Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.19    Het Nachtwandelaarslied

1

We naderen nu het definitieve einde van het boek Aldus sprak Zarathoestra. Zarathoestra's taak is nu voltooid. Het wandelen in de nacht kan nu beginnen. Iemand die dit boek en commentaar van het begin tot het eind gevolgd heeft zal wellicht gemakkelijk raden dat deze 'nachtwandeling' een allegorie is voor het leven van de toekomst, het leven van de mens na de dood van God. Zoals Nietzsche in zijn tekst over de dolleman op zoek naar God schreef, was de dood van God hetzelfde als het zich wegbewegen van de zon, het naderen van de nacht:


Waarheen beweegt de aarde zich nu? Waarheen bewegen wijzelf? Weg van alle zonnen? Vallen we niet aan een stuk door? En terug, opzij, naar voren, naar alle kanten. Is er nog wel boven en beneden? Dwalen wij niet door een oneindig niets? Hijgt de leegte ons niet in de nek? Is het niet kouder geworden? Komt niet meer en meer de nacht?


Het boek Aldus sprak Zarathoestra is het antwoord op die wanhoop van de uitzinnige mens. Het leert ons wandelen in de nacht, en daarenboven nog zingen, het 'nachtwandelaarslied'. Het lied heeft elf regels, precies dezelfde regels die we al eerder tegenkwamen, in Het Andere Danslied, III.15. Het Andere Danslied kwam op het eind van het derde deel, op het punt van hoogste extase. De woorden die daar voorafgingen aan het lied zijn namelijk deze:


En wij [dwz het Leven en Zarathoestra] zagen elkander aan en staarden naar de groene weide, waarover juist de koele avond gleed, en weenden samen. -En op dat moment was me het Leven dierbaarder dan ooit al mijn wijsheid.- Aldus sprak Zarathoestra.


Op dat punt had Zarathoestra duidelijkheid in zijn eigen leven gekregen. In deel IV volbrengt hij zijn taak deze ervaring over te brengen op zijn medemensen. En deze taak wordt in dit hoofdstuk nu op dezelfde manier voltooid, door over de Hogere Mensen eenzelfde uitspraak te maken als tevoren over Zarathoestra. Zarathoestra en zijn gasten gaan allemaal naar buiten, staan te middernacht naar het volle maanlicht en de zilveren waterval te kijken en


Hier stonden ze tenslotte stil bijeen, niets dan oude mensen, maar getroost en opgewekt en innerlijk verwonderd dat het op aarde zo goed vertoeven was.


De aanwezigen worden hier beschreven als 'niets dan oude mensen'. Het is de moderne mensheid waartoe wij allemaal behoren, de mensheid die na vele millennia uit de kinderjaren gegroeid is, eeuwenlang achterom kan kijken, een vroege morgen, een middag en een avond achter de rug heeft, en voor wie het nu middernacht is geworden. Op dit punt in de tijd verstomt de mens. Hij heeft geen antwoorden meer. Het raadsel van het bestaan is groter dan ooit. Maar niemand van de aanwezigen heeft meer de gemoedstoestand van de uitzinnige die de markt opging om met een lantaarn naar God te zoeken, niemand van hen is meer wanhopig. Men staat stil in verwondering, is 'kloekmoedig' en voelt zich vertroost. Zarathoestra "eerbiedigde hun geluk en hun stilzwijgen." Om het resultaat van Zarathoestra's optreden te beklemtonen haalt Nietzsche de Afstotendste Mens -de eens meest hopeloze mens, de mens die alles verloren had en het leven vervloekt had, de dood zocht- naar voren om hem deze woorden te laten zeggen:


Vanwege deze dag ben ik voor het eerst voldaan over heel het leven dat ik geleefd heb. En dat ik dit uitspreek is voor mij nog niet genoeg. Het loont de moeite op aarde te leven: n dag, n feest met Zarathoestra heeft mij het leven leren liefhebben. "Was dit -het leven?" zal ik zeggen tot de dood. "Welaan! Nog n maal!"


Hier zien we dat Nietzsche de gedachte aan de eeuwige herhaling van het leven gebruikt om de gelukstoestand, de ervaring van de perfectie van het bestaan, die hij ervaart uit te kunnen drukken. Het gaat niet om het geloof in een nieuw dogma, maar om in woorden de grootsheid van de gemoedstoestand uit te kunnen drukken dat het leven perfect is.
Op het punt dat een mens onvoorwaardelijk ja zegt op het leven maakt het niet meer uit dat het middernacht is. Niets kan dan zijn liefde voor het leven meer breken of in de war sturen. Op dat punt is de mens "veranderd en genezen" (van de Geest der Zwaarte). Alle aanwezigen beseffen het opeens. Sommigen lachen daarbij, en anderen wenen. De oude waarzegger danst van plezier (de voorspelling van Zarathoestra vervullend). Hij was de nihilist, maar heeft nu "alle moeheid afgezworen". Om aan te geven dat het niet slechts om iets uiterst plechtigs gaat, het hoogtepunt van serieusheid en moeilijke filosofie, beindigt Nietzsche de paragraaf met de opmerking:


Er zijn zelfs mensen die vertellen dat de ezel toen heeft gedanst: want niet zomaar had de Afstotendste Mens hem vooraf wijn te drinken gegeven. Zo kan de toedracht zijn geweest, maar ook anders; en al zou in waarheid de ezel niet hebben gedanst die avond, toch geschiedden toen grotere en vreemdere wonderen dan dat de ezel danste. Kortom, zoals Zarathoestra's spreekwoord luidt: 'Wat doet het ertoe!'


De grootste ervaring die iemand kan opdoen, de totale bevestiging van het leven, kan niet in n vorm gegoten worden, net zoals de emotionele reactie hierop niet eenvormig is, net zo goed met lachen als met huilen gevierd kan worden. Op het punt van de grootste ervaring valt ook wijsheid en domheid eenvoudig weg.
Meesterlijk geeft Nietzsche hier met n opmerking opeens de indruk dat het boek Aldus sprak Zarathoestra een geschiedenis is die door een verteller pas veel later op schrift is gesteld. Het is het boek over hem, maar hij had in zijn hoofd dat vele honderden jaren later mensen zijn boek zouden lezen! En zoals het een goede bijbel en leraar van wereldformaaat betaamd zijn er tegen die tijd ook apocriefe versies van de gang van zaken in zijn leven beschikbaar!


2

Zarathoestra wordt nu op handen gedragen door zijn medemensen, men kust hem, men bedankt hem, men vereert hem.


En wie kon ook raden welke gedachten toen aan Zarathoestra's ziel voorbij trokken?


Op dit punt gekomen hoeft er bij de oplettende lezer in het geheel niet naar geraden te worden. We kunnen het met zekerheid weten. Hoe vreemd ons te bedenken dat Nietzsche, de kluizenaar, die zijn teksten in eenzaamheid schreef, van wiens boeken er slechts enkele tientallen verkocht waren, leefde met dit beeld voor ogen dat hij een uniek persoon is die de wereldgeschiedenis in tween zal delen, vr hem en n hem. Hij leefde met de stellige overtuiging dat hij de nieuwe bijbel had geschreven voor ontelbare toekomstige generaties. Om het bewijs van mijn bewering te leveren hier aan de lezer een vraag: nu u het boek en het commentaar van mij hebt doorgelezen en enigszins op de hoogte bent van Nietzsches denken, hoe zou u dit boek Aldus sprak Zarathoestra beindigen? Waar zou u even een kijkje gaan nemen voordat u de laatste woorden schrijft?...Precies: eerst de laatste woorden van de bijbel natuurlijk even opslaan. Dat is wat Nietzsche deed. Hij kwam er deze tekst tegen:


'Ik, Jezus, heb mijn engel gestuurd om jullie deze dingen bekend te maken voor de gemeenten. Ik ben de telg van David, zijn nakomeling, de stralende morgenster.'
De Geest en de bruid zeggen: 'Kom!' Laat wie luistert zeggen: 'Kom!' Laat wie dorst heeft komen; laat wie dat wil vrij drinken van het water dat leven geeft....Amen, Kom, Heer Jezus!


De mooie beschrijving van Jezus als Davids zoon en 'stralende morgenster' verandert hij in de beeldspraak waar hij zo aan verknocht was: de persoon die op de top van een hoge bergrug staat, met aan weerskanten een onmetelijke zee, de zee van het verleden en de zee van de toekomst, en de persoon die als een zware wolk voorbijtrekt (beeldspraak die we in de Voorrede al tegenkwamen), alweer de geschiedenis in twee delen splitsend.
Zoals de bijbel daarna driemaal 'Kom!' laat horen, zo vervolgt ook Aldus sprak Zarathoestra nu met ditzelfde woord. Maar in plaats van een oproep om tot het woord van Jezus te naderen, en een oproep voor Jezus om terug te komen, is Zarathoestra's driemaal 'Komt!' een oproep tot de mensheid om de middernacht in te gaan en erdoorheen te wandelen. Het zijn bijna magische, huiveringwekkende woorden die Nietzsche hier uitspreekt:


Plotseling echter draaide hij snel het hoofd om, hij leek iets te horen: en hij legde de vinger op zijn lippen en sprak: 'Komt!'
En het werd meteen alom stil en mysterieus; uit de diepten echter rees langzaam het gelui van een klok op. Zarathoestra luisterde er aandachtig naar, evenals de hogere mensen; toen legde hij voor de tweede maal de vinger op de lippen en sprak alweer: 'Komt! Komt! Het loopt tegen middernacht!' - en zijn stem klonk anders nu. Doch nog altijd verroerde hij zich niet van zijn plaats: en het werd nog stiller en nog geheimzinniger, en allen luisterden, ook de ezel en de eredieren van Zarathoestra, de adelaar en de slang, en zelfs de grot van Zarathoestra en de grote koele maan en de nacht zelf. En Zarathoestra legde voor de derde maal de vingers op de lippen en sprak:

'Komt! Komt! Komt! Laat ons thans gaan wandelen. Dit is de stonde! Laat ons wandelen in de nacht!


3

Wat volgt is negen zinnen uit "Zarathoestra's reizang", elk met Zarathoestra's eigen commentaar, een terugblik op zijn leven. Twee zinnen eruit laat hij weg: "Ik sliep, ik sliep-, Uit diepe droom ontwaakt, sta ik op wacht-". De tijd van slapen en op wacht staan is voor hem en zijn gasten, die hij in het vorige hoofdstuk voor het eerst vrienden heeft genoemd, voorbij.
Hij laat zijn 'andere danslied', de boodschap die middernacht met de twaalf klokslagen voor de mensheid heeft, nu achter voor eenieder die de middernacht doorloopt, de tijd na de dood van God, als lied dat de reis zal begeleiden.

Voor het lied is de allergrootste stilte vereist, het kan pas om middernacht gehoord en begrepen worden, op het moment dat een mens al zijn maskers van de dag heeft afgelegd, de jongste en allergrootste deugd gevonden heeft die de mensheid gevonden heeft: absolute intellectuele eerlijkheid. Zoals het Leven hem leerde in Het Andere Danslied: "Lawaai vermoordt gedachten".
De boodschap wordt gegeven door de middernachtklok. Het is het allerzwaarste klokgelui dat ooit gehoord is. De zware bromklok heeft alle slagen van onze voorvaderen al afgeteld en is nu op twaalf aangekomen. Zijn klokslagen zijn verzuchtingen, de volheid van ervaringen. Maar zijn slagen zijn ook "lachen in zijn droom", de dromen van alle mensen van alle tijden. Zarathoestra laat weten dat de klok van 12 uur middernacht nu juist voor u slaat die dit leest: O mens, geef acht! Nu is het middernachtelijk uur in de geschiedenis aangebroken. De tijd dat de mens een nietig stofdeeltje is in een oneindig universum zonder begin of eind, zonder zin of doel, zonder God, zonder antwoorden.


4

Opeens verandert de taal van Zarathoestra in verward spreken. Hij spreekt opeens alsof slechts tegen zichzelf, alsof hij geheel in trance verkeert. Hij roept uit "Wee mij! Waar is de tijd gebleven! Ben ik niet verzonken in diepe bronnen? De wereld slaapt-"
Hij is plotsklaps weg uit de alledaagse werkelijkheid en heeft een mystieke ervaring. Hij geeft ons een klein inkijkje in zijn diepste innerlijk, laat nu zien van wat al die jaren die hij achter zich heeft door zijn hoofd gespeeld heeft. Hij geeft het commentaar op het reislied van het moderne leven door via een paar flitsen een beeld te geven van zijn eigen intens beleefde middernachtse gevoelens en gedachten.
Hij heeft als eerste mens de diepe middernacht in de ogen gekeken. Hij heeft als eerste de afgrond beseft. Hij heeft als eerste een strijd geleverd tegen de angstwekkende nieuwe realiteit die voor de mens na de dood van God opdoemde; flarden van de wanhoop uit het hoofdstuk Van Visioen en Raadsel, III.2, komen weer tevoorschijn: "Ach! Ach! De hond huilt, de maan schijnt." Het beeld van de herder die bijna stikt in de slang die in zijn keel kroop komt weer voor ogen: "Liever wil ik sterven, sterven, dan jullie zeggen wat mijn middernachtelijk hart zoven dacht." Welk concreet gegeven was dan die slang voor Nietzsche zelf? Het was een groteske gedachte waaraan hij en ieder ander gezond denkend mens met geen mogelijkheid gehoor aan kon geven omdat het de Geest der Zwaarte was die tot gigantische afmetingen was uitgegroeid. Hij zegt liever te sterven dan het te verklappen...Maar meteen erop: "Nu ben ik reeds gestorven. Het is voorbij." Hij zal het nu dus toch uit de doeken doen. Hij heeft eenvoudig de groteske gedachte nu aanvaard, en het deert hem niet meer wat de wereld ervan zegt: hij is afgestorven voor deze wereld. Maar meteen hierop jammert hij weer: "Spin, waarom spin je rond mij jouw web?" De spin is het symbool voor de gedachtensystemen die de mens spint. Why me? is Nietzsches vraag, waarom mijn bloed?..."De stonde komt, de stonde die mij doet huiveren en rillen van de kou, de stonde die vraagt en vraagt en vraagt: 'Wie heeft hiertoe de moed?'" Nietzsche geeft een beeld van een Getsemane-strijd die hij in zijn psyche gevoerd heeft. Wanneer je opmerkt dat de wereld op middernacht is uitgekomen, rijst onherroepelijk de vraag op wie de wereld dan wel naar het volgende ochtendgloren zal loodsen, wie zal een weg wijzen naar de Grote Middag. Nu biecht hij op waar hij al die tijd mee gevochten heeft: "-Wie zal gebieder der aarde zijn? Wie wil zeggen: zo moeten jullie lopen, o grote en kleine stromen!" Hij heeft die rol uiteindelijk zelf opgevoerd, hij kon zich er niet aan onttrekken, hoezeer alles in hem zich ertegen verzette.
Nu waarschuwt hij ieder mens: "-de stonde is nabij: o hogere mens, geef acht! deze rede is bestemd voor fijne oren, voor jouw oren - wat spreekt de diepe middernacht?" Iedereen moet er straks op gelijke wijze een antwoord op geven. Iedereen bevindt zich straks in de diepe middernacht.


5

De flarden herinneringen vliegen opeens van de diepste en meest beangstigende strijd naar de grootste momenten van euforie die hij op zijn reis heeft ervaren. "Ik word voortgedragen, mijn ziel danst." Meteen komt hoofdstuk Middag (IV.10) in onze gedachten. "Dagwerk! Dagwerk! Wie zal gebieder van de aarde zijn?" Zarathoestra kijkt terug op zijn optreden als leraar van nieuwe moraal, van een nieuwe visie. Het 'dagwerk' is de prediking die hij deed in deel 1 en af en toe later, hetgeen hij alleen kon doen omdat hij gedragen werd door onzichtbare vleugels die hem ver boven de Geest der Zwaarte uittilden. Hij herinnert zich zijn vermaningen, zijn zweepslagen: "Zijn jullie wel hoog genoeg gevlogen? Jullie hebben misschien wel wat gedanst, maar een been is nog geen vleugel!"
Meteen hierop schiet een oude herinnering voorbij hoe al die vermaningen, al dat oproepen tot de Bovenmens plotseling naar beneden geschoten werd door de Waarzegger (II.19): "Dansers, nu is alle lust voorbij: wijn werd droesem, iedere beker bros." De mensheid vloog nooit hoog genoeg. De graven blijven het eeuwig uitroepen: "Verlost toch de doden! Waarom blijft het altijd nacht? Maakt de maan ons niet dronken?" De maan is weer het beeld van de godsdienst, de representant van de zon. Is niet alle godsdienst waan en maakt zij van de mensheid geen dronken zooitje?
Opnieuw klinkt Zarathoestra's oproep: "O hogere mensen, verlost toch de graven, wekt de lijken op!" En hij ziet de mensheid van de toekomst weer met deze eindeloze klus verder gaan, zonder er ooit mee klaar te komen: "Ach! Ach! De wereld is diep!"


6

Zarathoestra richt zich tot de oude bromklok en noemt hem een "zoete lier" (prachtig harpgetokkel). Het geheel van het menselijk bestaan, alle euforie en alle smart, hij heeft het lief. In het geluid van de klok zijn alle menselijke ervaringen te bespeuren. De wereld is rijp geworden voor de moderne mens. De moderne mens leeft als in een gouden herfst. Hij kan voortdurend rijpe druiven plukken. En deze druiven willen nu sterven van geluk. Ze ruiken naar 'eeuwigheid', ze hebben een 'middernachtelijk stervensgeluk' in zich dat zingt, dwz de middernacht blijkt geen punt van wanhoop te zijn, maar het punt waarop de grootse verwondering over het leven pas begint, het leven als een fantastisch schouwspel. De wereld is inderdaad diep, niet vanwege het onoplosbare raadsel van het lijden, maar vanwege het onoplosbare raadsel van het bestaan op zich, een gegeven zo oneindig maal groter dan enkel lijden. Aan dit raadsel kan een mens zich slechts overgeven, waarna het een ervaring wordt van stervensgeluk. De wereld is diep, dieper dan de dag zich dacht!, dwz dieper dan men met woorden, wijsheid en menselijke rationaliteit uit kan pluizen. De ervaring van het bestaan is overweldigend.


7

"Hou op! Hou op! Ik ben te rein voor jou. Raak me niet aan! Werd mijn wereld zoven niet volmaakt?" Zarathoestra spreekt het dagleven aan, het gezond verstand, de redeneringen, alle maskers die de mens bedacht heeft om het bestaan te doorgronden. Al die zaken doen af aan zijn grootse ervaring van het perfect zijn van het bestaan, een ervaring die slechts kan worden opgedaan wanneer men voorbij middernacht gaat. "De reinsten zullen de gebieders der aarde zijn, de minst doorgronden, de sterksten, de middernachtzielen, die stralender en dieper zijn dan iedere dag." Dwz de mens die geen redenen meer nodig heeft om het leven te aanvaarden, de mens die kind geworden is, in het leven staat met een onuitblusbare onvoorwaardelijke levenskracht.
"O dag, je zoekt op de tast naar mij? Je tast naar mijn geluk? Je vindt mij rijk, eenzaam, een schatkamer, een goudmijn?" Het is alsof Nietzsche de gedachte die menig lezer heeft raadt: waarvandaan haalt hij die mystiek, die zekerheid van de bevestiging van het bestaan? Wat zijn de gronden, hoe is hij ertoe gekomen, waarop is dit nu gebaseerd? Nietzsche antwoordt: "O wereld, je wilt mij (doorgronden)? Vind je mij werelds? Vind je mij geestrijk? Vind je mij goddelijk? Maar dag en wereld: jullie zijn voor mij te plomp." Jullie zullen het nooit begrijpen. Jullie moeten voorbij de menselijke rede, voorbij het begrijpen, voorbij het doorgronden. Het is een kwestie van totale overgave aan het leven. En de sleutel hiertoe is de diepte op te zoeken, de pijn meer te ondergaan, dieper te ervaren, de wanhoop recht in de ogen te zien, het niet ontwijken met dagwijsheid, maar er volledig doorheen gaan.


Hebt vaardiger handen, grijpt naar dieper geluk, naar dieper ongeluk, grijpt naar een of andere god, grijpt niet naar mij!
Mijn ongeluk, mijn geluk is diep, o wonderlijke dag, maar toch ben ik geen god, geen godenhel: diep is haar pijn.


8

"Gods pijn is dieper, o wonderlijke wereld". 'Het bestaan' noemt Nietzsche opeens 'God'. Het wereldraadsel is groter dan iemand zich ooit bedenkt wanneer hij aankomt met uitleggingen, oplossingen, antwoorden, zingevingen. Voor de allerbeste oplossing van het wereldraadsel moet men niet blijven staren op de pijn van de mens (iets wat iedere filosofie en godsdienst gedaan heeft), maar er aan voorbijgaan: "Grijpt naar Gods pijn, niet naar mij!" Het religieuze denken heeft altijd naief aangenomen dat de wereld een tranendal is, maar de sfeer van het goddelijke, het hemelse perfect is en geen lijden kent. De werkelijkheid is dieper: ook het goddelijke ontkomt niet aan het lijden; aangezien het goddelijk is is het lijden van God nog veel groter dan dat van de mens. Religieuze mystiek is vanwege haar verkeerde aanname een vlucht uit de werkelijkheid. Nietzsches mystiek is juist het tegengestelde: niet het lijden ontvluchten, maar er juist tot op de bodem induiken. Nietzsche vervolgt door te zeggen dat hij door niemand begrepen wordt, maar toch moet spreken. Hij spreekt voor doven, ook de zogenaamde 'hogere mens' begrijpt hem niet.
Weer geeft hij aan wat de kern van zijn eigen wezen is, weer komt de verwijzing naar de ultieme wanhoop: "de hond huilt, de wind giert. Is de wind niet een hond? Hij jankt, hij blaft, hij huilt. Ach, ach, wat zucht hij! wat lacht hij, wat rochelt en kucht hij, de middernacht!" Juist hieruit ontstaat het omgekeerde, zoals Zarathoestra eerder uitsprak: "Top en afgrond, dat is in n besloten" en "ik moet dieper omlaag dan ik ooit gedaald ben, dieper omlaag in smart dan ik ooit daalde, tot in haar zwaarste vloed! Uit het diepste moet het hoogste tot zijn hoogte komen." (III.1).


Hoe nuchter spreekt hij toch, deze dronken dichter! Is hij al drinkend niet ontstegen aan zijn dronkenschap? werd hij klaarwakker? kauwt hij weer?


Zijn pijn kauwt hij opnieuw en opnieuw, want de oplossing van ieders bestaan is dit: "Want lust, hoe diep pijn ook is: lust is dieper nog dan 't hart dat lijdt."


9

Diep is de pijn van het bestaan, maar dieper nog is de lust te leven. Nietzsche legt uit dat alles wat pijn lijdt wil leven. Het wil een keer brengen in de gang van zaken, het smeedt plannen, het vecht, het is vol verlangen naar beter, naar anders. "Vol verlangen naar wat verder, hoger, stralender is. 'Ik wil erfgenamen', zo spreekt al wat lijdt, 'ik wil kinderen, ik wil niet mij'." Maar lust behoort bij de dood. Lust is het volmaakte, het heeft geen doel meer, het is gerijpt om gesnoeid te worden. "Lust wil zichzelf, wil eeuwigheid, wil wederkomst, wil dat alles eeuwig eender is." Op deze manier wordt Nietzsche de verkondiger van de Eeuwige Wederkeer van Hetzelfde. "
Pijn spreekt verdwijn!"


10

Opeens vraagt Nietzsche weer opnieuw wie hij wel niet is. Een waarzegger? Een dromer? Een dronkenman? Een uitlegger van dromen? Een middernachtelijke klok?...


Horen jullie het niet? Ruiken jullie het niet? Zoven werd mijn wereld volmaakt, middernacht is ook middag!


Dit is het antwoord op zijn vraag. Hij is de mens die de weg aanwijst om een volmaakte innerlijke wereld te vinden. Het is een esoterisch antwoord, een wijsheid die men overal her en der verspreid af en toe tegen kan komen op de aarde in het denken van enkelingen, een wijsheid voor 'fijne oren': Nietzsche is n van de mensen wier wezen in alle levenscellen uitspreekt: Hebt de aarde lief!


Smart is ook een lust, vloek is ook een zegen, nacht is ook een zon, een wijze is ook een nar.
Hebben jullie ooit ja gezegd tegen n lust? O, mijn vrienden, dan hebben jullie ook ja gezegd tegen alle pijn. Alles is door ketens, draden, liefde met elkander verbonden.
Hebben jullie n maal ooit twee maal gewild, hebben jullie ooit gesproken: 'Je bevalt mij, geluk! flits! ogenblik!, in dat geval wilden jullie dat alles wederkomt!
Alles opnieuw, alles eeuwig, alles door ketens, draden liefde met elkander verbonden, o, dan hebben jullie de wereld liefgehad.
O eeuwigen, hebt haar eeuwig en altijd lief. En zegt ook tegen de pijn: verdwijn, maar kom terug! Want alle lust wil- eeuwigheid!


In het christelijk geloof herhaalt men eeuwig de zin: "Want alzo lief heeft God de wereld gehad enz enz", maar Nietzsche is de eerste mens die de mens aanspoorde de aarde net zo lief te hebben als deze God die zoveel waardering heeft gekregen van mensen! Eigenlijk is het onbegrijpelijk vreemd dat in al die lange eeuwen nooit een christen op dt idee gekomen is, hoewel deze boodschap zo voor de hand lag.


11

De volgende zin uit het lied is de herhaling van de vorige. Nu begrijpen we waarom de zin herhaald wordt: het is de kern van Nietzsches levensvisie. Hij zet het in de volgende woorden nog eenmaal uiteen. Het is de 1 Cor. 13 van Nietzsches bijbel:


Alle lust wil eeuwigheid van alle dingen, wil honing, wil droesem, wil dronken middernacht, wil graven, wil de troost van graven en tranen, wil verguld avondrood-
wat wil lust al niet! hij is dorstiger, inniger, hongeriger, vreselijker, heimelijker dan alle pijn, zichzelf wil hij, in zichzelf bijt hij, in hem dringt de wil van de ring,-
hij wil liefde, hij wil haat, hij is overrijk, schenkt, werpt weg, bedelt dat iemand hem ontvangt, dankt zijn ontvanger, zou zich gaarne gehaat weten,-
-zo rijk is lust, dat hij naar pijn dorst, naar hel, naar haat, naar smaad, naar de kreupele, naar wereld!
O hogere mensen, naar jullie verlangt de lust tomeloos en zalig, -naar jullie pijn, o mislukten! Naar alles wat mislukt is, verlangt alle eeuwige lust.
Want alle lust wil zichzelf, daarom wil hij ook het hart dat lijdt! O geluk! o smart! O breek, hart! O hogere mensen, leert toch dit: lust wil eeuwigheid. Lust wil de eeuwigheid van alle dingen, wil diepe, diepe eeuwigheid!


12

Hebben jullie nu mijn lied geleerd? Hebben jullie geraden wat het wil?


Wel, beste vriend, mijn impulsieve besluit op een mooie zomeravond er een commentaar op te schrijven heeft meer dan twee jaar moeizaam werk opgeleverd; weinig besefte ik toen ik eraan begon hoe zwaar het is een alpenberg te beklimmen...En nu ik eindelijk de top bereikt heb en een prachtig uitzicht heb durf ik er nog niet met zekerheid een ja op te antwoorden; er moest af en toe inderdaad danig naar geraden worden, over aardig wat keien gesprongen worden; ik zou je wel graag nog beter willen verstaan...Ach, de moderne mens is gewend aan motorwegen, waar hij overheen raast naar verre bestemmingen, zonder veel van het voorbijvliedende op te merken...
maar wat ik wel weet is dat ik je liefheb! En de aarde!


Kom aan! O hogere mensen, zingt dan nu mijn reizang


Ik neem dus aan, mijn vriend, dat je geen weerwoord duldt...







O mens! Geef acht!
Wat spreekt de diepe middernacht?
'Ik sliep, ik sliep-,
Uit diepe droom ontwaakt, sta ik op wacht:-
De wereld is diep,
En dieper dan de dag zich dacht.
Diep is haar pijn-,
Lust- dieper nog dan 't hart dat lijdt:
Pijn spreekt: verdwijn!
Doch alle lust wil eeuwigheid-,
-wil dieper, diepe eeuwigheid!'