Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.15    Van de Wetenschap

De Tovenaar houdt op met zingen en alle luisteraars zijn gekluisterd aan zijn woorden. Hij heeft ze allemaal verleid, op één na. De Gewetensvolle des geestes, de positivist, de rationalist, de wetenschapper, (in religieuze beeldspraak Judas, de enige die niet door Jezus verleid werd) wordt boos, pakt de Tovenaar zijn harp af en roept luidkeels: 'Lucht! Laat goede lucht binnen! Jij maakt deze grot giftig, o oude boze Tovenaar!'
De Gewetensvolle ontmaskert als enige de woorden van de Tovenaar: mensen zoals de Tovenaar zijn de laatsten die een verhandeling over de waarheid mogen houden. De Tovenaar leidt mensen de wildernis in, kerkers in. De Tovenaar is als de mens die kuisheid looft, maar juist omdat hij innerlijk verteerd wordt door de sexzucht, oftewel exact het tegenovergestelde is van waar hij voor door wil gaan.


Maar de Tovenaar is stokdoof voor deze woorden. Hij geniet ervan dat al zijn toehoorders onder de indruk van zijn diepte van wijsheid zijn, en aan zijn voeten liggen, en wijst erop dat zij allen de woorden van de Tovenaar op zijn grote waarde kunnen schatten, zodat het overduidelijk is dat de Gewetensvolle des geestes een oppervlakkig persoon is, iemand zonder gevoel voor muziek, iemand gespeend van diepe geest.
De Gewetensvolle antwoordt dat wijsheid proberen te verdienen door de ander zwart te maken geen pas maakt. Beter is het goed te kijken naar die andere toehoorders. Wat dan opgemerkt kan worden is dat ze opgaan in lust, alsof ze naar naaktdansende meisjes kijken. Het heeft dus niets met waarheid te maken; mensen gehoorzamen eenvoudig aan wat ze een prettig gevoel geeft!
Hij beseft opeens hoe waar deze uitspraak van Zarathoestra is die hij zich nu herinnert: alle mensen zijn niet gelijk! Hij en Zarathoestra zijn anders. Zij nemen de wetenschap serieus, de grond van zekerheid moge gering zijn, zij zoeken tenminste nog naar meer zekerheid. Terwijl de Tovenaar en degenen die gehoor geven aan hem juist op zoek zijn naar meer onzekerheid:


Niet zij die jullie uit het gevaar leiden, vallen bij jullie het meest in de smaak, maar zij die jullie doen verdwalen op alle paden: de verleiders.


En tot een leven te komen waarin geen enkele zekerheid meer over is, gaat in tegen een van de meest centrale gegevens van het mensenleven. Zo'n begeerte gaat tegen de basiswet van de natuur in, kan niet mogelijk zijn, want de mens wordt geregeerd door vrees, en daarvanuit bouwt hij zekerheden op. De Gewetensvolle van de geest gelooft in de wetenschap, hij noemt het zijn deugd.


Zarathoestra komt op dit moment terug. Hij lacht om 'de waarheden' van de Gewetensvolle, en om aan te tonen hoe gemakkelijk een waarheid en 'natuurwet' kan worden omgedraaid tot het omgekeerde, neemt hij het begrip 'vrees' (waarop alles gebaseerd zou zijn), en zegt hij dat het mensenleven juist gebaseerd is op het omgekeerde ervan: "moed dunkt mij is 's mensen gehele voorgeschiedenis, vrees is de uitzondering." Maar Zarathoestra werpt de Gewetensvolle des geestes wel een handvol rozen toe, als teken dat hij wat betreft zoeken naar zekerheid via de wetenschap aan dezelfde kant staat.


Met de plotselinge verschijning van Zarathoestra kruipt de Tovenaar onmiddellijk beschaamd in zijn schulp, en legt hij vlug uit dat zijn geest van zwaarmoedigheid weer is verdwenen. En vervolgens verontschuldigt hij zich voor zichzelf door op te merken dat hij er niets aan kan doen dat die geest hem soms overvalt. Met de opmerking van de Tovenaar "Heb ik soms hem en de wereld geschapen?" laat Nietzsche zien hoe het religieuze geloof mensen op de meest handige manier ontslaat van verantwoordelijkheid nemen voor zichzelf. De Tovenaar gaat maar door met het spinnen van zijn web. Zarathoestra moge nu boos zijn op hem, maar aan het eind van de dag zal hij de Tovenaar weer loven en liefhebben - ook hij kan niet zonder deze menselijke dwaasheden leven, zo voorspelt de Tovenaar. Zarathoestra is gelijk aan alle mensen, maar draait slechts de normale gang van zaken om: hij heeft zijn vijanden daadwerkelijk lief (anders dan de gelovigen voor wie het slechts een holle kreet is), maar wreekt zich op zijn vrienden! Met zo'n maar al te waar grapje geeft hij Zarathoestra een hamerslag waar Zarathoestra niet van terug heeft. Alsof Nietzsche er hier van geniet deze trek in zichzelf op te merken en zichzelf weer eens te kunnen ontmaskeren. Zarathoestra heeft er niet van terug, maar slechts behoefte om maar weer naar buiten te sluipen, om frisse lucht te kunnen ademen. Nietzsche laat op deze manier goed zien hoe de religieuze taalacrobatiek bijna onverslaanbaar is.