar krijgt men een beter idee van wat Nietzsche hier bedoelt. Het gaat niet zozeer om een domme onbesuisde losbol, maar om iemand die beseft dat het geweten van de mens op ontelbare manieren is mishandeld vanwege allerlei idealen die de mens in de loop van de geschiedenis bedacht heeft en aan het menszijn in het algemeen voortdurend oplegt, en waardoor de moderne mens zich uiteindelijk geestelijk ziek voelt. Het slechte geweten van de mens is het gevolg van het viesmaken van al het natuurlijke (dierlijke) in de mens. Om hiervan een idee te krijgen behoeft men maar Deuteronomium 21:18-21 op te slaan in de bijbel om te zien hoe ouders worden opgeroepen hun eigen kind dat een ongehoorzame losbol of wildebras is uit te leveren om gestenigd te worden! Onnatuurlijke idealen zijn de mens tot een vloek geworden, en hiervan zal hij eens bevrijd moeten worden:


Hebben jullie je ooit wel voldoende afgevraagd hoe duur de constructie van welk ideaal dan ook op aarde moet worden betaald? Hoeveel werkelijkheid daar altijd voor belasterd en geloochend, hoeveel leugens geheiligd, hoeveel geweten ontredderd, hoeveel 'God' daar telkens voor moest worden opgeofferd? Voordat er een heiligdom kan worden opgetrokken, moet er eerst een heiligdom worden gesloopt: dat is de regel. Laat men mij eens een geval zien waarin die regel niet is opgegaan! Wij moderne mensen, wij zijn erfgenamen van duizenden jaren oude vivisektie op het geweten en van een door onszelf gepleegde mishandeling van het dier in ons: daarin hebben we onze langste oefening, ons kunstenaarschap misschien, in elk geval raffinement, en een verwende smaak. De mens heeft zijn natuurlijke neigingen al te lang met het 'boze oog' bekeken, zodat ze tenslotte onafscheidelijk zijn geworden van het 'slechte geweten'. Een poging om het tegenovergestelde te bereiken zou in principe mogelijk zijn, maar wie is daar sterk genoeg voor? -wie heeft de kracht om een verband te leggen tussen het slechte geweten en de onnatuurlijke neigingen, al dat streven naar het bovenzinnelijke, naar alles wat tegen de zinnen, de instincten, de natuur, het dier indruist, kortom, al die idealen die het leven vijandig gezind zijn, de idealen die de wereld belasteren. Tot wie moet men zich vandaag de dag met dergelijke wensen en eisen wenden? Juist de goede mensen zou men tegen zich hebben; en uiteraard ook al de gemakzuchtige, de berustende, de ijdele, de dweepzieke, de vermoeide mensen. ... Maar eens, in een sterkere tijd dan dit wrakke, aan zichzelf twijfelende heden, moet hij toch tot ons komen, de verlossende mens van de grote liefde [voor het aardse] en de grote verachting [voor het metafysische], de scheppende geest, die door zijn dwingende kracht altijd weer uit elke afzijdige of hogere sfeer gejaagd wordt, wiens eenzaamheid door het volk wordt misverstaan, alsof zij een vlucht voor de werkelijkheid zou zijn...wanneer hij voor de dag komt zal hij de verlossing van deze werkelijkheid met zich meebrengen: de verlossing van de vloek die het ideaal tot dusver op haar heeft doen rusten. Deze mens van de toekomst, die ons evengoed van alle gebruikelijke idealen zal verlossen als van de grote walging, van de wil tot het niets, van het nihilisme, deze klokslag van twaalf uur 's middags en de grote beslissing, die de wil weer vrijmaakt, die de aarde haar doel en de mens zijn hoop teruggeeft, deze antichrist en antinihilist, deze overwinnaar van God en het niets - hij moet eens komen.


Nietzsche schildert hier de komst van de antichrist als een messiaanse toekomstverwachting. Maar terugkijkend op de geschiedenis zal het duidelijk zijn dat hijzelf de man was die de kracht had 'het tegenovergestelde te bereiken', en dat de tijd waarin 'het niets' (de religieuze waan) werd overwonnen in de 20ste eeuw op ontelbare wijzen en door ontelbare mensen in Europa voor een groot deel werd bewerkstelligd, -veelal inspiratie puttend uit zijn schrijven. Voor Nietzsche zelf was het echter een proces waar hij tijdens het schrijven van Zarathoestra, -zelfs tijdens het schrijven van de Genealogie-, nog midden in zat; hij noemde zichzelf pas in september 1888 de Antichrist.
Hij kenmerkt het gezelschap van 'hogere mensen' tot viermaal toe als 'wanhopigen'. Tezelfdertijd laat Nietzsche zien dat hij niet arrogant op ze neerkijkt. Hij laat de hogere mens door de mond van één van de koningen de volgende definitie geven van 'hogere mens': "het laatste restje god onder de mensen, dwz alle mensen met een groot verlangen, met grote walging en grote weerzin, allen die niet willen leven, tenzij ze weer leren hopen, tenzij ze leren van Zarathoestra." In andere woorden, het zijn de mensen met dezelfde kenmerken als Zarathoestra zelf in III.13, de Genezende. De personages zijn dus letterlijk de schaduwen van Zarathoestra zelf, de ervaringen en/of fasen in zijn denken die hijzelf doorleefd heeft. "Het laatste restje" is een zinspeling op het bijbelse begrip van 'het gelovig overblijfsel' dat God zelfs in de hoogste nood altijd overeind houdt, en aan wie altijd beloftes worden gedaan van een nieuwe toekomst. Zarathoestra als hoop voor de mensheid contrasteert natuurlijk met "Jezus Christus, onze hoop" uit 1 Tim. 1:1, en het leren van Zarathoestra is de parallel met "Neemt mijn juk op u en leert van mij [=Jezus]" uit Matth. 11:29.
De koning zegt vervolgens dat de golven van wanhoop steeds hoger worden rondom de berg van Zarathoestra en uiteindelijk zijn schuitje zullen laten varen. Aan het eind van zijn toespraak wil hij Zarathoestra's hand vastgrijpen om die te kussen, maar Zarathoestra stelt geen prijs op zijn verering. Zijn reactie op de speech van de koning is recht op de man af, grof en bot (Nietzsche noemt deze manier van optreden in een wrang grapje 'duits'). Hij zegt dat 'de hogere mensen' niet hoog en sterk genoeg zijn om zijn krijgers te zijn. Ze staan op zieke en zwakke benen, en zijn vooral uit op het ontzien van zichzelf.


Ik heb gladde spiegels nodig voor mijn leringen. Op jullie oppervlak vertekent zelfs mijn eigen beeltenis nog. Op jullie schouders drukt menige last, menige herinnering; menig boze dwerg zit ineengedoken in jullie nissen. Ook in jullie zit verborgen grauw. En al zijn jullie hoog en van hogere aard: veel aan jullie is krom en wanstaltig. Er is geen smid op aarde die jullie in de juiste vorm en recht kan slaan.


Bovenstaande uitspraak zal de lezer die van kinds af aan ondergedompeld is geweest in één of ander vroom geloof aan het denken zetten of hij ooit in staat is de geest der zwaarte van zijn verleden te ontgroeien en te kunnen beantwoorden aan de idealen van 'een vrije geest' die Nietzsche voor ogen had. Misschien is het onmogelijk. Nietzsche had ook zelf zo'n achtergrond, en is wat dat betreft een goede illustratie. Hoewel hij enkele jaren later, in een achtergelaten notitie die als voorwoord van De Wil tot Macht uitgegeven is van zichzelf de omschrijving geeft: "de eerste volkomen nihilist in Europa, die het gehele nihilisme is doorgewandeld en tenslotte heeft achtergelaten, buiten zichzelf" en in dezelfde passage zegt het nihilisme "doorleefd te hebben, zowel logisch als psychologisch", kan men zich met recht afvragen of hij zich hierin niet vergiste. Maar men kan zich troosten met de gedachte dat zijn leven pas op de helft was toen het op onnatuurlijke wijze afgebroken werd; menig ander mens heeft nog een tweede helft van het leven ter beschikking om te groeien en te rijpen.


Door de hogere mens weer te bestempelen als traptreden naar iets hogers, of als bruggen waar anderen ooit overheen zullen lopen op hun weg naar de overkant laat hij zijn gedachten weer teruggaan naar de Voorrede en het begrip Bovenmens aldaar. Het is belangrijk te beseffen dat de Nietzscheaanse ideale mens niet de mens is die 'filosofie met de hamer' bedrijft, het grote verlangen en de grote walging aan de dag legt (dus de mens die geniet van Nietzsches bijtende kritiek en genadeloze argwaan, en in zijn leven dezelfde manier van optreden aan de dag legt). Dit alles is slechts een fase, een incidentele bijkomstigheid. Het ideaal is juist iemand die door dit alles heen is gegaan, het allemaal achter de rug heeft en er hoog en droog boven staat. De beelden die bij de ideale staat behoren zijn het vederlicht zijn, het vliegen, het dansen en het lachen. In dit hoofdstuk gebruikt Nietzsche de beeldspraak van lachende leeuwen, tuinen en gelukzalige eilanden. En juist deze periode heeft Nietzsche zelf in zijn leven nooit echt bereikt. Tot het einde van zijn optreden zijn zijn geschriften polemisch, strijdschriften. Het einde van zijn optreden is zelfs als een explosie van de heftigste uitvallen tegen het christendom die ooit iemand maar schreef. Vandaar dat hij altijd maar bleef uitkijken naar 'zijn kinderen'. Het hoofdstuk sluit af met een ontboezeming van Nietzsche die zijn diepste drijfveer blootlegt:


Wat zou ik al niet weggeven, opdat ik één ding had: deze kinderen [van de toekomst], deze levende planting, deze levensbomen van mijn wil en van mijn hoogste hoop!