Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.14    Het Lied der Zwaarmoedigheid




1

Nietzsche laat in dit hoofdstuk zien hoe het zijn Zarathoestra zal vergaan in de toekomst. De oude religie zal terugslaan en juist het wapen gebruiken waar hij de religie mee aanviel. Men zal tegen hem inbrengen dat zijn Zarathoestra, zijn nieuwe inzichten, zijn nieuwe leer, eenvoudig een nieuwe voortzetting is van de oude leer, namelijk het verzinnen van fantasieën, het bezig zijn als een dichter, en de mens met een geloof opzadelen. Het mag dan geen religieus, metafysisch geloof meer zijn, maar evenzo blijft het een geloof in een schim. Zarathoestra en Paulus (de Oude Tovenaar) zijn in wezen dezelfde persoon. Ze hebben weliswaar een tegengestelde boodschap, maar dat is slechts een kwestie van verschillende smaak. In de grond zijn ze één en dezelfde persoon. Hij heeft het dus niet meer bij het rechte eind dan de religie waar hij zich tegen verzet.
Nietzsche schept daarom een moment dat Zarathoestra even de grot verlaat, juist nadat hij zijn redevoering heeft gehouden en voor het laatst zijn 'vijfde evangelie' heeft uitgedeeld. Dit is het enige moment in het boek dat er iets gezegd wordt wat Zarathoestra niet hoort. Het is bewust door Nietzsche uitgedacht om de tijd uit uit te beelden die komen zal nadat hij van het toneel is verdwenen, na zijn dood. Nietzsche voegt er aan toe dat Zarathoestra de grot uit moet om frisse lucht te happen, hij vlucht, dwz hij weet nu al dat hij voor dovemansoren heeft gepredikt en zijn toehoorders toch niet zullen vatten wat hij hun wilde leren, maar alles zullen verdraaien met behulp van de acrobatie van de oude religie.
Frisse lucht is uiteindelijk alles wat vrij is van ideologische demogogie, alles wat vrij is van het overreden van de ander uit eigen onmacht het leven te aanvaarden zoals het is. Het enige wat waarlijk bij de mens behoort is slechts zijn rede (slang) en zijn eigenwaarde (adelaar). Al het andere is geforceerd, onnatuurlijk, vals. Nietzsche laat dus Zarathoestra van het toneel verdwijnen en meteen erachteraan de Oude Tovenaar (de spreekbuis voor het christelijk geloof) opstaan om Zarathoestra aan te klagen, om hem ervan te beschuldigen dat hij geen haar beter is als Paulus, waar hij juist zo'n hekel aan heeft: "Slechts nar! Slechts dichter!" Ongetwijfeld heeft deze beschuldiging Nietzsche dagelijks in de oren geklonken als klokgelui. Hij had er ook geen anderen voor nodig om op de beschuldiging te komen. Zijn eigen argwaan was grenzenloos.



2

De Tovenaar, alias Paulus, het symbool voor het christelijke denken, vervalt in zijn basisdenken, de geest van zwaarmoedigheid. Alles in het religieuze denken ontspruit aan zwaarmoedigheid, als reaktie op psychisch lijden aan het bestaan. "Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit lichaam des doods...". Aangezien Zarathoestra de bevestiging van het aardse bestaan voorstaat, het ja-zeggen op alles in het leven, en het zichzelf verlossen, noemt de Tovenaar zijn geest 'in de grond van zijn hart de tegenstrever van Zarathoestra'. Maar hij vraagt er vergiffenis voor, met de argumentering dat het lijden aan de walging het vertrekpunt is voor beide overtuigingen. Het moge nu waar zijn dat de walging niet meer opgeheven kan worden via geloof in de oude god, maar voor 'de hogere mens' is er duidelijk nog geen nieuwe god die er in de wieg en in windselen ligt (dit laatste is een hint dat de oude religie geïdentificeerd kan worden als het christelijk geloof. Het prille begin van de oude christelijke religie laat God geboren en ingepakt worden in windselen), zodat men toch ook begrip en respect kan opbrengen voor de zwaarmoedige geest. Nietzsche voorspelt hier onze moderne tijd waarin dit denken hoogtij viert: In de grond van de zaak is Zarathoestra net zozeer een gelover als de oude gelovigen.


De Tovenaar komt nu precies met de redenering die ik twee jaar geleden -nog gehecht aan het laatste resje God- aan het begin van het commentaar op Zarathoestra ook heb gebruikt: Zarathoestra is in de grond van de zaak even religieus als alle religieuzen. Hij is ahw een opwaardering van godsdienst, een verbeterde uitgave ervan. Zarathoestra's goddeloosheid is in wezen vermomde vroomheid en zijn optreden is gelijk aan dat van Paulus, namelijk het verkondiger zijn van de ware religie. Vandaar dat de Tovenaar liefde voor hem voelt, al is hij ook in zijn denken tegengesteld aan Zarathoestra. De Tovenaar zegt nu een lied te gaan zingen, waarin zijn zwaarmoedige duivel Zarathoestra geheel naakt zal laten zien, dwz hem ontmaskert voor wat hij in essentie is, zodat de kern van zijn persoon voor iedereen geheel duidelijk wordt.



3

Het lied dat de Tovenaar zingt poogt de ogen van de hogere mens te openen voor deze waarheid: Zarathoestra is net als alle gelovigen slechts een dichter, slechts een nar! 'Minnaar van waarheid? Jij? Laat me niet lachen', zo hoont de waarheid. Waar het in werkelijkheid om ging is, - levend in een realiteit waarmee niet te leven valt -, milde vertroosting te krijgen, milde troostrijke dauw bij het lopen op verdorde gele graspaden. Ieder mens die met vertroosting en zogenaamde antwoorden aankomt is in de grond een leugenaar, slechts een dichter. Het is een mens met een masker op, een mens in vermomming, iemand die zichzelf bij de neus neemt met bedrieglijke woordacrobatie, iemand die ergens rondzwalkt tussen valse hemel en valse aarde. Op de keper beschouwd is zo'n mens juist de vijand van de waarheid. Wat hij verzint is juist om de waarheid maar nooit te hoeven in te zien.
Vervolgens slaat de Tovenaar met een nog hardere mokerslag: de trots van Zarathoestra, zijn adelaar, is eenvoudig een uit de hoogte neerkijken op arme lammetjes (christenen), zich verheven voelen en zijn lusten en boosheid op hen botvieren, omdat hij een hekel heeft aan schaapachtige wezens die kroeswollig uit hun ogen kijken. Zo is de adelaar, de leeuw en de panter van Zarathoestra slechts een vermomming van lust tot verscheuren en er daarenboven nog bij te lachen. Verscheuren en honend lachen is zijn zaligheid. De boodschap van de Tovenaar zal duidelijk zijn: hij moge ziek zijn, maar wat ziek en geperverteerd zijn betreft spant Zarathoestra zelf de kroon.


Om zijn toehoorders helemaal voor zich te winnen en volkomen te verleiden, geeft de Tovenaar opeens een humane draai aan zijn redenering, één die we goed kennen uit 2000 jaar christelijke geschiedenis, de meest slimme zet om mensen maar met je te laten instemmen: hij roept op tot vergeven van Zarathoestra, want Zarathoestra kan het niet helpen, het is eenvoudig de erfzonde waar we allen onder gebukt gaan: het is het lot van de mens overgeleverd te zijn aan verbanning van alle waarheid. Het is het lot van ieder mens slechts nar, slechts dichter te zijn. Dit recept werkt altijd uitstekend omdat het iedere toehoorder opgelucht adem doet halen en ieders handen schoonwast van eigen dwalingen en verantwoordelijkheid. Nietzsche laat in dit hoofdstuk zien wat de kern van christelijk geloof is, en hoe slinks het werkt en insnijdt tot op het bot en vrijwel iedereen inpalmt.