Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.5    De Tovenaar

1

In dit hoofdstuk behandelt Nietzsche een onderwerp dat hem bijzonder na aan het hart lag (het hoofdstuk is tweemaal zo lang als de vorige hoofdstukken van deel vier), namelijk de aanval op de dichters, opgevat in de ruimste zin van het woord; dichters zijn mensen uiteenlopend van filosofen tot godsdienstigen tot kunstenaars, dwz alle mensen die de fantasie en allerlei waan en wensdromen uitroepen tot hoogste deugd en waarheid. Voor de kritiek zet Nietzsche één personage op het toneel, namelijk het exemplarische voorbeeld en de onbetwiste koning van allen die tot tot deze groep behoren, en dus met recht De Tovenaar genoemd kan worden: Paulus. Voor Paulus heeft Nietzsche in De Antichrist niets anders dan minachting en ergernis. Waar hij over Jezus nog als 'Blijde Boodschapper' kan schrijven, lukt het hem niet over Paulus maar één goed woord te schrijven. Integendeel, Paulus ziet hij als de grote verdraaier, de verkrachter van al het goede, de verdorven, zieke, gestoorde mens. Jammergenoeg is wat wij als 'christendom' kennen hieruit gegroeid:


Men ziet wat er met de dood aan het kruis afgesloten was: een nieuwe, een volkomen oorspronkelijke aanzet tot een boeddhistische vredesbeweging, tot een werkelijk, niet slechts beloofd geluk op aarde. Want dit blijft het fundamentele verschil tussen die beide religies van de decadentie: het boeddhisme belooft niet, maar doet gestand, het christendom belooft alles, maar doet niets gestand. - Op deze 'blijde boodschap' volgde op de voet de allerslechtste: die van Paulus. In Paulus is het tegendeel belichaamd van het type van de 'blijde boodschapper': het genie in de haat, in het visioen van de haat, in de onverbiddelijke logica van de haat. Wat heeft deze dysevangelist ['kwade boodschapper'] niet allemaal ten offer gebracht aan de haat! Allereerst de Verlosser: hij sloeg hem aan zijn kruis. Het leven, het voorbeeld, de leer, de dood, de zin en het bestaansrecht van het hele evangelie - niets bestond meer toen deze valsemunter uit haat begreep wat hij alleen maar gebruiken kon. Niet de realiteit, niet de historische waarheid!...Hij schrapte gewoon het gisteren en het eergisteren van het christendom, hij bedacht zelf zijn geschiedenis van het eerste christendom. Sterker nog: hij vervalste de geschiedenis van Israël opnieuw, zodat zij de voorgeschiedenis van zijn handelen leek - alle profeten hadden over zijn Verlosser gesproken...Paulus verlegde eenvoudig het zwaartepunt van heel het bestaan achter dit bestaan, naar de leugen van de 'verrezen' Jezus. In wezen kon hij de historische Verlosser helemaal niet gebruiken, wat hij nodig had was zijn dood aan het kruis en nog wat anders. Iemand als Paulus, wiens vaderland het centrum van de stoïsche verlichting was, als eerlijk beschouwen wanneer hij uit een hallucinatie het bewijs fabriceert dat de verlosser nog leeft, of zelfs maar geloof schenken aan zijn verhaal dat hij deze hallucinatie ooit had, dat zou van de kant van een psycholoog je reinste onnozelheid zijn: Paulus wilde het doel, en dus wilde hij ook alle middelen. Ook al geloofde hij het zelf niet, de idioten onder wie hij zijn leer rondstrooide, geloofden het. Waar hij behoefte aan had was macht: met Paulus deed opnieuw de priester een greep naar de macht. Hij kon alleen die begrippen, leerstellingen en symbolen gebruiken waarmee men massa's tiranniseert en kudden vormt. Wat was het enige dat Mohammed later aan het christendom ontleende? Paulus' uitvinding, zijn middel tot priesterlijke tirannie, tot kuddevorming: het geloof in de onsterfelijkheid, dwz de leer van het 'oordeel'. (De Antichrist §42)

In een formule: de god geschapen door Paulus is de negatie van een god.
Een religie als het christendom, die geen enkel raakpunt heeft met de werkelijkheid, die ogenblikkelijk instort zodra de werkelijkheid ook maar op een enkel punt tot haar recht komt, moet redelijkerwijs wel de doodsvijandin zijn van 'de wijsheid van de wereld', dwz van de wetenschap. Zij zal alle middelen goedkeuren waarmee de geestelijke tucht, de zuiverheid en strengheid in geestelijke gewetenszaken, de voorname koelte en vrijheid van de geest vergiftigd, belasterd en in diskrediet gebracht kunnen worden. Het 'geloof' als imperatief is het veto tegen de wetenschap, in de praktijk de leugen tot elke prijs. Paulus begreep dat de leugen, dat het 'geloof' nodig was. Die 'God' die Paulus bedacht, een God die de 'wijsheid van de wereld' 'beschaamt', is in werkelijkheid niets anders dan het resolute besluit van Paulus zelf om zijn eigen wil 'God' te noemen. Paulus wil de 'wijsheid van de wereld' beschamen: zijn vijanden zijn de goede filologen en artsen uit de Alexandrijnse school - hen beoorloogt hij. En inderdaad, men is geen filoloog of arts zonder tegelijk ook antichrist te zijn. Als filoloog kijkt men namelijk achter de 'heilige boeken', als arts achter de fysiologische verkommering van de typische christen. De arts zegt erover: ongeneeslijk, de filoloog spreekt erover uit: zwendel. (§47)

Geheimzinnigdoenerij, sinistere begrippen als hel, als het offeren van een onschuldige, als de mystieke vereniging van de menselijke ziel met de godheid via het drinken van bloed, maar bovenal de opgehitste wraakzucht, de wraakzucht van de paria's - dat is over Rome de baas geworden, hetzelfde soort religie met de vroegste vormen waarvan Epicurus al de strijd aanbond. Men leze Lucretius erop na om te begrijpen wat Epicurus bestreden heeft, niet het heidendom, maar het 'christendom', dwz het bederven van de zielen door de begrippen 'schuld', 'straf', en 'onsterfelijkheid'. Hij bestreed de ondergrondse culten, heel het latente christendom, -de onsterfelijkheid te ontkennen was toen al een echte verlossing. -En Epicurus zou gewonnen hebben, elk achtenswaardig denkend mens in het Romeinse rijk was immers epicurist, indien Paulus niet op het toneel was verschenen...Paulus, de vleesgeworden, de tot genialiteit uitgegroeide haat van de paria's tegen Rome, tegen 'de wereld'. Als geen ander voelde hij aan dat men met behulp van deze kleine, sektarische beweging van christenen los van het jodendom een 'wereldbrand' kon aansteken, dat men met behulp van het symbool 'God aan het kruis' al wat zich aan de onderkant ophoudt, al wat heimelijk oproerige gevoelens koestert, heel die erfenis aan anarchistische woelingen in het rijk bijeen kon trommelen tot een macht zonder weerga. 'Want het heil komt uit de joden.' -Het christendom als formule om alle mogelijke ondergrondse culten, bijvoorbeeld die van Osiris, van de grote moeder, van Mithras, te overtroeven -en samen te voegen: dit inzicht maakt de genialiteit van Paulus uit. Zo feilloos was zijn instinct dat hij de ideeën waarmee die pariareligies hun fascinerende werking uitoefenden, met een nietsontziende gewelddadigheid jegens de waarheid zijn zelfverzonnen 'heiland' in de mond legde, en niet alleen in de mond -dat hij van hem iets maakte wat ook een priester van Mithras kon begrijpen. Dit was het licht dat hem in Damascus opging: hij begreep dat hij het geloof in de onsterfelijkheid nodig had om de 'wereld' van haar waarde te kunnen beroven, dat het begrip 'hel' zelfs over Rome de baas werd. -dat men met het 'hiernamaals' het leven doodt...'Nihilist' en 'Christ': dat rijmt op elkaar. (§58)

Al het werk van de antieke wereld voor niets geweest: ik vind geen woorden om mijn gevoel over zoiets ontzettends uit te drukken. (§59)


In dit hoofdstuk laat Nietzsche Paulus aantreden alsof hij hem na bijna 2000 jaar weer eens tegenkomt. De karaktertrekken waar Paulus 2000 jaar geleden al aan leed hebben hem altoos gefolterd en zijn nu in extreme vorm te bezien. Dat Nietzsche hier op Paulus doelt kan men uit talloze details opmerken. Het begint al met een opmerking dat hij 'als een dolleman staat te gebaren'. Op precies dezelfde manier wordt Paulus (dan nog Saulus genoemd) aan de bijbellezer geïntroduceerd in Handelingen 8 en 9: "Saulus verwoestte de gemeente; hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mee, en leverde ze over in de gevangenis". "En Saulus, nog dreiging en moord blazende tegen de discipelen van de Heer...". En ook met een opmerking over 'de glazige blik' van de man. Men heeft er altijd over gespeculeerd of Paulus aan een oogkwaal leed, gebaseerd op een uitspraak in Gal. 4:14 (zie deze site). De man ligt op de grond en is onmogelijk op zijn benen te zetten. De hint is dat het om een 'fundamentalistische gelovige' gaat die men onmogelijk tot rede kan brengen. De man heeft er geeneens erg in dat er iemand naast hem staat; hij gebaart pathetisch, kijkt verdwaasd in het rond, en heeft geen enkel contact meer met de omgeving. Hint: hij leeft opgesloten in een waanwereld van metafysica, zoals Paulus ooit letterlijk overkwam op zijn reis naar Damascus. Vervolgens begint de man aan een lange jammerklacht, alsof de spreker in heilige vervoering is, een ander detail waarin we telkens op de verhalen van en over Paulus gewezen worden:


Opgejaagd door jou, gedachte!
Onuitsprekelijke! Verhulde! Ontzettende!
O jager achter de wolken!


Hier doelt Paulus op zijn idée fixe, namelijk God.


Teneergebliksemd door jou,
O honend oog, dat mij aanstaart vanuit het donker:
-zo lig ik,


Hier doelt Nietzsche op het verhaal van Paulus' bekering, te vinden in Handelingen 9:1-5


Buig en kronkel, gekweld
Door alle eeuwige martelingen,
Getroffen
Door jou, zeer wrede jager,


Hier doelt Nietzsche op het teneergedrukt worden door het gevoel van zonde en tekortkomen, waar Paulus zo aan leed: "Mijn natuur is uitgeleverd aan de zonde. Wat ik doe, doorzie ik niet, want ik doe niet wat ik wil, ik doe juist wat ik haat. Maar wanneer mijn daden in strijd zijn met mijn wil, dan erken ik dat de [goddelijke] wet goed is. Dan ben ik het niet die handelt, maar de zonde die in mij heerst. Immers, ik besef dat in mij, in mijn eigen natuur, het goede niet aanwezig is. Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet...Ik ontdek in mij de wetmatigheid dat het kwade zich aan mij opdringt, ook al wil ik het goede doen...Wie zal mij, ongelukkig mens, redden uit dit bestaan dat beheest wordt door de dood?" (Rom. 7)


O onbekende -god!


Deze frase komt uit de toespraak die Paulus hield staande voor de Areopagus in Athene met als luisteraars de Epicureïsche en Stoïcijnse wijsgeren; Handelingen 17: 23.


Tref dieper!
Tref één keer nog!
Doorsteek en breek dit hart!
Wat moet al dit martelen
Met afgestopte pijlen...
Waartoe mij martelen,
O van leedvermaak vervulde onbekende god?
...
Vergeefs! Blijf steken,
Wreedaardigste doorn! Neen.
Geen hond -slechts jouw wild ben ik!
Zeer wrede jager!


Hier speelt Nietzsche met het verhaal over de duistere 'doorn in het vlees' waar Paulus over klaagt in 2 Kor. 12: 7-9. Paulus zegt daar dat hij tot drie maal God vroeg of hij ervan verlost mocht worden, maar tevergeefs.


O rover achter wolken!
Spreek toch eindelijk!
Wat wil je, struikrover, van mij?
O door bliksem verhulde! Onbekende! Spreek,
Wat wil je, onbekende god?


Ten tweede male verwijst Nietzsche hier naar de bekeringsgeschiedenis van Paulus. Hij interpreteert Paulus' geloof als voortkomend uit een beklemmende vorm van het farizeïsche joodse geloof, waarin de angst voor een alleswetende en allesziende en niet te vergeten jaloerse God een bijzonder grote rol speelde:


Je knelt mij, drukt mij,
...
Je hoort mij ademen,
Beluistert mijn hart,
O Jaloerse-
Waarop toch jaloers?
...
Wil je klimmen,
Klimmen
In mijn hart, tot mijn geheimste
Gedachten doordringen?
...
Of moet ik, gelijk een hond,
me voor jou in het stof wenten?
in overgave, in razende geestdrift
jou - liefde toekwispelen?


Vervolgens jammert de Tovenaar dat hij zo hunkert naar liefde dat hij de godheid wil dwingen zichzelf aan hem over te geven: Nietzsches kijk op de theologie van een mens die lijdt aan zichzelf. Het lijden van de mens uit zich in de verbeelding dat God met het volste recht wreed is, en men doet er alles aan Hem maar te vermurwen toch maar een blijk van liefde te schenken ter verademing:


Geef me liefde -wie warmt mij nog?
Wie mint mij nog? -geef hete handen,
Verwarm mijn hart,
Geef mij, de eenzaamste,
die omgeven door zevenvoudig ijs,
naar vijanden leert smachten,
Geef, ja geef over,
Zeer wrede vijand,
Aan mij -jou zelf!


Maar dan klaagt de Tovenaar dat deze godheid die hij dacht te ontwaren en hem als laatste strohalm nog enig soelaas gaf, hem -de eenzame- nu ook verlaten heeft:


Gevlucht!
Daar vluchtte hij zelf,
mijn laatste, enige metgezel,
Mijn verheven vijand,
Mijn onbekende,
Mijn beul en God.


Nietzsche beschrijft hier meesterlijk het afsterven van het christelijk geloof. Alle eeuwen door heeft men een haat-liefde relatie gehad tot God. Er waren altijd twee tegengestelde kanten aan God, hij was 'de verheven vijand': de almachtige vertoornde, straffende, ontzagwekkende en verschrikkelijke God voor wie men eens zou moeten verschijnen, en de liefdevolle, genadevolle God, die zou belonen. Maar beide kanten verloren hun kracht en geloofwaardigheid, alsof God zelf steeds verder van ons vandaan kwam te staan.
Maar nauwelijks heeft hij dit uitgesproken of de gelovige die op het punt van afvallen stond krabbelt weer overeind, en blaast weer nieuw leven in zijn waan. Hij kan niet anders dan als religieus mens leven. De orthodox religieuze mens van vandaag de dag heeft geen alternatief dan zich krampachtig op de godsdienst te richten, hetgeen uitmondt in de vorm van een bepaald masochisme:


Neen! Kom terug!
Met al je martelingen!
O kom terug
Naar de laatste van alle eenzamen!
Al mijn traanrijke beken zoeken
Naar jou hun weg!
En mijn laatste hartsvlam
Gloeit op voor jou!
O kom terug,
Mijn onbekende god! Mijn smart! Mijn opperste -geluk!


2

Op dit moment kan Zarathoestra het gejammer niet meer aanhoren. Hij slaat met zijn stok op de Tovenaar en roept 'Houd op, o komediant!' Zarathoestra noemt de Tovenaar een aartsleugenaar, een bedrieger. Maar de Tovenaar verdedigt zich: hij geeft toe dat zijn jammerklachten niet echt waren, maar je ze als kunst moet beschouwen. Bovendien sprak hij zo om te zien of Zarathoestra hem zou doorzien. Hij moet nu concluderen dat Zarathoestra niet zo'n waardering heeft voor kunst, maar zijn waarheidsgetrouwheid hem belet ervan te genieten en hem hard maakt. Maar hem waarheidsgetrouw te noemen ziet Zarathoestra als vleien en een onderdeel van het door en door valse in de Tovenaar. Zo iemand als deze Tovenaar mag helemaal het woord 'waarheid' niet in de mond nemen. Zijn optreden is een zee van zelfstreling. Zarathoestra noemt hem "pauw der pauwen", een frase die hij voor de dichters gebruikte in II.17.
Zarathoestra vraagt hem wat hij wilde uitbeelden. Het antwoord is dat de Tovenaar de dichter als 'boeteling des geestes' wilde uitbeelden, iets waar Zarathoestra in II.17 toe opriep. Oftewel een dichter die zichzelf kastijdt vanwege zijn kwade geweten telkens maar waan te hebben verkondigd. Merk op hoe deze Tovenaar, net als de andere personages die Zarathoestra ontmoet, wel geluisterd heeft naar de boodschap van Zarathoestra, maar de werkelijke boodschap van Zarathoestra in II.17 niet begrepen heeft. Zijn personage maakte van de leer van Zarathoestra eenvoudig een nog extremere en labielere vorm van het dichter-zijn, het verward van de emotionele waan door het leven gaan, waar hij al in verstrikt was.
Om zijn gezicht te redden stelt de Tovenaar opeens vast dat het lang duurde voordat Zarathoestra het doorhad dat het maar een voorstelling was. "Jij geloofde aan mijn nood!" En de Tovenaar is maar wat ingenomen met zichzelf dat hij Zarathoestra zo lang om de tuin kon leiden. Zarathoestra antwoordt dat zijn filosofie hem gebiedt nooit op zijn hoede te zijn voor bedriegers (zoals hij al in II.21 verkondigde), zodat het een koud kunstje is. Maar hij voegt er aan toe dat hij niet gelooft dat het maar een truc was. Hij kent de Tovenaar wel zo goed dat hij weet dat de Tovenaar geen andere keus heeft dan mensen altijd maar om de tuin te leiden, het zit in zijn bloed, hij kán niet anders, het is zijn natuur. Zelfs wanneer de Tovenaar zogenaamd de waarheid spreekt geeft hij nog een voorstelling en is het dus niet echt. "Zelfs je kwalen zou je nog verfraaien wanneer je naakt voor de arts zou staan." Nietzsche dringt hier door tot de kern van de moderne gelovige mens: iemand die nooit tot op het bot intellectueel eerlijk kan zijn in het leven. Vanwege zijn/haar lijden aan het leven moet de gelovige de werkelijkheid verdraaien.

Zarathoestra analyseert de Tovenaar nu grondig: hij heeft fabeltjes waar iedereen inluist, maar zichzelf om de tuin leiden lukt niet meer. Eindelijk heeft hij een echte waarheid opgedaan: walging aan zichzelf. De Tovenaar reageert hierop eerst verontwaardigd:


'Wie ben jij toch!' riep hier de oude Tovenaar op uitdagende toon, 'wie mag aldus spreken tot mij, de grootste mens die heden leeft?'


De godsdienst van Paulus heeft eeuwenlang de boventoon gevoerd, is in die tijd aan miljoenen en miljoenen mensen opgedrongen en heeft al die tijd geen tegenspraak geduld. Zelfs in Nietzsches tijd heerste de christelijke godsdienst nog overal in Europa als alleenheerser.
Maar -zijn labiele gemoedstoestand aantonend- meteen hierop geeft de Tovenaar toe:


Een groot mens wilde ik voorstellen en heb velen weten te overreden: maar deze leugen ging mijn krachten te boven. Hierop breek ik. O Zarathoestra, alles aan mij is een leugen; maar dat ik breek -dit is echt.


Hierop is Zarathoestra begripsvol: "Het spreekt jou tot eer dat je zocht naar grootheid, maar het verraadt jou ook. Je bent niet groot."


Nietzsche vervolgt door Paulus dit te laten zeggen: "Ik zoek een echt, waar, eenvoudig, ondubbelzinnig mens, een mens van de grootste oprechtheid, een vat van wijsheid, een heilige van inzicht, een groot mens! Ik zoek Zarathoestra!" Het moet Nietzsche ontzaglijk veel genoegen hebben geschonken op deze manier ahw persoonlijk af te rekenen met de gestalten in de bijbel, de drakenmacht van de bijbel. Grootsheid is een kernbegrip in het denken van Nietzsche. Hij zet de bijbelse personages -hier Paulus als symbool van wat men houdt voor de allergrootste grootheid- neer voor de zielige figuren die ze zijn en laat ze zoeken naar het betere, het hogere, dwz zijn Zarathoestra. Dit zal ongetwijfeld één van de redenen zijn geweest alles op zo'n bedekt mogelijke manier te schrijven, want als iedereen het zou opmerken zou men hem van alle kanten erop aanvallen en beschuldigen van grenzeloze arrogantie en eigendunk. Op deze manier echter, geschreven in halfduister geheimtaal, kon hij er met volle teugen van genieten. Ook dit laatste schrijft hij omfloerst, eufemistisch: "En hier viel een langdurige stilte tussen beiden; Zarathoestra verzonk diep in zichzelf." Meteen daarop laat hij -alsof hij boete wil doen voor zijn onuitgesproken gedachten die we net geraden hebben- dat hij nog nooit een groot mens gezien heeft. Een groot mens bestaat eenvoudig nog niet (zie III.13). Er zijn slechts opgerekte en opgeblazen mensen (iets dat iedere 'hogere mens' belichaamt; iedere 'hogere mens' is een illustratie van "al te klein de grootste!", "mijn weerzin tegen de mens!", 'walging! walging! walging!' van III.13). Om deze uitspraak niet zichzelf het gras voor de voeten weg te laten maaien laat Nietzsche erop volgen: "Wie kan nog met goed gevolg zoeken naar grootheid! Alleen een nar: de narren gelukt het!" Een stille verwijzing naar hemzelf, zoals hij in dit deel te werk gaat.



De Tovenaar staat ook voor Richard Wagner, de onbetwiste koning van alle kunstenaars uit Nietzsches tijd. De opmerking dat de Tovenaar als een dolleman staat te gebaren doet al meteen aan een dirigent denken. Elders in zijn schrijven gebruikt Nietzsche voor Wagner ook letterlijk de uitdrukking 'deze oude tovenaar' (Het Geval Wagner §3), of 'een verdwaalde tovenaar, een groot acteur' (in een brief aan Malwida von Meysenbug uit hetzelfde jaar, 1885). Zoals men weet had Nietzsche in zijn jonge jaren een idolate verering voor hem, maar zag hij later in dat hij bedrogen was. Hij was van mening dat Wagner uiteindelijk slechts zichzelf vereerde, en zijn grootse idealen verzaakte, en op zijn oude dag zelfs weer in een erbarmelijke vorm van religie verviel; hij noemde Wagners muziek 'de kunst van het liegen'. Kortom, hij was van mening dat Wagner dus toneelspeelde en het hem aan werkelijk karakter en verheven zienswijzen ontbrak. Alweer zien we ons Nietzsche voor ons, de persoon die zich van knielende aanbidder -iemand die zelfs eens het zijden ondergoed voor de Grote Meester moest kopen- heeft opgewerkt tot een persoon die nu vanuit de hoogte neerkijkt op deze halfgod en hem in zijn hemd zet. Men kan zien hoe hij zich verkneukelt wanneer de grote Wagner eerst verontwaardigd is dat iemand zijn grootsheid in twijfel durft te stellen, maar dan moet toegeven dat hij inderdaad niet groot is, dat alles in hem slechts leugen is en dat hij innerlijk op breken staat. Met de werkelijkheid heeft dit overigens niets te maken. Volgens het dagboek van Cosima Wagner maakte Wagner zelfs nog enkele dagen voor zijn dood de venijnige opmerkingen dat Nietzsche helemaal geen eigen ideeën heeft en ook geen eigen bloed. In plaats daarvan was er volgens hem "allemaal buitenlands bloed in hem gestopt", waarmee hij duidelijk iets heel rascistisch bedoelde en de kloof tussen hem en Nietzsche niet beter uit de doeken had kunnen doen.
In het vervolg van dit deel zien we Zarathoestra de Tovenaar openlijk mijden. Een hint dat het tussen hen nooit meer goed kan komen. Zarathoestra beschouwt de Tovenaar als volkomen onbetrouwbaar en ongeneeslijk. Ongeneeslijk verslaafd aan het fabriceren van drama's en waan, en ongeneeslijk verslaafd aan eigen superioriteitsgevoel.


De Tovenaar heeft ook duidelijk iets weg van 'De Hansworst' uit de Voorrede, die de ongelukkige moedige koorddanser naar beneden liet vallen, en ik eerder identificeerde met een geestelijke. Dat Nietzsche met de Hansworst ook Wagner op het oog heeft wordt duidelijk wanneer men in Wagners autobiografie 'Mijn Leven' (waarmee Nietzsche ongetwijfeld bekend zal zijn geweest), aangaande zijn jeugd deze woorden tegenkomt: "We woonden vlak bij een markt, waar ik regelmatig op vreemde spektakels getrakteerd werd, zoals bijvoorbeeld de uitvoering van een groep acrobaten die op een koord liepen dat gespannen was tussen twee torens aan weerzijden van de markt. Het was een stunt die me blijvend aanzette om ook iets dergelijks uit te voeren. Ik werd overigens aardig behendig in het koordlopen met behulp van een stok om in evenwicht te blijven."