Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.2    De Noodkreet

Van alle personages die we in deel 4 tegenkomen is de Waarzegger de enige die we tevoren al zijn tegengekomen, dus de persoon die Zarathoestra blijft achtervolgen. Hij is de enige persoon in het boek Aldus sprak Zarathoestra die is opgewassen tegen Zarathoestra; de enige persoon van wie Zarathoestra onder de indruk is en hem de baas is. De Waarzegger werd in II.19 neergezet als Prediker uit de bijbel, de Nihilist. We lazen dat Zarathoestra in zijn hart getroffen werd door zijn woorden en door hem veranderd wordt. Hij kan als gevolg van de ontmoeting met de Nihilist niet meer eten en drinken, en slapen gaat gepaard met een nachtmerrie. Zarathoestra en de Waarzegger horen dus bij elkaar. Dat deze personages zulke exacte tegendelen van elkaar zijn komt omdat Nietzsche allebei de personages in zijn eigen leven ervaart. Nietzsche geeft een hint wanneer hij in dit hoofdstuk schrijft:


Toen Zarathoestra hem aankeek, werd zijn hart opnieuw opgeschrikt: zoveel boze verkondigingen en asgrauwe bliksems liepen over dit gezicht. De Waarzegger, die had waargenomen wat zich in Zarathoestra's ziel afspeelde, wreef met de hand over het gelaat, alsof hij dit weg wilde wissen; evenzo deed Zarathoestra. En toen beiden zich dusdanig in stilte hadden vermand en gesterkt, reikten ze elkander de hand, ten teken dat zij elkaar wilden herkennen.


De Waarzegger is Nietzsches alter ego, net zoals Zarathoestra dat is. Een mens probeert vaak met kracht en soms wanhopig het tegendeel te zijn van waar hij zelf het idee van heeft dat hij is. Nietzsche heeft als gevolg van zijn mateloze argwaan het nihilisme tot op het diepst ervaren. Zijn Zarathoestra is zijn persoonlijke antwoord om eraan te ontsnappen, om zich er fel tegen te verweren. Zarathoestra is uitgevonden om strijd te leveren tegen de Nihilist en de overwinning op hem te behalen. Zarathoestra is Nietzsches wil tot macht over het andere deel van zichzelf dat absolute macht over hem dreigt te hebben. In feite kán iemand de leringen van Zarathoestra niet aanhoren, begrijpen of aannemen indien hij niet ook het nihilisme recht in de ogen gekeken heeft en er bijna door verpletterd is.


De manier waarop Zarathoestra de Waarzegger ontmoet is ook veelzeggend: eerst verhaalt Nietzsche ervan hoe Zarathoestra op de steen voor zijn grot zit en met een stok peinzend de contouren van zijn schaduw op de aarde natekent. Dit is een verwijzing naar Jezus, die in Joh. 8:6 hetzelfde deed. Nietzsche overdenkt peinzend hoe zijn schaduw, de heilzame invloed van zijn Zarathoestra (dwz de nieuwe Christus, de opwaartse kracht van Nietzsches denken) tot ver in de toekomst zal doorwerken. Opeens en geheel onverwacht staat dan naast de schaduw van Zarathoestra, dwz tezelfdertijd als de opwaartse kracht, de schaduw van de Waarzegger: een aanduiding van de neerwaartse, verlammende kracht van het nihilisme, dat zijn schaduwen ook ver in de toekomst zal werpen. De Nihilist wordt door Nietzsche steeds met Waarzegger aangeduid omdat hij de toekomst ermee wil aankondigen: het nihilisme zal de wereld van de toekomst (de 20ste eeuw en de 21ste eeuw) overspoelen.

De Waarzegger als sombere waarheid-zegger hebben velen ook aangeduid als verwijzend naar Schopenhauer. Dit is ongetwijfeld ook juist, maar indirect: de jonge Nietzsche vereenzelvigde zichzelf tot op het buitensporige af met de filosofie van Schopenhauer. Schopenhauer in een notendop is "de ervaring van uiterste pessimisme", en als reactie daarop "het uitroepen van medelijden tot de grootste deugd", een leer die Nietzsche jarenlang in de ban hield.
De Waarzegger kan men ook als synoniem zien van de Geest der Zwaarte, waarvan we eerder opmerkten dat het zowel Zarathoestra's aartsvijand is, alsook in hemzelf gevonden kan worden. De parallel in de religie is natuurlijk de zonde en de Tegenstander (Satan). Zij komen in de regel in de vorm van verzoeking en verleiding en gepersonifieerd als Verleider/In Verzoeking Brenger. Wanneer Zarathoestra en de Waarzegger in gesprek raken komt dit sterk naar voren. De verzoeking komt in de vorm van het in twijfel stellen. Wanneer Zarathoestra de Waarzegger uit de hoogte aanspreekt als vermoeid figuur en hem lachend het genot van een goede maaltijd en een opgewekte disgenoot aanbiedt, krijgt hij van de Waarzegger deze giftige woorden te horen:


'Een opgewekte oude man [zeg je te zijn]? Maar wie je ook bent of wilt zijn, o Zarathoestra, je zult het niet lang meer zijn. De golven van jouw berg stijgen en stijgen, golven van nooddruft en droefenis: ze zullen spoedig je schuitje optillen en jou wegdragen'.


Met deze golven van droefenis bedoelt de Waarzegger het opkomende nihilisme dat de mensheid als een ziekte zal treffen en waartegen Zarathoestra's leer eenvoudig geen sterk genoeg medicijn is.
Vervolgens maant de Waarzegger Zarathoestra aan om de oren eens goed te spitsen om de noodkreet van de mensheid al op te vangen. Zarathoestra hoort dan inderdaad een naargeestige kreet van een mens. Maar hij laat erop volgen dat de nood van mensen hem niet aangaat. Hij heeft altijd laten weten dat mededogen eerder een zonde dan een deugd is. De Waarzegger verandert nu in de Verleider:


'O, Zarathoestra, ik kom om jou te verleiden tot je laatste zonde!' [dwz tot medelijden]
En nauwelijks waren deze woorden gesproken, of opnieuw weerklonk de kreet, en langer en angstiger dan tevoren, ook reeds van dichterbij. 'Hoor je? Hoor je, o Zarathoestra?' riep de Waarzegger, 'de kreet roept om jou, jou roept hij aan: kom, kom, kom, het is tijd, het is de hoogste tijd!'


Zarathoestra begint het nu moeilijk te krijgen hier niet op in te gaan. Hij weifelt en vraagt: "Wie is het dan die mij zo roept?" Hij krijgt als antwoord:


'Maar dat weet je toch', antwoordde de Waarzegger heftig, 'waarom houd jij je van de domme? Het is de hogere mens die om jou schreeuwt!'


Nu is Zarathoestra helemaal van zijn stuk gebracht, want hij heeft net een boek geschreven voor die 'hogere mens', de mens die nog oren heeft voor Zarathoestra's boodschap om te werken aan het gestalte geven van de Bovenmens. Hij wordt nu net als Jezus verzocht om zich als God op aarde te openbaren en zichzelf te bewijzen. Zarathoestra begint te beven. Op dat moment steekt de Waarzegger toe:


'O, Zarathoestra, je staat daar helemaal niet als iemand die over geluk beschikt. Zelfs al zou je voor mij dansen en allerlei bokkesprongen maken, dan nog zou niemand zeggen: "Kijk eens, hier danst de laatste blijde mens!" Vergeefs zou iemand op deze hoogte komen om de laatste blijde mens te vinden: grotten zou hij aantreffen, schuilplaatsen voor verscholenen, maar beslist geen geluksschachten en schatkamers en nieuwe geluksgoudaders. Geluk! Hoe zou men geluk kunnen vinden bij zo'n begravene en kluizenaar als jij!


Merk op dat Zarathoestra hier niet van terug heeft! Wanneer de Waarzegger er nog aan toevoegt dat er in het geheel geen gelukzalige eilanden bestaan wordt het Zarathoestra opeens teveel. De woorden werken als een wapperende rode doek op een stier en Zarathoestra roept briesend (dwz zonder argumentering) uit:


Nee, nee! Driemaal nee! Dat weet ik beter. Er zijn wel degelijk gelukzalige eilanden! Zwijg daarvan, o zuchtende treurbal! Staak je gespetter daarover, o regenwolk in de morgen! Ik praat niet verder met jou. En als je me onbeleefd vindt zeg ik je: Dit hier is mijn erf!


En meteen erachteraan, blijkbaar omdat hij iets nu moet laten zien, laat Zarathoestra horen dat hij de persoon die de noodkreet slaakte zal opzoeken. Deze persoon bevindt zich tenslotte in zijn domein, en hij heeft er verantwoordelijkheid voor dat hem niets zal overkomen.
De Waarzegger als 'ongenadige verlichter' blijft hem maar achtervolgen met venijn. Hij beschuldigt Zarathoestra ervan dat het een smoesje is om weer eens van hem af te komen. Zarathoestra vlucht voor degene die hem de waarheid zegt. Hij voorspelt dat het tevergeefs is, en ze elkaar vanavond toch weer zullen tegenkomen. Hij zal geduldig als een houtblok op Zarathoestra wachten. Zarathoestra antwoordt dat hij inderdaad ook tot de grot behoort en daar zijn gast zal zijn, een gast die op zijn liederen zal dansen als een dansende beer van Zarathoestra. Dit had Zarathoestra al in het hoofdstuk "De Waarzegger" in deel 2 voorspeld. Indien de Waarzegger het nog niet gelooft zal hij straks moeten leren dat ook Zarathoestra een Waarzegger is!

De dialoog en verstandhouding tussen Zarathoestra en de Waarzegger is de uitbeelding van hoe de mens met zichzelf in gevecht is, en hoe men zichzelf overwint. Dit hoofdstuk laat prachtig zien hoe Nietzsche zich de waarheid over zichzelf recht in het gezicht smijt, en hoe je zulke drastische zelfkritiek dan te boven kan komen: niet door de kritiek te ontkennen als vals en onwaar, maar door je eigen wil tot macht, wil tot zelfoverwinning, nog sterker te laten zijn, door vastberaden het besluit te nemen dat niet de zelfkritiek, de vertwijfeling, de depressieve, negatieve gedachten zullen overwinnen, maar precies de tegenovergestelde krachten, gesymboliseerd door Zarathoestra's zelfverzekerde opmerkingen dat iedereen die hij tegenkomt zich in zijn koninkrijk bevindt. Iets van deze innerlijk worsteling tussen tegengestelde krachten in mijn eigen leven heb ik hier beschreven. Ik noem het daar 'de dialoog tussen extremen in mezelf'. Zarathoestra heeft daar de naam Rereformed, en de Waarzegger is daar de Dodelijke Zelfkritiek.