Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.18    Het Ezelsfeest

Dit hoofdstuk lijkt naar voren te brengen dat de mens ongeneeslijk religieus is. De 'hogere mens' is als gevolg van de kritiek van Zarathoestra enige zaken anders gaan zien, maar de kern van religie, -de menselijke behoefte tot verering en aanbidding- blijft bestaan. Nietzsche brengt in dit hoofdstuk ingenieus zijn eigen innerlijke tweestrijdigheid naar voren en tot een definitieve wapenstilstand. Aan de ene kant laat hij Zarathoestra optreden als de genadeloze ontmaskeraar, die met de minachting waarmee we nu al zo vertrouwd zijn geworden neerkijkt op de domheid en intellectuele oneerlijkheid van de mens, maar aan de andere kant laat hij -de man die van zichzelf uitsprak: "Wij dichters liegen teveel"- de 'hogere mens' zulke rake tegenwerpingen verzinnen dat Zarathoestra uiteindelijk toegeeft dat hoewel ze narren en hansworsten zijn, daarachter meer wijsheid schuilt dan hij gedacht had. Hij gaat dan overstag en concludeert: "hoe goed bevallen jullie mij nu"! en "zulke dingen bedenken enkel genezenden!" Op deze manier sluit Nietzsche eindelijk vrede met de wereld, met het dualistische bestaan, en kan hij in de volgende hoofdstukken uitgroeien tot de leraar van de Eeuwige Wederkeer van Hetzelfde.


1

Doch op dit punt in de litanie kon Zarathoestra zich niet langer bedwingen, en hij balke zelf I-a, luider nog dan de ezel, en sprong midden tussen zijn dolgeworden gasten. 'Wat zijn jullie toch aan het doen, o mensenkinderen?' riep hij terwijl hij de bidders van de grond omhoog trok. 'Wee als iemand anders jullie gadesloeg dan Zarathoestra: iedereen zou oordelen dat jullie met je nieuwe geloof de ergste godslasteraars zijn of de allerzotste oude vrouwtjes!'


'Op dit punt', dwz nadat deze woorden werden uitgesproken: "Een distel kietelt jouw hart als jij toevallig honger hebt. Daarin schuilt de wijsheid van een god." 'Een distel' is een boodschap die regelrecht ingaat tegen de godsdienst, bijvoorbeeld de boodschap van Zarathoestra, het God bestaat niet. Nietzsche legt uit dat iedere kritiek op de religie slechts voortkomt uit het honger hebben van het religieuze hart, dwz het hart heeft nu eenmaal de religieuze behoefte; wanneer een bepaalde religie op een gegeven moment niet meer de behoeften van desbetreffende tijd kan bevredigen, dan is kritiek nooit reden voor het om zeep brengen van de religie, maar enkel en alleen voor de transformatie ervan tot iets geloofwaardigers. Kritiek wordt eenvoudig door een volgende variant van de religie geïncorporeerd en onschadelijk gemaakt. 'De wijsheid van een god' is namelijk juist het onsterfelijk zijn, dwz zichzelf als een kameleon steeds nieuwe kleuren te geven om het weer te overleven. Dit is precies de manier waarop het christelijk geloof de 20ste eeuw heeft overleefd: ophouden met moderne inzichten en wetenschap als een vijand te blijven zien, maar ze -nadat ze de strijd verloren heeft- met huid en haar accepteren, en de religie met woordgegoochel aan te passen. Het is even slikken, maar de volgende generatie heeft er al geen erg meer in, en zet de religieuze tocht weer voort. Nietzsche heeft hier twee reacties op: het is godslastering (bekeken vanuit het orthodoxe geloof), en het is de domheid van de mens bij uitstek: iets wat volkomen door de mand gevallen is met woordgegoochel omhoog houden als waarheid. Zoiets is met recht 'aanbidding van de ezel' te noemen.


De zaak is echter niet zo snel afgehandeld. Alsof Nietzsche wil begrijpen waarom de moderne mens toch voor de religie zwicht, laat hij de representanten van de hogere mens redenen aanvoeren die bijna niet om te kegelen zijn. Allereerst vraagt Zarathoestra aan de oude paus, -dus de aartsreligieuze mens- hoe hij ertoe komt met een ezelsgeloof genoegen te nemen. Het antwoord is geboren uit de ijdelheid van de mens: men ziet zijn religieuze gevoelens als verheven en getuigend van dieper inzicht dan die van de rationele mens, net zoals een musicus die iemand tegenkomt die niets om muziek geeft, uit de hoogte neerkijkt op zulk een 'gebrek aan ontwikkeling'. Uit het antwoord 'vergeef mij, maar op het gebied van God ben ik verlichter dan jij' spreekt een arrogantie die ongetwijfeld een reactie is op een paar eeuwen lang door de wetenschap om de oren geslagen zijn met 'de feiten'. De moderne religieuze mens zet eenvoudig 'de feiten' aan de kant, omdat zijn gevoelens de grootste feiten van zijn leven zijn, en subjectieve feiten immuun zijn voor kritiek. Miljoenen nemen hiermee genoegen tegenwoordig, hoewel het uiteraard een valse invulling is van 'waarheid' en 'feiten'. Want waarheid en feiten moeten uiteraard universeel geldig zijn om deze benaming te verdienen. Deze simpele wijsheid heeft de postmoderne wereld echter grotendeels verloren. Een modern mens interesseert zich in onze tijd zelden meer voor de waarheid, maar slechts voor zijn of haar waarheid. Wat de waarheid betreft weet hij dat het een hopeloze zaak is ernaar te zoeken. Deze hopeloosheid geeft hem blijkbaar het recht om eigen gevoelens dan maar tot waarheid uit te roepen. Misschien ontgaat het de modern religieuze mens niet geheel, maar is hij eenvoudig het toonbeeld van egocentrisme, een product van de selfish gene.
De paus komt ook nog met deze verdediging:


Liever God aldus aanbidden, in deze gedaante, dan in geen enkele gedaante! Denk na over deze spreuk, mijn verheven vriend, en je zult snel raden dat er een wijsheid in schuilt. Hij die sprak 'God is Geest' deed de grootste stap en sprong naar ongeloof; zulk een woord valt op aarde niet licht meer goed te maken!


Jezus was degene die deze uitspraak deed. Nietzsche wil ermee aangeven dat het christendom de godsdienst geheel naar het niets verplaatste. Waar God in het Oude Testament nog een realiteit was in allerlei aardse zaken, is hij in het Nieuwe Testament tot een hersenschim geworden, hetgeen uiteindelijk tot zijn dood leidt. Wanneer men God dus weer opnieuw moet gaan aankleden, als iets tastbaars, iets relevants, dan moet men niet meteen het allerhoogste verwachten, maar wellicht beginnen met iets eenvoudigs. Laat men dáár niet om bekvechten: dat er voor een aartsreligieus mens iets op aarde te aanbidden valt moet toch al als een pluspunt worden beschouwd! Zarathoestra wilde zo graag dat men de aarde lief zou hebben; welnu, wanneer dat dan voor zo'n persoon die je eigenlijk al als hopeloos had afgeschreven (zie Zarathoestra's commentaar op de heilige in de Voorrede), dan moet hij daar maar mee tevreden zijn. Tenslotte, wanneer het om het aardse gaat, heeft niet iedereen het recht zelf te bepalen wat hij liefheeft?


Zarathoestra richt zich op een ander persoon, de Schaduw en zwerver. Hij vraagt zich af hoe een zo vrij rondzwervend mens als de Schaduw uiteindelijk instemt met de aanbidding van een afgod. "Je maakt het al te bont", is Zarathoestra's verwijt. Maar de Schaduw antwoordt geheel overeenkomstig zijn wezen: "Inderdaad is het lachwekkend, maar het is niet mijn schuld dat God er zo uitziet". Nietzsche wil ermee zeggen dat De Schaduw, God, zowiezo een non-entiteit is. Hij is het maaksel van de mens, en het is dus nooit zijn schuld hoe hij eruit ziet!


Je moogt zeggen wat je wilt, Zarathoestra, maar de oude god leeft weer.


In dit antwoord ligt alles van 'god' besloten: het gaat er enkel en alleen om dat men immer het woord 'god' in de mond kan nemen. De inhoud van het woord is enkel onzin en bijzaak en daarom van geen enkel belang. En het geweldige van god is dat hij met geen mogelijkheid dood te slaan is. De afstotendste mens richt hem altijd weer op, dwz God wordt altijd weer opnieuw geproduceerd door de mens die het ergste lijdt aan het leven, die het leven niet aankan. Hierbij zijn de woorden van Marx van toepassing:


Religieuze nood is tezelfdertijd een uiting van wezenlijke ellende als ook het protest ertegen. Religie is de zucht van de onderdrukte mens, het hart in een harteloze wereld, een verzuchting van de geest in een geestloze situatie. Het is opium van het volk.


Tot de Tovenaar, dus de kunstenaar, de theoloog pur sang, zegt Zarathoestra:


Wat deed jij nou? Wie in deze tijd zal nog aan jou geloven, zo jij ook al gelooft aan zulke goden-ezelachtigheden? Hoe kun jij, intelligent als je bent, hieraan meedoen?


Zarathoestra krijgt hierop een werkelijk prachtig antwoord: "Wel, het was inderdaad dom, het was daarom ook een zware klus het voor elkaar te krijgen!" Het is alsof we hier alle geleerde moderne religieuzen aan het woord zien: men heeft zijn leven inderdaad gegeven aan iets wat absurd is, maar men weet er wat moois van te maken, en daar kan men toch trots op zijn! Alsof de waarheid er totaal niet toe doet, maar het in werkelijkheid enkel gaat om het vervaardigen van het masker, om het pauw-zijn, het kunstenaarschap! Men weet drommels goed dat religie vals is, maar men antwoordt eenvoudig aan de behoeften van de domme mens, en slaat er zijn slaatje uit. Een kunstenaar is eenvoudig de uitbeelder van de tijdgeest. En wat zou Zarathoestra erop tegen kunnen hebben voor de Tovenaar om op deze manier een klankbord te zijn voor deze tijdgeest? Want is de Tovenaar, Paulus, niet eindelijk verlost van zijn ziekelijk zelfbeklag en beklemmende innerlijke strijd?


Vervolgens is de Gewetensvolle van Geest aan de beurt. "Druist het niet in tegen je geweten?", zo vraagt Zarathoestra hem. "Is je geest niet te rein voor dit bidden een voor de walm van deze kwezels?" Integendeel, antwoordt de Gewetensvolle


Iets aan dit schouwspel doet mijn geweten zelfs goed. Ik geloof dan wel niet in God, maar God is in deze gedaante toch het geloofwaardigst. En wanneer je je bedenkt dat God eeuwig is, dan heeft hij nog veel tijd om zich te ontwikkelen. Zo langzaam en zo dom mogelijk: daarmee kan zo iemand het toch zeer ver schoppen.


Geleerden hebben altijd in de knoop gezeten met hun geweten. Ze mochten nooit hun eerlijke gedachten uitspreken, uit vrees voor de godsdienst, maar deze vorm van godsdienst is een grote vooruitgang, het levert de geleerde veel minder problemen op dan de vorige vormen van religie. Men ziet Nietzsche weer grinneken aan zijn schrijftafel, wanneer hij stiekem de uitspraak van de geleerde verbindt met de evolutieleer en er zo de draak met steekt: "Zo langzaam en zo dom mogelijk: daarmee kan zo iemand het toch zeer ver schoppen" moet men in gedachten verder lezen: namelijk tot mens! Indien men aan de mens grote waarde schenkt, zo moet men dan ook de eindeloos trage en domme evolutie die daartoe geleid heeft waarderen! Dus ook de ezel. De Gewetensvolle heeft nog een argument: iedereen die over veel intelligentie beschikt weet hoe ook hoe gemakkelijk zo'n mens tot idioot en zot wordt. Waarom zou hij dan niet liever meteen erkennen dat we allemaal ezels zijn! (Hij past hier Zarathoestra's advies toe dat hij altijd al in acht heeft genomen, dat "geest het leven is dat op zichzelf insnijdt", IV.4).


Zarathoestra richt zich dan ten laatste nog op de Afstotendste mens, de mens die in de eerste plaats verantwoordelijk was voor de aanbidding van de ezel, en inderdaad nog steeds in aanbidding op de grond ligt, met de arm opgeheven naar de ezel, die hem op zijn beurt wijn aanbiedt (dwz inspireert tot immer meer (kw)ezelachtigheid). Zarathoestra vraagt eerst of het waar is dat de Afstotendste mens God weer opgericht heeft. Híj was het toch die het allerduidelijkst had afgerekend met God? Had hij dat niet volkomen terecht gedaan? Maar Zarathoestra moet tezelfdertijd toegeven dat de Afstotendste mens nu iets 'verhevens' uitstraalt. Hij lijkt zelfs opgewekt. Dit laatste woordje blijkbaar bedoeld in een dubbele betekenis: blij en 'uit de dood opgestaan'. Zarathoestra krijgt dan ook als antwoord dat hijzelf het beste weet dat God dood is, maar dat het juist om het opgewekt zijn gaat, en dat is de Afstotendste mens nu. "Wie het grondigst wil doden, die lacht", geeft de Afstotendste mens als geweldige spreuk. Alweer met zo'n dubbele betekenis? Hij lacht wellicht om de godsdienst (=weet dat het niet waar is), maar geeft de godsdienst toch een plaats om in het leven opgewekt te kunnen blijven, om te kunnen blijven lachen.


'Niet door toorn, maar door lachen doodt men' heb je zelf ooit eens gezegd, Zarathoestra. -Je bent een schelm.


Hier laat Nietzsche weer zien dat ze allemaal slechts zijn eigen leer in de praktijk brengen. Dat het niet volgens zijn eigen smaak gaat kan hij hen niet aanrekenen, vooral niet wanneer het eindresultaat, het opgewekt zijn, toch bereikt wordt. Dat Zarathoestra hier voor schelm wordt uitgemaakt heeft wellicht weer een dubbele bodem. Nietzsche spreekt hier stilletjes toch zijn hoop/verwachting uit dat het uiteindelijk geheel gedaan is met de godsdienst: "Niet door toorn, maar door lachen doodt men" is het laatste en meest wijze advies dat Nietzsche geeft aangaande de godsdienst. Wanneer de godsdienst uiteindelijk op de meest absurde manier zal worden aangekleed door de mens van de toekomst, is het bezig haar eigen graf te delven. Niemand maakt zich meer druk om Zeus en Apollo. Ze zijn hoogstens nog goed voor een grapje. Op dezelfde manier zal het Jahweh en Allah vergaan. En wat valt moet men met lachen nog een stootje geven.


2

Het is Zarathoestra nu duidelijk dat het geen enkele zin heeft uit te varen tegen deze lachwekkende vertoning die de religie van de toekomst uitvoert. Opeens gooit hij het over de andere boeg: hij doet alsof alle hogere mensen een practical joke op hem uitvoerden, hem in de maling namen met deze aanbidding van de ezel. Of dit in werkelijkheid zo was komt de lezer eigenlijk niet te weten, (de lezer kan het wellicht vragen aan de mistige vrijzinnig religieuzen van vandaag de dag!). Men wilde wat lol en zien hoe kwaad Zarathoestra wordt als hij ze allemaal als naieve kinderachtige figuren ziet, met hun handen gevouwen "Onze-Lieve-Heer" prevelend. Maar indien hun ezelsfeest uiteindelijk tóch serieus bedoeld was, dan is Zarathoestra's opmerking dat ze grappenmakers zijn nu juist het in de praktijk brengen van zijn eigen leer van zoëven, dat men het beste doodt door erom te lachen.
Het is Zarathoestra in ieder geval duidelijk geworden dat de hogere mensen -of ze nu religieus gelovig zijn of niet- niet meer bezig zijn met het 'koninkrijk der hemelen', maar enkel en alleen met het koninkrijk der aarde. De hoofdzaak waarvoor hij streed is nu dus bereikt. Hij heeft de grootste schaduw waar de mensheid eeuwenlang onder geleden heeft uit de weg geruimd.


3

Zarathoestra ervaart nu een moment van geluk. Hij beseft opeens dat hij iets bereikt heeft waar hij intens blij om kan zijn. De mens zal weer feest kunnen vieren, de mens is weer opgebloeid. Opeens verklaart hij het ezelsfeest tot een leuke en misschien geschikte voorstelling om in toekomstige tijden als instelling te vieren om hem te gedenken. Men kan hier niet aan de gedachte ontkomen dat Nietzsche de plaats van Jezus wilde innemen in de toekomstige eeuwen. Jezus was ooit de weg tot God en het Niets, Nietzsche was voor de mensheid de weg terug naar de Aarde. "En vieren jullie het nogmaals, dit ezelsfeest, doet het dan omwille van jullie, en doet het dan ook omwille van mij! En te mijner gedachtenis!" De laatste woorden zijn van Jezus, en worden altijd uitgesproken bij het vieren van de christelijke eucharistie.