Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.13    Van de Hogere Mens

Zarathoestra houdt tijdens het avondmaal een lange toespraak. De toespraak bevat 20 paragrafen, en nodigt vergelijking uit met vorige hoofdstukken waarin men soortgelijke toespraken aantreft, in het bijzonder III.12. De toespraak in III.12 was gericht op denkbeeldige luisteraars. In dit hoofdstuk spreekt Zarathoestra allemaal oude personen aan die hem zijn komen opzoeken. De hogere mens is niet de Bovenmens, maar de mens van vandaag die een hunkering in zich voelt niet alleen zichzelf te verheffen, maar de gehele mensheid. De hogere mens is de mens die niet slechts lijdt aan zichzelf, maar aan de gehele mensenwereld en er daadwerkelijk wat aan wil doen. De hogere mens is op alle momenten in de geschiedenis de overgangsvorm naar de Bovenmens. Het zijn de scheppers van het nieuwe, de verachters van het menszijn dat tot nu toe bereikt is. De hogere mens is nooit uit op zelfbehoud, maar geeft zichzelf ten behoeve van het grotere. Aangezien alle personages ook Nietzsche zelf zijn in een eerdere staat van denken, of als karaktertrekken kunnen worden beschouwd die hij in zichzelf waarneemt, is zijn speech ook een analyse van zichzelf, een terugblik op het tot nu toe geleefde leven, een moment van zelfcontemplatie. Hij maakt nu de balans op van alles wat achter hem ligt, en zet een laatste maal uiteen wat als gevolg van al deze ervaringen de richting moet zijn om de toekomst in te gaan. Het sleutelwoord dat iemand tot hogere mens maakt is in het bijzonder gelegen in intellectuele eerlijkheid, de zeldzaamste geestelijke schat die een mens kan bezitten, plus het overwinnen van zichzelf, dwz het overwinnen van de geest der zwaarte. De hogere mens is altijd de mens "voor wie de oude God stierf en voor wie nog geen nieuwe God in de wieg en luiers ligt." De boodschap is dan ook een laatste appèl op de lezer om het christelijk geloof achter te laten, en de manier van leven van Zarathoestra te omarmen. Christelijk geloof is voor Zarathoestra synoniem voor 'het grauw', 'onbuigzaam', 'zware voeten', 'triestheid', 'vertoorndheid'. Zijn weg is de weg van de danser, de lacher, de persoon die na mislukken uitroept: welaan, nog een keer!


Zarathoestra legt uit dat zijn volgelingen lange tijd, misschien wel hun gehele leven, gewikkeld zullen zijn in een genezingsproces van het oude christelijke denken, omdat ze uit die denkwereld worden getrokken, in die denkwereld volkomen opgeslokt waren, en zich er daarom voor moeten behoeden niet teveel hooi op hun vork te nemen.


1 De kudde zal nooit tot inzicht komen. De kudde haat mensen die de kudde verachten en naar het hogere streven.
2 De dood van God is een uniek nieuw gegeven in de geschiedenis van de mensheid. De mens dient nu de conclusie te trekken dat hiervoor in de plaats het streven naar de Bovenmens zal moeten komen.
3. Walging aan het huidige menszijn, gekoppeld aan liefde voor de mens, staan aan de basis voor het gestalte geven aan de Bovenmens.
4. In plaats van naastenliefde, middelmatigheid en denken dat om zelfbehoud rondcirkelt, stuurt Zarathoestra aan op moed, durf en trots.
5. Het kwaad is niet altijd en overal 's mensen eeuwige tegenstander, maar moet men meer zien als de kracht die het menszijn vooruit duwt. Op dezelfde manier is het goede niet altijd na te streven, want het kan een kracht zijn tot degeneratie.
6. De reis van de mens is altijd de reis tot ondergang. De hogere mens is de mens die ondergaat vanwege lijden aan de mens, niet vanwege het lijden aan zichzelf.
7. De inzichten van Zarathoestra zijn de inzichten van de verre toekomst. Ze staan zo veraf van de religieuze mens van vandaag, dat velen niets van deze inzichten zullen begrijpen. Het licht van deze inzichten is als verblinding. Sommige mensen zijn niet in staat er iets mee te doen. Maar in plaats van die inzichten te temperen en compromitteren om ze begrijpelijk en aanvaardbaar te maken voor jan-en-alleman, is het beter er voor 100% aan vast te blijven houden en er maar over te zwijgen, als een zware onweerswolk die ongestoord zijn weg vervolgt. Als de bliksem zullen al de inzichten van Zarathoestra hun doel treffen wanneer de tijd rijp is.
8. Bij de weg van Zarathoestra behoort dan ook een waarschuwing: forceer niets, stel geen doel dat je nooit in staat zult zijn te verwerkelijken. Neem niet teveel hooi op je vork, want dan wordt je handelswijze en denkwijze vals. Juist omdat de religieuze mens altijd naar het allerhoogste grijpt mondt het altijd uit in huichelarij, valsheid, onechtheid, stiekemgedoe, uithangbord-deugden. Juist hierdoor verliest men wat groots is, heeft men er geen idee meer van wat oprecht is en mondt men uit in liegen. "Niets acht ik heden kostbaarder en zeldzamer dan oprechtheid."
9. De overtuigingen van de religieuze mens zijn immuun voor rede en argumentering. "Wat het grauw eens zonder gronden heeft leren geloven, hoe zou men het ooit met gronden aan het wankelen kunnen brengen?" Beter is het in het leven altijd argwaan voorop te stellen, want wanneer de waarheid zegeviert steekt meteen de volgende dwaling zijn kop op. Zarathoestra waarschuwt ervoor dat enkel afzweren van de godsdienst niet genoeg is. Sommige mensen "gaan er prat op dat ze niet liegen, maar onvermogen tot liegen is nog lang geen waarheidsliefde. Vrij van koorts is nog lang geen inzicht." Zarathoestra houdt niet van verkilde geesten.
10. Iemand die hoog wil klimmen moet zijn eigen benen gebruiken. En indien hij om nog hoger en sneller te gaan toch iets anders gebruikt, een paard bijvoorbeeld, dan zal hij struikelen wanneer hij eraf springt. Een diepe wijsheid.
11. De grootste wijsheid is dan ook: "Zwanger is men enkel van zijn eigen kind!" Laat men in de eerste plaats toch met zichzelf bezig zijn, en al dat gepraat over de naaste toch afleren, want dat is altijd juist een spel van valse woorden. Laat het dienen van de naaste dit zijn dat men hem het kind baart waar men zelf vol van is.
12. Baren is niet plezier hebben maar pijn lijden, en gebaard hebben is onrein zijn. Pas wanneer het kind er is kan men zijn ziel schoonwassen. Een bijzonder gevaarlijke wijsheid in het licht van wat veel 20ste eeuwse ideologieën hebben teweeggebracht!
13. Opnieuw een waarschuwing om niet teveel hooi op zijn vork te nemen. Doorgedraaide idealistische mensen zijn altijd synoniem voor dwaasheid. "Heeft tot dusver op aarde ooit iets vuilers bestaan dan woestijnheiligen? Rondom hen zette niet alleen de Duivel de boel op stelten, maar ook het zwijn."
14. Maar word ook niet ontmoedigd door misstappen en falen. "En is jullie iets groots mislukt, zijn jullie dan zelf daarom -mislukt?" Mislukken hoort bij het menszijn, het is niet de zonde, maar juist het gezonde menszijn.
15. Hoe hoger het doel is waarnaar men streeft, des te groter de kans dat het mislukt. Leer daarom allereerst te lachen om jezelf. Denk eraan dat alles wat je mislukte de toekomst was, en het ooit wél zal lukken. Denk eraan hoeveel op aarde wél gelukt is, hoeveel op aarde al volmaakt is. Plaats altijd die volmaakte zaken rondom je, om je hart ermee te helen wanneer het nodig is.
16. Zarathoestra beklemtoont dat zijn boodschap exact het tegengestelde is van christelijk geloof: "Wat is hier op aarde tot dusver de grootste zonde geweest? Was het niet het woord van hem [=Jezus] die sprak: Wee hen die hier lachen! Vond hij zelf geen reden tot lachen? dan zocht hij gewoon niet goed. Zelfs een kind vindt hier redenen." Zarathoestra deelt een dolkstoot uit door te vervolgen dat zo'n uitspraak getuigt van een gebrek aan liefde. Als hij echt had liefgehad had Jezus ook lachers liefgehad, maar in plaats daarvan had hij er behoefte aan te dreigen met de hel. "Moet men dan dadelijk vloeken waar men niet liefheeft? dat getuigt, dunkt me, - van slechte smaak". Zarathoestra beleert Jezus nu: "Hij zelf had enkel niet genoeg lief: anders was hij minder vertoornd geweest dat men hem niet liefhad. Alle grote liefde wil niet liefde: -zij wil meer. Gaat al zulke onbuigzamen uit de weg! Ze hebben zware voeten en zwoele harten, ze weten niet hoe te dansen. Hoe zou voor hen de aarde ooit licht kunnen zijn!"
17. Alles is krom op aarde. Leer dat men het kromme dansend moet belopen, nooit star en versteend. "Hij die lichtvoetig is, loopt zelfs nog over slijk heen en danst als op geveegd ijs." Lijden op aarde moet geen reden zijn tot verstarring, maar juist tot het opheffen van de benen, als het moet tot op je hoofd staan.
18. De kroon van het leven moet men zichzelf opzetten. Men dient zijn eigen leven heilig te verklaren, men dient zelf het leven heilig te verklaren. Zarathoestra merkt op dat hij, de lichtvoetige, de lachende, de vliegende, tot dusver de enige is die zo sterk was dit te doen.
19. Nogmaals spoort Zarathoestra aan tot positief denken. "Leert van mij toch mijn wijsheid: -ook het slechtste heeft twee goede keerzijden, ook het slechtste ding heeft twee goede dansbenen. Verleert toch het blazen van droefenis en alle triestheid."
20. Zarathoestra eindigt met een lofzang over de Geest die in alle Vrije Geesten rondwaart. Deze Geest blaast als de stormwind die gaat waarheen hij wil en doet alles naar zijn pijpen dansen. Zijn laatste woorden zijn nogmaals een herhaling van de kern van zijn boodschap, de zaken die men nog moet onthouden wanneer al het andere vergeten is:


O hogere mensen, het slechtste aan jullie is: jullie hebben allen niet leren dansen zoals men dansen moet -over jezelf heen dansen! Wat kan het schelen dat jullie mislukt zijn! Hoeveel is nog mogelijk! Leert toch over jezelf heen lachen! Heft jullie harten op, o goede dansers, hoog! hoger! En vergeet toch ook het gezonde lachen niet! Deze kroon van hem die lacht, deze rozenkrans-kroon: jullie, mijn broeders, werp ik deze kroon toe! Het lachen heb ik heilig verklaard; o hogere mensen, leert toch -lachen!"


De rozenkrans-kroon is uiteraard het Zarathoestra alternatief voor de doornenkroon die men op het hoofd van Jezus zette, en symbool staat voor de man van smarten, het lijden aan het leven, het christelijk geloof.