Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.12    Het Avondmaal

Nietzsche doet nu een frontale aanval op het heiligste der heiligen van het bijbelse geloof. Hij heeft gasten in zijn grot gekregen om een maal te nuttigen; aangezien het avond is wordt het een avondmaal; aangezien er naast hem twaalf aanwezigen zijn (negen mensen en drie dieren) hebben we een duidelijke persiflage op het bijbelse Avondmaal.
Het nieuwtestamentische avondmaal wordt gevierd met brood en wijn, symbolen voor het lichaam en bloed van Christus. De waarzegger -vanwege het nihilist-zijn zich blijkbaar concentrerend op het lichamelijke- heeft genoeg van redevoeringen, en wenst dan ook wijn! Spottend laat Nietzsche weten dat wijn plotse genezing en pronte gezondheid schenkt voor hen die geestelijk moe zijn en kwijnen. De Koning ter Rechterzijde laat meteen weten dat er wijn genoeg is, namelijk een ezel vol! Ditmaal is de hint voor de goede verstaander dat alle feesten die met wijn gevierd worden geboren zijn uit domheid. Zarathoestra drinkt water, symbool voor gezond zijn. Er wordt vervolgens om brood gevraagd, maar Zarathoestra laat weten dat brood juist het enige is wat kluizenaars niet hebben, want -en hij citeert de eerste helft van Jezus' uitspraak-: "De mens leeft niet van brood alleen". In de bijbel wordt dit vervolgd met "maar van alle woord dat klinkt uit de mond van God", maar Zarathoestra maakt ervan: "maar hij leeft ook van het vlees van goede lammeren, waar ik er twee van heb." Het Avondmaal is een herinterpretatie van het Pesach feest van het Oude Testament. In het oorspronkelijke ritueel at men een geslacht lam in haast, en met 'bittere kruiden', ter herdenking van de haastige Uittocht uit bittere slavernij. Vandaar dat Zarathoestra laat weten dat ze vlug moeten worden geslacht en ook met kruiden. Zo neemt Nietzsche ook het jodendom op de hak. Bij Zarathoestra zijn de kruiden echter juist om er iets buitengewoon lekkers van te maken. Dat hij twee lammeren heeft zou erop kunnen duiden dat het andere lammetje dat gegeten wordt symbool staat voor de christenen (= schapen die door de Goede Herder geweid worden), waar hij korte metten mee maakt. Hij laat tenslotte nog weten dat er geen gebrek is "aan noten en andere raadsels om te kraken", een geraffineerd grapje dat de lezer uitdaagt om alle symboliek te proberen te doorgronden.


Vervolgens zet Zarathoestra de Koningen op hun plaats door ze als kok te laten fungeren. De Bedelaar uit Vrije Wil drinkt geen wijn en eet geen vlees, maar houdt zich aan zijn graankorrels en drinkt water. Men zou het kunnen zien als een hint dat Jezus niets te maken wil hebben met wat de kerk van alle eeuwen van hem gemaakt heeft. Zarathoestra schrijft hem niet de wet voor, maar gebiedt hem geheel volgens zijn leer trouw te blijven aan zijn weg. Maar hij laat wel weten dat zijn volgelingen niet zo teerhartig en ernstig behoren te zijn: "geen somberman en geen droomhans". Nietzsche laat de Bedelaar ook nog een grapje maken. De Bedelaar uit Vrije Wil zegt schertsend: "Moet je toch die veelvraat van een Zarathoestra horen!", een opmerking die Jezus te horen kreeg van mensen die het niet op hem hadden (Matth. 11:19: De Zoon des Mensen eet en drinkt en men zegt: 'Kijk toch eens, wat een veelvraat, wat een dronkaard, die vriend van tollenaars en zondaars.'). Nietzsche maakt ook nog een kostelijk grapje over zichzelf door de Koning ter Rechterzijde te laten uitroepen: "Zonderling! Vernam men ooit eerder zulke schrandere woorden uit de mond van een wijze? En waarachtig, dit is het zonderlingste in een wijze, als hij daarenboven ook nog schrander is en geen ezel.", waarop de ezel 'kwaadwillig' I-a balkt.


Nietzsche besluit het korte hoofdstuk met de opmerking "En daarmee begon de lange maaltijd die in de kronieken te boek staat als 'Het Avondmaal'", een opmerking die verraadt dat Nietzsche speelde met de gedachte dat zijn Zarathoestraboek op de één of andere manier de rol van de oude bijbel zal overnemen in de toekomst. "Gedurende deze maaltijd werd evenwel van niets anders gesproken dan van de hogere mens" zijn de laatste woorden. Zarathoestra's preek voor de hogere mens vinden we in het volgende hoofdstuk.