Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.4    De Bloedzuiger

Voor de bijbelse identificatie van de volgende 'hogere mens' hebben we de volgende aanwijzingen:
-Deze persoon is iemand die in het moeras zit.
-Het is iemand die men vertrapt, een hond noemt en met de stok slaat.
-Iemand die hevige pijn voelt, scheldt en vloekt.
-Een man die vol bloed zit vanwege de beten van bloedzuigers.
-Het is iemand die aan "een handbreed grond" genoeg heeft.
-Het is een eenzame; iemand die geen gezelschap nodig zegt te hebben.
-Deze persoon walgt van alle halven van geest, van allen die nevelig zijn, van zwevers en dwepers.
-Hij noemt zich 'de gewetensvolle des geestes'.


De optelsom van deze zaken geeft ons de persoon Judas, de apostel die volgens de bijbel Jezus verraden heeft om er 30 zilverstukken mee te verdienen, spijt kreeg en zijn eigen leven vervloekte (zelfmoord deed), waarna van het geld een stukje grond gekocht werd, en die daarna de geschiedenis door als de meest te haten schurk te boek heeft gestaan, waar eenieder vrijelijk zijn botte haat en wraak op mag uitoefenen, en dus tot in eeuwigheid vertrapt wordt en het gezelschap van ieder ander mens moet missen. Nietzsche verbindt dit beeld van Judas aan een ander beeld van Judas dat men kent uit gnostische overleveringen over de persoon die Jezus verried: het was een persoon die het concrete bewijs wilde zien voor de claim van Jezus Gods Zoon te zijn, en hem overleverde aan de autoriteiten met de bedoeling Jezus zo te dwingen zijn krachten te tonen. Hij wilde er zeker van zijn dat Jezus geen zwever en dweper was.

De niet-bijbelse identificatie van deze persoon brengt ons zonder moeite op de pure wetenschapper, de mens die zich niet aan gissen en fantasie wil overgeven, maar alles tot in de details onderzoeken wil om vaste grond onder zijn voeten te krijgen en tot op de bodem van de waarheid te komen. Men kan zich afvragen of Nietzsche hier in de eerste plaats de natuurwetenschapper op het oog heeft, zoals de meeste commentators laten weten. Het feit dat deze wetenschapsman het brein van bloedzuigers bestudeert zou wellicht op geheel iets anders kunnen duiden, namelijk op een psycholoog die het doen en laten van de mens bestudeert. De mens is een bloedzuiger, namelijk het enige dier dat bloed wil zien om allerlei andere redenen dan als noodzakelijk onderdeel van voedsel. De mens is zelfs zozeer geobsedeerd van bloed dat hij veelal denkt dat God bloed wil zien! In De Antichrist gebruikt Nietzsche het woord "bloedzuigend" met een aantal synoniemen om de diepste waarden van christenen en anarchisten te beschrijven: "De christen en de anarchist: beiden decadenten, beiden niet in staat anders te werken dan ontbindend, vergiftigend, beknottend, bloedzuigend, beiden met een instinctieve dodelijke haat behept tegen alles wat staat, wat fier en stevig staat, wat duurzaam is en in het aardse leven gelooft...Het christendom was de vampier van het imperium Romanum, dit bewonderenswaardige kunstwerk van de grote stijl -tot op heden werd er nooit meer zoiets gebouwd" (§58). Wanneer Zarathoestra deze wetenschapper vraagt of hij "de bloedzuiger tot op de laatste gronden" probeert te onderzoeken (=te doorgronden) is het antwoord van de wetenschapper dat dat iets te veel gevraagd is, maar wat het brein van de bloedzuiger betreft (=de psychologie van de mens) is hij toch wel een expert.


Er ontstaat een goede verstandhouding tussen Zarathoestra en de Gewetensvolle des Geestes. Beiden hebben respect voor elkaar. De bloedende man noemt Zarathoestra 'de gewetensbloedzuiger', dwz de persoon die meer en beter dan wie ook het geweten van de mens kan aanspreken vanwege de eis tot intellectuele eerlijkheid.
Nietzsche laat scherp zien waar het de wetenschapsman aan ontbreekt: zijn 'weten' omvat slechts een handbreed zaken, en voor de rest is hij blind. Hij laat het de wetenschapper zelf uitspreken:


Mijn geestesgeweten verlangt van mij dat ik één ding wel en al het andere niet weet...Waar mijn rechtschapenheid ophoudt, ben ik blind en wil ik ook blind zijn. Doch waar ik wil weten, wil ik ook rechtschapen zijn, namelijk hard, streng, strikt, wreed, onverbiddelijk. Dat jij eens sprak, o Zarathoestra: "Geest is het leven dat zelf in het leven snijdt", dat heeft me geleid en verleid tot jouw leer. Met eigen bloed heb ik mijn eigen weten vermeerderd!


Let op hoe dichtbij deze leer weer bij de leer van Zarathoestra is, die ook eens schreef (I.7): "Van al het geschrevene heb ik enkel lief wat iemand schrijft met zijn bloed", en ook opmerkte dat liefde en ondergaan altijd samengaan. Maar alweer doet Nietzsche zijn best om lezers te leren kleine nuances te kunnen zien als beslissende verschillen. Zarathoestra's eindcommentaar op deze wetenschapsman is net als het eindcommentaar in het vorige hoofdstuk bijzonder sarcastisch. Terwijl hij de woorden van de bloedende man aanhoort ziet hij hoe wel tien bloedzuigers zich in zijn arm hebben vastgebeten en het bloed overal op zijn arm zit:


O, wonderlijke snuiter, hoeveel leert me deze eigen waarneming, namelijk jouzelf! Misschien mag ik niet alles in jouw strenge oren gieten!


De Bloedende man heeft zo zijn best gedaan om tot weten te komen, maar het resultaat is niet de persoon die Zarathoestra voor ogen heeft staan. Hij weet alles over het zieke brein van de mens, maar heeft er geen oplossing voor er wat beters van te maken. Zijn walging van zwevers en dwepers heeft hem alle grootse idealen ontnomen. Zarathoestra wil hem niet nogmaals kwetsen door hem de waarheid over zichzelf te geven, namelijk dat hij een droevige verschijning is, want deze man zou het met zijn intellectuele eerlijkheid moeten toegeven en er (net als indertijd Judas) vervolgens in stikken.