Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.20    Het Teken

Het laatste hoofdstuk is een climax op de voorgaande climax. Zarathoestra heeft de hogere mens weer levenskracht ingeboezemd. Hij nam de hogere mens bij de hand om ze het middernachtelijk uur voorbij te laten gaan. Maar het is voor Nietzsche niet genoeg te bereiken dat de mensheid geneest van de zwaarmoedigheid en het nihilisme. Voor hem was het hele tafereel van de ontmoeting met de 'hogere mens in nood' in deel 4 slechts een bijkomstigheid. Hij legt het uit als een verzoeking, de verzoeking om medelijden te hebben met de mens. Maar medelijden ziet hij als nutteloos. Medelijden loopt altijd uit op iets verlichting geven, maar nooit op structurele verandering. Nietzsche noemt medelijden zonde; aangezien het zo moeilijk is voor de mens om boven de medelijden uit te groeien zijn laatste zonde. Hij illustreert deze kijk op medelijden door in dit hoofdstuk de 'hogere mensen' af te schilderen als figuren die meteen weer op de vlucht slaan wanneer er nogmaals wat nieuws van hen gevraagd moet worden wat moed vereist. Genezen van de zwaarmoedigheid is nog niet hetzelfde als verteerd te worden door een grootse visie. Nietzsche zag zijn eigen taak als veel groter dan slechts bezig te zijn met de situatie van zijn tijd en de nabije toekomst. Hij was een visionair die een totaal andere wereld op het oog had dan de mensenwereld die we kennen. Hij wilde de grondlegger zijn voor een wereld van de verre toekomst, wanneer God slechts nog een vage schim in het geheugen van de mensheid is. De mensen van die tijd noemt hij mijn kinderen. De wereld van de verre toekomst zou voor hem de Grote Middag van het menszijn moeten zijn. Wanneer de gehele mensheid de aarde eindelijk liefheeft zal er een tijd aanbreken waarop het menszijn vleugels krijgt, een tijd van ongekende vooruitgang. De mens zal dan tot grote Schepper uitgroeien. De schepper van zichzelf en van geheel nieuwe werelden.
Om aan dit visioen nu kracht te geven laat Nietzsche het boek Zarathoestra eindigen met het teken, dwz het teken dat de Grote Middag zal komen, een teken dat hij zelf voorspelde in III.12, Van Oude en Nieuwe Tafelen, en waar hij met verlangen naar uitkeek.
In het vorige hoofdstuk liet Nietzsche al weten dat Zarathoestra's gestalte groeit: "en zijn stem klonk anders". In dit hoofdstuk is hij uitgegroeid tot de personificatie van de zon. Op de allereerste bladzijde werd hij beschreven als kracht puttende uit de zon, maar nu is zijn haar wit geworden, een teken dat hij ahw nu de incarnatie van de zon is geworden. Het teken verschijnt vervolgens in dubbele vorm, een zwerm vogels die op hem neerdaalt, en een tamme leeuw die zich naast Zarathoestra vlijt. De dieren tonen hun liefde voor Zarathoestra, maar ook voor elkaar. De kenner van de bijbel zal hierin meteen het toekomstvisioen op het eind van het boek Jesaja herkennen, waarin de beroemde woorden uitgesproken worden dat


Wolf en lam zullen samen weiden,
een leeuw en een rund eten beide stro
en een slang zal zich voeden met stof
. (Jes. 65: 25)


Nietzsche laat het boek eindigen met een jubelende Zarathoestra die uitspreekt:


Mijn verdriet en mijn mededogen - wat doet het ertoe! Streef ik dan naar geluk? Nee, ik streef naar mijn werk!
Welaan! De leeuw is gekomen, mijn kinderen zijn nabij, Zarathoestra is rijp geworden, mijn stonde is gekomen: -
Dit is mijn morgen, mijn dag breekt aan: stijg nu op, op grote middag!--

Aldus sprak Zarathoestra en verliet zijn grot, gloeiend en sterk, als een morgenzon die achter donkere bergen oprijst.

Einde van Aldus sprak Zarathoestra





Albert Vollbehr, september 2007