Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.6    In Ruste

De avonturen van Zarathoestra worden vervolgd met een fantastisch hoofdstuk over de ontmoeting van Zarathoestra met de Laatste Paus. De Paus denkt, zoals men weet, van oudsher 'bij de gratie Gods' een functie te hebben als 'plaatsvervanger van Christus op aarde', een functie die terug zou gaan op een belofte aan Petrus. Nietzsche laat Petrus, deze 'eerste christen' nu terugkomen in de moderne tijd als de Laatste Paus. Het hoeft geen betoog dat Nietzsche hier ook meteen alle moderne geestelijken aanspreekt. Nietzsche schetst een uiterst droevig beeld van de laatste van hun soort. Het hoofdstuk begint door de Laatste Paus meteen met de Tovenaar uit het vorige hoofdstuk te verbinden: ze roepen allebei weerzin op.


Wat! Nauwelijks ben ik aan die Tovenaar ontsnapt of weer een andere bedrijver van zwarte kunst moet mijn pad kruisen - één of andere heksenmeester die doet aan handopleggen, een duistere wonderdoener bij de gratie Gods, een gezalfde wereldlasteraar: de duivel moge hem halen!


De uitdrukking 'Dei gratia' werd voor het eerst gebruikt door de bisschoppen die aan het concilie van Efeze in 431 deelnamen. Zarathoestra heeft zo'n afkeer van geestelijke leiders dat hij het liefst met een boog om deze man heen gaat om er maar niet mee in gesprek te hoeven gaan (zie II.4). Merk op dat de geestelijke in deze moderne tijd het beeld is van de heks en tovenaar, titels waarmee de geestelijken in vroegere tijden de grootste vijanden van de kerk brandmerkten. De rollen zijn nu geheel omgekeerd: in moderne tijden zijn het slechts de gelovigen die de rede aan hun laars lappen, nog aan het grofste bijgeloof doen, en behoefte hebben aan magische rituelen en handelingen zoals zalving en handoplegging. Nietzsches formulering 'zwarte kunst' heeft, zoals we al vanaf de Voorrede geleerd hebben, natuurlijk ook de betekenis van het aardse leven vijandig, en scheppers van de metafysische waan.
De moderne geestelijke leider is niet meer wat hij in zijn glorietijd ooit geweest is. Hij wordt hier beschreven als een 'man in het zwart met een bleek en uitgemergeld gezicht'. En zelfs deze droefheid probeert deze geestelijke nog te vermommen. Dit laatste is voor Zarathoestra het kenmerk waaraan hij meteen een geestelijke zegt te herkennen.


Maar het lukt Zarathoestra niet deze persoon te ontlopen, aangezien deze hem opmerkte en aanspreekt. Merk op dat de Laatste Paus bij het pad op de grond zit, waarmee Nietzsche aan wil geven dat het geloof volkomen uitgeblust en zonder kracht is. De Laatste Paus stelt zich voor als iemand die verdwaald is, een oude zoeker. Hij was op zoek naar de laatste vrome mens, een heilige en kluizenaar, die, omdat hij volkomen alleen in zijn bos leefde, nog niets vernomen had van wat de hele wereld al weet, namelijk dat god dood is. De oude Paus heeft deze God tot de laatste snik gediend, maar ja, wanneer er geen gelovigen meer zijn, dan is hij werkloos, vandaar dat hij die vrome laatste heilige wilde opzoeken, 'om eindelijk weer feest te kunnen vieren'. Inmiddels is hij erachter gekomen dat deze oude heilige in het bos nu ook overleden is. Aangezien deze laatste hoop voor hem nu ook is vervlogen besloot hij dan maar Zarathoestra op te zoeken, "de vroomste van degenen die niet aan God geloven". Nietzsche zet hier wellicht de subliemste analyse van zichzelf neer die hij ooit had kunnen geven. Hij heeft metafysica volledig uit zijn leven geband, maar de typisch religieuze pathos, het zoeken naar en oproepen tot het hoogste, en zelfs de mystieke extase, behouden. Nietzsche zou men een brug kunnen noemen tussen religiositeit en atheïsme. Even later, wanneer Zarathoestra zijn diepste gevoelens over de trouwe christen en de christelijke godsdienst heeft uitgesproken, laat hij de Laatste Paus deze woorden over hem uitspreken om dit te onderstrepen: "O, Zarathoestra, je bent vromer dan je denkt, met zulk ongeloof! Een of andere god heeft je tot jouw goddeloosheid bekeerd." Deze woorden hebben mij, ex-gelovige, meer dan welke andere woorden dan ook in dit boek, tot op het diepst geraakt. Hierin voel ik me innig geestverwant aan Nietzsche.


De verbinding met de vrome heilige kluizenaar in het bos heeft nog een andere betekenis: de kluizenaar die wortels at was het Zarathoestra-equivalent van Johannes de Doper, de persoon die de Messias in het Nieuwe Testament aankondigde. Nietzsche laat nu de Laatste Paus optreden in de rol van de verkondiger van de nieuwe Messias, namelijk Zarathoestra: "Toen besloot ik in mijn hart dat ik een ander moest zoeken, de vroomste van allen die niet in god geloven-, dat ik Zarathoestra moest zoeken!" Dus met de dood van de oude religie blijft Zarathoestra over als 'het vroomste' wat er op aarde te vinden is.


Zarathoestra's houding verandert op slag. Hij ziet nu te doen te hebben met iemand die op de breuk tussen twee werelden staat, innig verbonden is met het oude, maar het tegen wil en dank nu wel móet opgeven. De Laatste Paus voelt zich zonder zijn oude geloof als een weerloze prooi in een vijandige wereld. Op slag is Zarathoestra niet vijandig meer, maar precies het tegenovergestelde:


Zarathoestra echter greep de hand van de oude paus en bezag die lange tijd vol bewondering.
'Ziehier, o eerwaarde', zei hij toen, 'wat een fraaie en lange hand! Dit is de hand van iemand die altijd de zegen heeft uitgedeeld. Maar nu wordt ze vastgehouden door hem die je zoekt, door mij, Zarathoestra. Ik ben het, de goddeloze Zarathoestra, die spreekt: wie is goddelozer dan ik, dat ik me in zijn onderricht verheugen kan?'


Merk op hoe Nietzsche zorgvuldig de vorige uitspraak dat hij de vroomste is laat vervolgen door een uitspraak dat hij de goddelooste is, dus absoluut het bestaan van God ontkent. De uitdrukking die hij gebruikt 'wie is er goddelozer dan ik, dat ik me in zijn onderricht verheugen kan' zijn we al eerder tegen gekomen. Het is blijkbaar het motto van Zarathoestra dat hij vaak in de mond neemt om de antithese tot het godsdienstige denken voor iedereen zo duidelijk mogelijk te maken.
Er ontstaat vervolgens een zeer diepzinnig gesprek tussen Zarathoestra en de Laatste trouwe dienaar van God, waarin Nietzsche laat zien hoe hij tot op de bodem van de religieuze ziel kan kijken. De Laatste Paus begint met op te merken dat de dood van God voor de mensen die hem het meest liefhadden een onpeilbaar groot verlies is: "Wie hem het meest liefhad en bezat, die heeft hem nu ook het meest verloren", en hij voegt eraan toe dat dit verlies ook een ontzaglijk schuldgevoel veroorzaakt: "Zie, ben ik zelf thans niet de meest goddeloze van ons beiden?" Deze pijn begrijpt Nietzsche maar al te goed. Hij laat Zarathoestra hierop peinzend, dwz vol begrip en met een gevoel hem te willen troosten, zeggen: "Jij diende hem tot op het laatst". Vervolgens wil Zarathoestra uit de mond van de laatste gelovige horen dat hij gelijk had "dat zijn liefde voor de mens zijn hel en ten slotte zijn dood werd", maar hierop krijgt hij niet meteen antwoord. De Laatste Paus is geheel ondergedompeld in rouw en smart. "Laat hem gaan", zegt Zarathoestra na een lange stilte. "Laat hem lopen", zegt hij nogmaals, "hij is er geweest." Hierna geeft hij de Laatste Paus een compliment dat hij altijd alleen maar goede dingen over deze dode god wist te vertellen (typisch voor alle moderne theologie is dat men de god van de wraak en de straf volkomen heeft uitgewist), maar merkt op dat de dood van god nu eindelijk voor de gelovige de deur opent om geheel eerlijk te worden en te erkennen wat hij altijd al geweten heeft: "wie hij werkelijk was, dat hij wonderlijke wegen bewandelde". Aangezien God dood is durft de Laatste Paus nu eindelijk intellectuele eerlijkheid op te brengen. Er volgen enige van de zwaarwichtigste zinnen die ooit iemand over het christelijk geloof en de christelijke geschiedenis heeft uitgesproken:


Mijn liefde diende hem jaren lang, mijn wil volgde heel zijn wil. En een goede dienaar weet alles, en ook vele dingen die zijn meester zichzelf verheelt. Het was een verborgen god, vol heimelijkheid. Voorwaar, zelfs aan een zoon kwam hij slechts lang sluipwegen. Aan de poort van zijn geloof staat een echtbreuk.
Wie hem als een god van liefde looft, denkt niet hoog genoeg over de liefde zelf. Wilde deze god niet tevens rechter zijn? Doch wie liefheeft, heeft lief aan gene zijde van loon en vergelding.
Toen hij jong was, deze god uit het morgenland, was hij hard en wraakzuchtig en bouwde zich een hel tot vermaak van zijn gunstelingen. Tenslotte werd hij oud en week en murw en meedogend, méér een grootvader dan een vader, maar nog het meest een beverige oude grootmoeder.
Daar zat hij, verschrompeld, in zijn hoekje bij de haard, tobbend over zijn slappe benen, de wereld moe, het willen moe, en stikte op een dag in zijn al te grote mededogen.


Zarathoestra krijgt dus toch het antwoord dat hij zoëven wilde hebben, en hij voegt er, om aan te geven dat de gang van zaken natuurlijk veel ingewikkelder is, aan toe: "Zo kan het best gegaan zijn, zo, en ook anders. Als goden sterven, sterven ze altijd velerlei doden." In de Genealogie van de moraal beschrijft Nietzsche uitvoerig hoe het oosterse godsbegrip oorspronkelijk door de bramanen (de voorname priesterlijke kaste in India) wordt bedacht, in het midden-oosten uitgroeit tot ontzagwekkende koninklijke macht en kracht, in het christendom (de religie voor de slaven en het gewone volk) degenereert tot een karikatuur hiervan, aan de ene kant God als liefdevolle, genadevolle en medelijdende 'vader' en aan de andere kant God als een middel tot wraakoefening op de heersende klasse, en hoe het godsbeeld vervolgens in het latere christendom door en door verweekt tot de ziekelijke krachteloze grootvaderfiguur van hierboven. "De Dood van God" is zelfs nog ingewikkelder: in IV.18 komen we te horen dat de mens het klaarspeelt in een mum van tijd weer een nieuwe god te fabriceren: "dood is bij goden altijd enkel een vooroordeel." Nietzsche is in de gehele wereld bekend als degene die God voor dood verklaarde, maar dit woord gold slechts voor de enkeling die zichzelf wil overwinnen en de moed heeft de waarheid onder ogen te zien. Voor de overgrote meerderheid voorzag Nietzsche dat er altijd wel één of andere god in leven wordt geroepen om ons mensen de diensten te verlenen waar we zo verzot op zijn.


Ik heb alles lief wat stralend kijkt en oprecht spreekt. Maar hij - dat weet je toch, o oude priester, hij had iets van jouw aard, iets van priesterlijke aard - hij was dubbelzinnig.


De personage van de Laatste Paus is inderdaad bijzonder dubbelzinnig. Aan de ene kant doet hij boete voor zijn onverantwoord geloof en geeft hij de buitensporigheid ervan toe, aan de andere kant laat hij zien dat hij er nog steeds naar hunkert, en het meteen weer zou aanhangen indien er maar wat mensen zouden zijn die de boodschap nog zouden kunnen pruimen. Aan de ene kant zoekt hij het hogere, en geeft hij toe dat dit in Zarathoestra te vinden is, maar tezelfdertijd huist er in hem nog een oude arrogantie zelf de hoogste invulling van het leven te zijn, en streeft hij naar macht. Het toppunt van tegenstrijdigheid, kenmerkend voor vele moderne theologen vindt men in zijn uitspraak: "Inzake God ben ik beter ingelicht dan Zarathoestra hemzelf - en mag het ook zijn", een uitspraak die gedaan wordt terwijl men weet dat de God van het openbaringsgeloof niet bestaat! Nietzsche schrijft erbij dat de Laatste Paus opgemonterd deze uitspraak doet, dwz in plaats van nog somberder te worden vanwege het inzicht alle krachten en het gehele leven te hebben verspild aan waan, beurt hij zich op met de volgende waan dat het een verdienste is een expert te zijn op het gebied van iets wat niet bestaat en zelfmisleiding, of ook: laat hij zien dat het voor hem van meer belang is een goede reputatie te hebben of hoge dunk van zichzelf dan over inzicht in de waarheid te beschikken, iets wat we ook bij de Twee Koningen tegenkwamen. Deze personages zijn ingenomen met zichzelf, zien grootsheid in zichzelf, terwijl de ware wijsheid walging aan de kleinheid van de mens is, zoals Zarathoestra in III.13 ervoer.


Nietzsche laat het theologische gesprek eindigen door Zarathoestra nog wat commentaar te laten geven op het christelijk geloof, een hint dat Nietzsche hier enkele redenen aangeeft die voor hem persoonlijk van beslissende betekenis waren voor het verwerpen van het christelijk geloof:


Hij was ook onhelder. Hoe vertoornd is hij op ons geweest, deze toornige brieser, dat we hem slecht begrepen! Maar waarom sprak hij dan niet in duidelijker taal? En lag het aan onze oren, waarom gaf hij ons dan oren die slecht horen? Zat er klei in onze oren, welaan! wie stopte het er dan in?
Al te veel mislukte hem, deze pottenbakker, die niet volleerd was! Maar dat hij zich op zijn potten en schepselen wrook omdat ze in zijn handen mislukten, - dat was een zonde tegen de goede smaak. ook in vroomheid is goede smaak. Die sprak uiteindelijk: Weg met zulk een god! Liever geen God, liever op eigen houtje het lot bestemmen, liever nar zijn, liever zelf god zijn!"


Dit is het moment waarop de Laatste Paus uitspreekt dat Zarathoestra vroom is, en één of andere god door hem spreekt. Religie heeft namelijk altijd absoluut garant willen staan voor rechtvaardigheid, maar de christelijke theologie is dat niet. Zarathoestra verwijst via de beeldspraak van de pottenbakker, potten en klei naar de predestinatietheologie van Paulus in Romeinen 9, later uitgebreid verwoord door Augustinus en Calvijn, waarmee miljoenen gelovigen met gevoel voor rechtvaardigheid alle eeuwen door het moeilijk gehad hebben.


Nietzsche besluit het hoofdstuk door de bijbelgod morsdood te noemen.