Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.7    De Afstotendste Mens

Weer zet Zarathoestra zijn zoektocht voort, dit maal 'door bergen en bossen', om de grote lijder in nood te vinden. Onderwijl denkt hij aan 'de visvangst' die deze dag hem geschonken heeft. Hij is in zijn sas met de 'zonderlinge gespreksgenoten' die hij heeft gevonden.


Op hun woorden wil ik nu langdurig kauwen als op alle goede korrels graan; klein moet mijn tand ze malen en vermalen, tot ze als melk vloeien in mijn ziel.


Met deze woorden nodigt Nietzsche stiekem de lezer uit om deel 4 opnieuw en opnieuw te lezen om het ten volle te kunnen begrijpen. Het 'kleinmalen' en 'vermalen' van hun woorden zou men ook kunnen interpreteren als een sarcastische opmerking: ten volle begrijpen waarom al deze 'hogere' mensen na (over)weging te licht bevonden worden en hun woorden weinig waard zijn, en de melk die vloeit in de ziel juist dit inzicht dat men boven die woorden uit moet groeien, dwz naar de Bovenmens moet streven.


Op een gegeven moment verandert het landschap in 'een dodenrijk'. Geen enkel teken van leven is meer te bekennen, uitgezonderd een soort van lelijke, dikke, groene slangen die erheen kruipen wanneer hun tijd is gekomen om te sterven. De lering voor het goede verstaan is dat wie zich in dit gedachtenrijk begeeft onherroepelijk geestelijk doodgaat en dus verandert in 'de lelijkste mens'. Wanneer we de slang voor het Zarathoestrasymbool van wijsheid en intelligentie houden, betekent de naam van dit gebied "slangendood" hetzelfde als de menselijke intelligentie de doodsteek geven. Vandaar dat de persoon die Zarathoestra nu ontmoet beschreven wordt als "amper een mens", "iets onuitsprekelijks". Zarathoestra's eerste impuls is hieraan voorbijgaan: het is zijn leer van 'de onbarmhartige Samaritaan' (uiteengezet in II.3), de leer die de heiligste (lees: populairste) gelijkenis van Jezus durft te bekritiseren met de opmerking dat een mens eerder dan zich meteen op de ander te werpen met de gedachte 'medelijden' te moeten aanbieden, zich dient te schamen het ongeluk en het ongelukkige menszijn van de ander te moeten aanzien, omdat met medelijden het laatste wat zo'n mens nog heeft, zijn eigenwaarde, dan ook nog ten schande wordt gesteld. In dit hoofdstuk laat Nietzsche overigens weten dat deze leer tegen het medelijden niet voor iedereen bestemd is, maar voor hemzelf en voor mensen van zijn aard, dwz voor mensen die beschikken over een uitzonderlijk grote innerlijke aristocratie. Om een laatste eerbied voor deze afstotelijke verschijning te tonen wil hij rechtsomkeerd maken.
Maar alweer lukt het niet. De persoon heeft Zarathoestra opgemerkt, herkent hem, en roept hem in raadseltaal toe:


Zarathoestra, Zarathoestra! Raad mijn raadsel! Spreek, spreek! Wat is de wraak op de getuige?
Ik lok jou terug, hier is glad ijs! Pas op, pas op, dat jouw trots hier niet de benen breekt!
Je houdt jezelf voor wijs, o trotse Zarathoestra! Welnu, raad dan het raadsel, o harde notenkraker, -het raadsel dat ik ben! Zo spreek toch: wie ben ik!


Een raadsel heeft alleen zin indien men er een bepaald touw aan vast kan knopen, al is het nog zo moeilijk te vinden. Maar de oplossing van het raadsel is niet zo moeilijk voor iemand die weet telkens bijbelse personages te moeten vinden. De Getuige is Jezus Christus zoals die in het Johannesevangelie beschreven wordt: "Pilatus zei: 'U bent dus koning?' Jezus zei: 'U zegt dat ik koning ben. Ik ben geboren en naar de wereld gekomen om van de waarheid te getuigen, en ieder die de waarheid is toegedaan, luistert naar wat ik zeg. Hierop zei Pilatus: 'Maar wat is waarheid?'" (Joh. 18:37, 38). Hierna gaat Pilatus naar buiten, zegt tegen het volk dat Jezus onschuldig is, maar geeft even later toe aan de bloeddorst van de meute en veroordeelt Jezus ter dood.
De eerste reactie van Zarathoestra op de rochelende stem die de woorden van het raadsel uitspreekt is er n van medelijden. Het laat zien dat deze reactie de meest natuurlijke is, en een mens zichzelf moet overwinnen om op andere en hogere gedachten te moeten komen. Maar het duurt niet lang voordat Zarathoestra het raadsel in gedachten al heeft opgelost. Opeens begrijpend dat hij met Pilatus te maken heeft krijgt zijn gelaat een grimmige uitdrukking:


'Ik herken je wel', sprak hij op schelle toon. 'Jij bent Gods moordenaar! Laat me gaan!


Gods moordenaar = De persoon die de moord op God op zijn geweten heeft. Dit laatste in de betekenis van 'de moordenaar van Jezus', maar ook in de betekenis van 'de moordenaar van de waarheid'. De lelijkste mens is de mens voor wie er geen waarheid meer bestaat en alles om het even is (die uitspreekt: 'Wat is waarheid?' in de zin van 'Er bestaat helemaal geen waarheid'). Nietzsche schreef eens: "Hij die niet langer in God vindt wat groots genoemd kan worden zal het nergens meer vinden hij zal het grootse f moeten ontkennen f het zelf moeten scheppen." Pilatus was geen schepper van grootse dingen, maar precies het omgekeerde: hij was in staat het onschuldige ter dood te veroordelen en een schuldige vrij te laten, zo iemand vervalt dan tot afstotelijkste mens. Zarathoestra voegt er als uitleg nog aan toe: "Hij die jou zag (=namelijk Jezus), kon jij niet verdragen, -hij die jou steeds geheel en al doorzag, o afstotelijkste mens! Jij nam wraak op deze getuige!" We worden weer herinnerd aan het hoofdstuk I.6, waarin Nietzsche over de rechter schrijft: "En jij, rode rechter, indien je hardop zou zeggen wat je in gedachten al niet gedaan hebt zou iedereen schreeuwen: 'Weg met die smeerlap en giftige worm!' Van Jezus wordt in de evangelin vaak opgemerkt dat hij de geheime gedachten van anderen kende: Lukas 5: "Jezus, die hun gedachten kende, nam het woord en zei hun:..." Lukas 6:8: "Doch Hij kende hun gedachten, en zei...". Matth. 12:25: "Maar Hij kende hun gedachten en zei tot hen...".


Voordat Zarathoestra rechtsomkeerd maakt, krijgt hij echter een toespraak van de lelijkste mens te horen, woorden die het denken van alle eeuwen op zijn kop zetten en de zaak voor het eerst eens door de ogen van Pilatus bekijken!
De lelijkste mens verdedigt zich door te stellen dat hij van nature juist zo'n trots persoon is (dus iemand van Zarathoestra's aard) die beledigd wordt wanneer men hem aalmoezen en mededogen zou toewerpen. "Of het nu mededogen van een god is, of van mensen, mededogen is strijdig met schaamte. En niet willen helpen kan voornamer zijn dan de deugd die te hulp schiet." De lelijkste mens geeft toe dat het niet goed is het pad dat hij verkoos te volgen, dwz alles te relativeren totdat je geen enkele waarheid meer in je hand hebt. "Dat pad is slecht". Maar hij wil er toch wel op wijzen dat degene die nu al zoveel eeuwen voor waarheid wordt uitgeroepen de waarheid k vertrapte door het extreme tegendeel van Pilatus te zijn: "Deze onbescheiden man verkondigde geen geringe dwaalleer, toen hij leerde: 'Ik - ben de waarheid'". Dat de leer van Jezus in het geheel geen schaamte kende komt ook hierin tot uiting dat hij een God de wereld in bracht die in alle slaapkamers en verborgen gedachten kijkt. Zoiets levert een godsdienst van bijzonder slechte smaak op. "De god die alles zag, ook de mens: deze god moest sterven! De mens kan het niet verdragen dat zulk een getuige blijft leven." Dwz zulk een God neemt elke waardigheid van de mens af, maakt de mens door-en-door ziek, ontneemt hem al zijn eigenwaarde. In De Antichrist schrijft Nietzsche:


Het christendom heeft de ziekte nodig - ziek maken is eigenlijk de verborgen bedoeling van het hele kerkelijke systeem van heilsprocedures. De innerlijke wereld van de religieuze mens lijkt als twee druppels water op de 'innerlijke wereld' van zenuwzieken en afgematte mensen; de 'allerverhevenste' toestanden zijn vormen van epilepsie - de kerk heeft uitsluitend gekken oftewel grote oplichters heilig verklaard...Het staat niemand vrij christen te worden: men wordt niet zomaar tot het christendom 'bekeerd',- men moet er eerst ziek genoeg voor zijn." (51)


Aan het eind van deze toespraak geeft Nietzsche toch een hint dat men deze rappe prater niet geheel moet vertrouwen. Hij laat er op volgen: "Zarathoestra evenwel stond op en maakte aanstalten om weg te gaan: want hij was tot op het bot verkleumd." De uitdrukking tot op het bot verkleumd laat op niet mis te verstane wijze zien dat het positieve wat in de natuur van deze man naar voren kwam en overeenkomt met wat Zarathoestra graag wil zien (gevoel voor eigenwaarde), het grote gebrek aan karakter (opportunistisch handelen en het begrip 'waarheid' niet meer serieus nemen) in geen geval kan compenseren.
Maar in De Antichrist komt Nietzsche opnieuw met gedachten over Pilatus aan. Hij leeft in die laatste periode voor zijn instorting in zo'n haat tegen het christelijk geloof dat hij Pilatus alles vergeeft, de opmerking 'Wat is waarheid' als broodnodig tegengif op het 'Ik ben de waarheid' ziet, en hem uitroept tot de enige figuur in het Nieuwe Testament waarvoor hij achting heeft:


Moet ik nog zeggen dat er in het hele Nieuwe Testament slechts n enkele figuur voorkomt die onze achting verdient? Pilatus, de Romeinse stadhouder. Een jodenzaakje serieus te nemen - daar laat hij zich niet toe verleiden...De voorname hoon van een Romein, ten overstaan van wie schaamteloos misbruik gemaakt wordt van het woord 'waarheid', heeft het Nieuwe Testament verrijkt met de enige uitspraak die waarde heeft, -die alle kritiek erop, de vernietiging ervan omvat: 'Wat is waarheid!' (46)


Zarathoestra geeft Pilatus de raad van hem te leren, en van zijn dieren, de symbolen voor trots en kennis. Maar wanneer hij weer op pad gaat en zijn tocht voortzet stelt hij zichzelf vragen: hier had hij een mens ontmoet die de uiterste consequentie van trots en afwijzen van medelijden had ondergaan: absolute eenzaamheid. En zijn eenzaamheid was niet geboren uit hunkering iets unieks en hogers te scheppen, maar had zijn diepste wortel in de zelfverachting. Pilatus nam wraak op iemand die hem doorzag, dwz ten diepste schaamde hij zich voor zichzelf. Maar Zarathoestra ziet dit toch als een positief aspect in iemand: alleen via diepe verachting van het eigen menszijn dat iemand aan de dag legt kan men hunkeren naar hoger en beter.


Nog niemand heb ik gevonden die zichzelf dieper verachtte: ook dat is hoogheid. Wee, was hij misschien de hogere mens wiens kreet ik hoorde? Ik heb de grote verachters lief. Maar de mens is iets dat overwonnen moet worden.


Dat de weg tot de Bovenmens onvermijdelijk via zelfverachting gaat wekt bij Zarathoestra een weeklacht op, maar aangezien het noodzakelijk is ook bewondering. Zarathoestra vraagt zich af hoe onmetelijk 's mensen zelfliefde wel niet moet zijn, indien het waar is wat men altijd zegt, dat de mens vol eigenliefde is. Want de hoeveelheid zelfverachting in de mens is juist zo gemakkelijk te vinden. Het is duidelijk dat Nietzsches leringen over de Bovenmens, over trots, nooit voor iemand anders buigen, nooit kruipen, geen medelijden behoeven, wil tot macht enz. allemaal voortkwamen uit zijn maar al te zeer bekend zijn met de tegenovergestelde eigenschappen in zijn eigen karakter: zelfverachting, machteloosheid, verzinken in 'erbarmelijk zelfbehagen', de impuls tot medelijden met de lijdende, de hunkering naar liefde. Al deze laatstgenoemde eigenschappen voelde hij aan als neerwaardse krachten, de Geest der Zwaarte in zijn leven, waar hij tot bloedens toe tegen wilde vechten. Alle personages die 'de hogere mens' uitbeelden zijn aspecten die gemakkelijk in Nietzsches eigen karakter gevonden kunnen worden, die hij zelf ontmaskert en wil overstijgen: de depressieve en verlammende geest van het nihilisme (IV.2), de met zichzelf ingenomen despoot (IV.3), de pietluttige wetenschapper (IV.4), de in zelfbedrog opgaande demagoog (IV.5), de onzekere religieuze mens (IV.6) en nu de mens die tot in het extreme doordraaft (IV.7).