Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.16    Onder Dochters der Woestijn

1

Het hoofdstuk Onder de Dochters der Woestijn wordt algemeen beschouwd als één van de moeilijkste hoofdstukken in Aldus sprak Zarathoestra. Het lied van de Schaduw ziet men vaak als een parodie waarin de onnatuurlijkheid, vermoeidheid en verschrompelde krachten van de Europeaan belachelijk worden gemaakt, en in contrast staat tot de vitaliteit van het primitieve Afrika. In de 19e eeuw werden Europeanen via het kolonialisme gefascineerd door de exotiek van Afrika en verlangden velen terug naar een soort ongekunsteldheid en oorspronkelijk leven volgens de natuur en de zinnen. In de kunst noemde men dit het Primitivisme. Ook Nietzsche zag de Europese cultuur als uitgeblust en vermoeid. Hij zou in dit hoofdstuk de vervreemding van het natuurlijke willen uitbeelden en daar een gezonde sensualiteit tegenover willen stellen, in contrast met bijvoorbeeld de gekunstelde en flauw flikkerende sensualiteit die men in Wagners Parsifal tegenkomt. "De Woestijn" waarmee het lied begint zou dan slaan op het onvermogen ongetemde hartstochten aan de dag te leggen, aangezien de Europeaan daar als de dood voor is. De Europeaan in het lied komt voor het eerst met Afrika in contact. Hij komt daar als een plechtstatig en superieur figuur, vol ernst, waardigheid en zedelijke ontwikkeling, maar Nietzsche spot hiermee, en zet de leeuw meteen neer als een 'zedelijke brulaap'. De Europeaan zet zichzelf vervolgens nederig neer onder een stel palmbomen en wordt omringd door twee sexy houris die hem willen verwennen. Hij kan zich er niet aan overgeven, maar doet verwoede pogingen om de verzoekingen te weerstaan, of erger nog, het ontbreekt hem zelfs aan de vitaliteit erdoor opgewonden te raken. Sommigen leggen 'De Woestijn' uit als betrekking hebbend op het Nihilisme, dat overal angstaanjagend om ons heen is, en waar slechts een kleine oase ons tegen beschermt. Het hoofdstuk is in ieder geval een laatste omschrijving van de Geest der Zwaarte die Europa in zijn greep houdt.


Bovenstaande uitleg geeft enkele handvaten, maar laat allerlei vreemde details volkomen in het duister. Bovendien is Nietzsche beslist niet de man die een heel hoofdstuk aan seks en de geneugten van sensualiteit wijdt! Persoonlijk denk ik dat het hoofdstuk pas duidelijk begint te worden wanneer men beseft dat Nietzsche voor de zoveelste maal het christelijk geloof in de mangel neemt. Het boek Aldus sprak Zarathoestra is van begin tot eind in de eerste plaats een commentaar op het christendom, ook hier.


Zoals in het hoofdstuk De Schaduw al is opgemerkt moet men eerst de Schaduw identificeren met God zelf, met name met Jahweh van het Oude Testament. Deze God, die van eeuw tot eeuw door de mens wordt geboetseerd en gefantaseerd, lijdt er nu onder dat hij in moderne tijden verwekelijkt en verwijfd is geworden, en het geloof in God welhaast equivalent is aan "klamme zwaarmoedigheid, betrokken luchten, gestolen zonnen en huilende herfstwinden". Hij is nu symbool geworden voor "veel avond, veel wolken, veel bedompte lucht". Hij is de toevlucht geworden voor alle mensen die lijden aan het bestaan, voor alle depressieven, alle zwakken, alle mensen zonder levenslust. Hij geniet ervan dat er door Zarathoestra weer stevige kost gegeven wordt en frisse lucht heerst. Hij roept uit dat rondom Zarathoestra de lucht het beste is,


tenzij-, o vergeef mij een oude herinnering! Vergeef mij een oud natafellied, dat ik eens dichtte onder de dochters der woestijn: -bij hen immers was even goede klare morgenlandlucht; daar was ik het verst van het wolkige natte zwaarmoedige Europa! Destijds hield ik van zulke morgenlandmeisjes, en andere blauwe hemelrijken waar geen wolken en geen gedachten boven zweven.


Het is weer de uitbeelding van hoe het de religie in de toekomst zal vergaan. Velen zullen ogenschijnlijk Nietzsche en zijn denkbeelden eren en lof geven, maar tezelfdertijd nostalgisch het oude deuntje van de oude religie blijven zingen. Het 'natafellied' wordt even later ook 'natafelpsalm' genoemd. Het is een spottende uitdrukking om aan te geven dat het hier om een niemandalletje gaat, een slap aftreksel van wat het oorspronkelijk geweest is. Nietzsche gebruikt de term 'morgenland'. Dit is een dichterlijke benaming voor de culturen van het oosten in het algemeen (in tegenstelling tot 'het avondland', dwz de Europese cultuur), maar in Nietzsches geschriften een benaming voor de cultuur van de bijbel. Uitdrukkingen 'dochters der woestijn', ook wel 'morgenlandmeisjes', en een cultuur waar frisse 'morgenlandlucht' heerst, laten ons in gedachten gaan naar het prille begin van de bijbelse godsdienst, zoals die in de bijbel beschreven wordt, die geheel in het teken van een woestijnleven staat (de veertig jaar omzwervingen van het volk van Jahweh in de woestijn). Dat Nietzsche de spot drijft met het gerijmel (de theologie) van de moderne christenen komt ook tot uiting doordat hij meerdere malen het woordje "Sela" gebruikt, hetgeen we her en der verspreid in de bijbelse psalmen kunnen tegenkomen (aangezien men de betekenis ervan niet meer zeker weet wordt het woordje in de regel onvertaald gelaten). Dat hij de Schaduw zelf een tafelpsalm laat dichten is een spottende verwijzing naar de leer van de openbaringsgodsdiensten dat de religieuze teksten 'door God geïnspireerd' zijn. De Schaduw laat weten dat hij het in de tijd van het ontstaan van het bijbelse geloof zo heerlijk naar zijn zin had. Niemand stelde lastige vragen, en overal heerste optimisme:


Jullie zult het niet geloven, hoe lief ze samen zaten als ze niet dansten, diep doch zonder gedachten, als kleine geheimen, als met strikken getooide raadsels, als toespijsnoten, bont en vreemd voorwaar!, doch zonder wolken.


In de psalm die volgt contrasteert de Schaduw dit aantrekkelijke, levenskrachtige, vitale begin van het monotheïsme met de degeneratie van het religieuze geloof in het moderne Europa. De aanhef en de slotopmerking staat gecursiveerd, en behoort niet tot de psalm. Het is de waarschuwing die Nietzsche de lezer van de psalm geeft: De woestijn groeit: wee hem die woestijnen in zich bergt! Het is een waarschuwing zich niet meer aan de woestijngodsdiensten over te geven. 'Hij die woestijnen in zich bergt' is de persoon die de openbaringsgodsdienst aanhangt, die mensen de wildernis instuurt, en het leven daarmee tot een woestijn maakt, zoals in het vorige hoofdstuk de Gewetensvolle van de geest over de Tovenaar opmerkte. Dit hoofdstuk is dus de uitwerking van waar de verleidelijke praat van de Tovenaar uit het vorige hoofdstuk altijd op uitloopt: het leven tot een woestijn maken.


2

De natafelpsalm geeft een beeld van de moderne christelijke gelovige, het toppunt van onnozelheid en zieligheid. Het begint met een christenen waardige aanhef: "Plechtstatig. Waarachtig plechtstatig!". Men ziet meteen alle muffe, statige en plechtige kerken en kerkdiensten al voor zich, en de moderne christen van vandaag die elke dag om 'respect' en 'begrip' bedelt. Nietzsche lacht erom: de Europese zwaarmoedigheid en plechtstatigheid staat nota bene op Afrikaanse benen (woestijngodsdienst), en mondt daarom automatisch uit op iets bijzonder komisch: zedelijke brulapen.
De Schaduw, God, tuurt na zeer lange tijd melancholisch naar zijn lange verleden, om nog een glimp op te vangen vanwaar hij oorspronkelijk vandaan komt. Meteen bij aankomst ziet hij lieflijke meisjes zitten onder palmen. Precies het omgekeerde van zijn Europese plechtstatigheid. Hij zet zich neer onder de palmen en verwondert zich: "Hier zit ik nu, de woestijn nabij, en toch weer zo ver af van de woestijn". De woestijn is eigenlijk wat de Europeaan via zijn christelijke religie van het leven gemaakt heeft. Wanneer hij een duik maakt naar het verleden waar alles ongekunsteld en nog natuurlijk was, wordt hij meteen opgeslokt door de kleinste opening die hem wat frisse lucht aanbiedt, de kleinste oase waar hij iets natuurlijks aangeboden krijgt. De Europese christen durft het bijna niet uit te spreken: Plezier! Wanneer hij één zandkorreltje van plezier aangeboden krijgt duikt hij er met graagte in alsof hij in de oase het mooiste naakte buikje van een jong meisje aangeboden krijgt. Maar hij mag het natuurlijk niet zo openlijk uitspreken, hij mag nergens met volle teugen van genieten. Een Europeaan blijft koel en beredeneerd: "ik betwijfel het echter, want ik kom uit Europa, dat weifelzuchtiger is dan alle bejaarde vrouwtjes, God betere! Amen!" Maar meteen daarop wordt hij weer overvallen door de sensuele geneugten. De Europeaan in een kleine oase van natuurlijkheid snakt naar sensuele verleiding, genot...om er meteen de gedachte aan toe te voegen: "Moge God mij deze taalzonde vergeven!" Het prille begin van de godsdienst staat nog zoveel geneugten en genot toe, "zo goede lucht als ooit van de maan [=religieus geloof] omlaag viel". Maar meteen begint de Europeaan weer te twijfelen. Misschien was het slechts toeval, misschien enkel overmoed van zijn gedachten. Kijkend naar zijn eigen verzonnen religie ziet hij dat zijn religie "te lang, gevaarlijk lang reeds, aldoor, aldoor op één been slechts stond". "Vergat zij daardoor niet, zo wil het mij voorkomen, het andere been?" De Europeaan wordt er zich van bewust dat het andere been van de religie ontbreekt, namelijk al het contact met de realiteit. Het is in de loop van de (Europese) eeuwen "afgeknaagd, afgeknabbeld, jammerlijk, wee! afgeknabbeld!" (door het rationele denken). Maar de Europeaan is niet in staat zich het juk van de religie af te werpen en iets nieuws, levenskrachtigs te scheppen. Hij blijft spelen met de meest primitieve gedachten uit een primitieve cultuur. Om dit te illustreren geeft Nietzsche een verwijzing naar het absurde verhaal over Jona in de buik van de walvis. Spottend laat hij de Europese gelovige zeggen: "Jullie begrijpen mijn wijsgerige toespeling?" Het enige wat de Europese religieuze mens als antwoord op zijn dilemma biedt zijn mooie woorden, gedichtjes: "zou wellicht iets sterkends, hartversterkends hier op zijn plaats zijn? een gezalfde spreuk? Een plechtig bemoedigend woord?" -het laatste slappe residu van een uitgeblust christendom. En zo gaat de christenheid eeuwig verder met het "slechts nar, slechts dichter" zijn: "Sta op, o waardigheid, deugd-waardigheid, Europeanen-waardigheid! Blaas, blaas opnieuw, Blaasbalg van deugd! Nog één keer brullen, zedelijk brullen, als leeuw van goede zeden, brullen voor de dochters der woestijn [=als voorsprekers voor de oude woestijngodsdienst]. Want deugdzaam huilen is meer dan wat ook Europeanen-vuur, Europeanen-honger!"
Om te illustreren hoe deze jammerklacht, dit treurlied een eeuwige herhaling van christelijke krachteloosheid is, gebruikt Nietzsche nog de beroemde woorden van Luther: "En hier sta ik nu dan, als Europeaan, ik kan niet anders, God helpe mij! Amen!"


Nietzsche laat voor een laatste keer nogmaals een waarschuwing horen tegen het christelijk geloof:


De woestijn groeit: wee hem die woestijnen in zich bergt!