Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.3    Gesprek met de Koningen

In de volgende zeven hoofdstukken ontmoet Zarathoestra "de hogere mens" in zeven gedaanten (dwz in zijn volheid). Elk van deze gedaanten vertonen aspecten van Zarathoestra (=Nietzsche) zelf, maar het zijn stuk voor stuk in gebreke blijvende gestalten of verdraaide voorstellingen van hem of van zijn leer. Om deze aspecten van zijn leer en "de hogere mens" uit te beelden gebruikte Nietzsche de hoofdpersonen van het Nieuwe Testament, aangezien dit boek voor onze cultuur het symbool bij uitstek is van "de hogere mens". De hoofdpersonen van het Nieuwe Testament zijn God, Jezus, de Apostelen (Paulus, Petrus, Jacobus en Johannes), Judas en Pilatus. De laatste twee worden door Nietzsche, zoals te verwachten valt, niet als schurken afgeschilderd, maar leggen juist opvallend positieve kenmerken aan de dag. De 'goede karakters' van het Nieuwe Testament daarentegen worden flink hardhandig aangepakt: God is hopeloos verdwaald, Jezus een goedaardig figuur die niet is opgewassen tegen de werkelijkheid, Petrus een goedaardige zielepoot, Jacobus en Johannes het omgekeerde van waar ze voor doorgaan, en Paulus een oplichter van de ergste soort.


Als eersten ontmoet Zarathoestra twee koningen in vol ornaat die met een ezel rondlopen. Ze hebben tot het eind van het boek als merkwaardige naam "de koning ter rechter zijde" en "de koning ter linker zijde". Deze raadselachtige benaming wordt pas duidelijk wanneer men beseft dat dit juist de hint is die de personages met de bijbel verbindt. In Marcus 10:35-37 kan men lezen:


Jacobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, kwamen tot Jezus en zeiden: 'Meester, we willen dat u voor ons doet wat wij u vragen.' Hij vroeg hun: 'Wat willen jullie dan dat ik voor jullie doe?' Ze zeiden: 'Wanneer u heerst in uw glorie, laat één van ons dan rechts van u zitten, en de ander links.'


Vandaar ook dat de koningen door Nietzsche als broers worden aangeduid. En vandaar ook dat de koningen met een ezel lopen: uit het evangelie weten we dat die bestemd was voor Jezus, de opperkoning, en dat de ezel door twee leerlingen van hem opgehaald werd (Marcus 11). Nietzsche pakt juist deze tekst waar de leerlingen van Jezus om macht en eer voor zichzelf vragen om het zielige niveau van "de hogere mens" ermee aan te duiden. Merk overigens op dat het evangelieverhaal vervolgd wordt niet door Jezus te laten zeggen dat het niet om persoonlijke macht en heersen gaat in zijn leer, maar met de ethisch zielige leer dat hij de macht niet heeft te bepalen wie er links en rechts van hem zal regeren!


In de woorden van de twee koningen komt het zielige denken van de mens scherp naar voren, en zien we meteen hoe de koningen ook de aristocraten van Nietzsches eigen tijd uitbeelden. De koningen leggen een enorme afkeer van het gewone volk aan de dag. Nergens vinden de koningen meer voornaamheid, alles is grauw, een plebejisch allegaartje. Niemand weet meer wat vereren is. Overal zijn opdringerige honden, alles wordt bedekt met bladgoud. Het meest zijn de koningen misselijk het spel van koning te moeten spelen, terwijl ze in het geheel geen macht meer hebben. Zarathoestra heeft deze zaken ook besproken, maar niet omdat hij zonodig heldenverering voorstaat en koningen geëerd wil zien. Het was Zarathoestra te doen om heldhaftige karaktertrekken te zien in mensen. Hij wil voornaamheid en aristocratie in iedereens optreden zien, maar is helemaal niet geïnteresseerd in koningstitels, mensenverering op zich of neerbuigen voor iemand anders. Zijn leer is zelfs je nooit voor iemand anders neer te buigen. De koningen halen Zarathoestra's woorden aan over de krijg: "Jullie moeten de vrede liefhebben als middel tot nieuwe krijg, en de kortstondige vrede méér dan de langdurige! en "Wat is goed? Dapper zijn is goed. Het is de goede krijg die iedere zaak heiligt." De woorden komen uit I.10, maar de koningen zien schromelijk over het hoofd dat Zarathoestra daar over de krijg van denkbeelden sprak. Wanneer ze vervolgens met nostalgie en geestdrift over hun voorvaderen beginnen te spreken wiens zwaarden hunkerden naar bloed, noemt Zarathoestra het gezwets, aangezien deze koningen in werkelijkheid het tegenbeeld van deze voorvaderen zijn en in de verste verten niet tot zoiets in staat zouden zijn. Ze hebben eenvoudig geen enkele karaktereigenschap die de titel 'koning' zou rechtvaardigen. Het zijn slechts decadente resten van een glorie die ooit vroeger eens bestond. Ze hunkeren naar deze glorie maar hebben niets in zich om er zelf een steentje aan bij te dragen. Het hoofdstuk eindigt in een zeer sarcastische opmerking. Zarathoestra stuurt de koningen naar zijn grot, en waarschuwt ze dat ze daar lang zullen moeten wachten voordat hij komt:


Maar wat geeft het! Waar leert men tegenwoordig beter wachten dan aan hoven? Is heel de deugd die koningen tegenwoordig nog rest niet deze: kunnen wachten?


Deze opmerking is tevens gericht aan alle christengelovigen die van eeuw tot eeuw met hun ezel (=domheid) lopen en maar wachten totdat hun hemelse koning eindelijk verschijnt (wederkomt) om erop te rijden en zij eindelijk de macht en eer krijgen die ze denken te verdienen. Een hoofdleer in het christelijk geloof is dat men uit zichzelf totaal niets is, volkomen onwaardig, maar door eenvoudig het juiste geloof aan te nemen verandert in een door God begunstigde en later bekleed zal worden met 'eer en waardigheid'.


Nietzsche laat Zarathoestra een rijmpje uitspreken waarmee hij wil aanduiden wat de oorzaak is voor de ondergang van ware voornaamheid en aristocratie in de westerse wereld: het is volgens hem te wijten aan de leer van het christelijk geloof:


Eens -het moet in het jaar des Heils één geweest zijn-
Sprak de sibille, dronken zonder een dropje wijn:
'Wee, nu gaat alles mis!
Verval! Verval! Nimmer zonk de wereld zó in duisternis!
Rome verwerd tot hoer en hoerenkot,
Romes Caesar verwerd tot vee, tot jood -werd zelfs God!"


Nietzsches De Antichrist geeft hier de aanvullende gedachten van:


Men moet het christendom niet opsmukken en mooier voorstellen: het heeft een oorlog op leven en dood gevoerd tegen het hogere type mens, het heeft alle basisinstincten van dit type in de ban gedaan, het heeft uit deze instincten het boze, de boze gedestilleerd -de sterke mens als de typisch verwerpelijke, de 'verworpen mens'. Het christendom heeft partij gekozen voor alles wat zwak, laag en mislukt is, het heeft het verzet tegen het instinct-tot-zelfbehoud van het sterke leven tot ideaal verheven; het heeft de rede van zelfs de geestelijk sterkste naturen verdorven, door hun de hoogste waarden van de geest als zondig, als misleidend, als bekoringen te leren ervaren. (§5)

Ik beweer dat alle waarden waarin de mensheid momenteel haar hoogste idealen samenvat, decadentie-waarden zijn. Ik noem een dier, een soort, een individu verdorven wanneer het zijn instincten kwijtraakt, wanneer het kiest voor, wanneer het de voorkeur geeft aan wat hem schaadt.
Het leven zelf is voor mij instinct tot groei, tot duur, tot opeenhoping van krachten, tot macht, waar de wil tot macht ontbreekt, daar is verval. ik beweer dat aan alle hoogste waarden van de mensheid deze wil ontbreekt, dat de heerschappij gevoerd wordt door de waarden van het verval, nihilistische waarden onder de heiligste namen. (§6)