Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.8    De Bedelaar uit Vrije Wil

De Vrijwillige Bedelaar is Nietzsches aanduiding voor Jezus. Een woordenspel naar aanleiding van de beroemde verzen uit de brief van Paulus aan de Filippenzen: "Hij die de gestalte van God had, hield zijn gelijkheid aan God niet vast, maar deed er afstand van. Hij nam de gestalte aan van een slaaf en werd gelijk aan de mens. En als mens verschenen, heeft hij zich vernederd en werd gehoorzaam tot de dood - de dood aan het kruis." (Fil. 2: 7,8). Nietzsche laat er geen twijfel over bestaan wat betreft de identificatie van deze persoon: hij laat de Bedelaar uit Vrije Wil een handvol half-verdraaide citaten uit de evangeliŽn uitspreken, alsof hij in principe nog steeds dezelfde is, maar na 2000 jaar ervaring opgedaan te hebben zijn leer enigszins moet bijstellen.


Het publiek dat hij aanspreekt en dat naar hem luistert is ook nog steeds hetzelfde: de kudde. Met dit begrip bedoelt Nietzsche de mens die niet zijn individuele eigen weg gaat, maar de mens die klein van geest is en grote voorbeelden en leraren ter navolging en om aan te gehoorzamen nodig heeft.


Wat vooral naar voren kwam in de persoon van het vorige hoofdstuk was de bittere kou van de absolute eenzaamheid. In dit hoofdstuk wordt het gecontrasteerd met de warmte die het kudde-zijn biedt: "Toen voelde Zarathoestra zich plotseling weer warmer en blijmoediger...Mij verkwikt iets warms en levends...hun warme adem beroert mijn ziel...hun nabijheid en hun geur hadden zijn hart verwarmd." Tot vier keer toe wordt het kenmerk 'warm' (dwz de gevoelens aansprekend) genoemd, het sterkste aspect waar de kuddegeest en gemeenschapszin aan beantwoordt.


Zarathoestra ontdekt dat in het midden van de kudde een "vredelievend mens en bergprediker" op de grond zit die hen toespreekt. Hier hebben we weer een overduidelijke verwijzing naar Jezus, die als Goede Herder bekend staat en wiens beroemdste preek de Bergrede heet, waarin hij uitspreekt: "Zalig zijn de vredestichters". (Matth. 5-7, 5:9). Zarathoestra hoort hem zeggen dat ze niet bang voor hem hoeven zijn; een verwijzing naar de woorden "Ik ben zachtmoedig en nederig van hart, en gij zult rust vinden voor uw zielen; want mijn juk is zacht en mijn last is licht." (Matth. 11:29, 30). Maar de Bedelaar uit Vrije Wil treedt niet meer op als grote leraar. Na 2000 jaar is hij nog steeds op zoek naar "het geluk op aarde". Hij schaamde zich indertijd voor zijn rijkdom en de rijken en vluchtte naar de armen om hun zijn "volheid" en zijn hart te schenken, "maar zij namen me niet in hun midden op". Het woordje 'volheid' slaat op Johannes 1: 16: "Uit zijn volheid hebben wij allen genade op genade ontvangen.", en dat hij niet in hun midden aangenomen werd staat in Joh. 1:11: "Hij kwam tot het zijne, maar de Zijnen hebben hem niet aangenomen." In het Johannesevangelie slaan deze woorden op de Joden, maar hier in Nietzsches verhaal slaan ze natuurlijk op de christenen: de christelijke kerk is in Nietzsches ogen altijd de verkrachter van de persoon Jezus en zijn leer geweest.
Van lieverlee heeft hij zich nu op de koeien gericht: die zijn de voorbeeldigste soort van wezens die de hemel in zullen gaan: gehoorzaam, vredelievend, mak en traag van geest. Nietzsche vervolgt met zeer groot sarcasme. Jezus kwam tot de geleerde en eigengereide mensen en leerde ze het volgende in Matth. 18:3: "Zo gij u niet bekeert en als kinderen wordt, zult gij het koninkrijk der hemelen niet binnengaan." Aangezien men de boodschap nooit heeft begrepen, heeft hij zich nu nog meer vernederd: hij heeft zich nu tot 'de hogere dieren' gewend en is zelfs geen leraar meer, maar leerling geworden. Zo moet hij de zaak nu duidelijk maken met een nog extremere vorm van zijn vroegere lering: "Zo wij ons niet veranderen en worden gelijk de koeien, zullen we niet in het koninkrijk der hemelen ingaan." Hij voegt er nog aan toe: "Wij zouden immers ťťn ding van ze moeten leren: het herkauwen." Hij laat er wat betreft de belangrijkheid van het herkauwen nog een andere tekst op volgen: "En voorwaar, zo de mens de ganse wereld gewint en dit ene, het herkauwen, niet leert: wat zou het hem baten! Hij zou niet verlost worden van zijn droefenis." Een uitspraak die de spot drijft met de uitspraak van Jezus in Matth. 16:26: "Wat baat het de mens indien hij de ganse wereld gewint, maar schade lijdt aan zijn ziel?" Wat Nietzsche met de metafoor van het herkauwen op het oog heeft is wellicht eeuwig herhaalde rituelen, opzeggen van vaste gebeden, rozenkransen, heilige teksten en geloofsbelijdenissen, 'meditatie' enz. Nietzsche beklemtoont het domme van de leer aangaande een hiernamaals door de Bedelaar trots en met de simpele zelfverzekerde overtuiging waaraan men de ware metafysicus altijd herkent, uit te laten roepen: "Bezie toch deze koeien!" alsof dat afdoende is om effectief aan te tonen dat er een hiernamaals is, of het herkauwen van deze leer .het antwoord is op de walging aan het leven. Dat de Bedelaar nu leerling is komt ook tot uiting in zijn enigszins geŽrgerd zijn wanneer Zarathoestra hem komt storen. Hij leefde in de waan dat de koeien net op het punt stonden hem hun geheim te verklappen.


Wanneer Zarathoestra zich aan de Bedelaar voorstelt, met de opmerking erbij dat hij de persoon is die de walging heeft overwonnen, wordt hij door de Bedelaar op de hand gekust en gedraagt de Bedelaar zich "als iemand wie onverwacht uit de hemel een kostbaar geschenk en kleinood in de schoot valt", dwz zoals de herders en de drie wijzen uit het Oosten het kerstkind ooit ontvingen.


Er ontstaat een goede verstandhouding tussen Zarathoestra en de Bedelaar uit Vrije Wil. Zarathoestra geeft hem complimenten voor zijn kunst goed te kunnen schenken. Nietzsche laat De Bedelaar uit Vrije Wil instemmen met de leer die Zarathoestra eerder uitsprak: hij heeft nu zijn buik vol van de kleine luiden en armen die hij ooit in de bergrede zaligsprak: "Het is niet langer waar dat de armen zalig zijn. Neen, het koninkrijk der hemelen is bij de koeien." "Waarom niet bij de rijken?", vraagt Zarathoestra. De Bedelaar antwoordt dat Zarathoestra dat maar al te goed weet: omdat zijn eerdere vlucht tot de armen uit walging voor de rijken geboren was. De rijken keken met kille ogen en geile gedachten de wereld in, zij waren slechts belust op eigen voordeel. Het probleem voor de Bedelaar uit Vrije Wil is tegenwoordig dit: "Grauw boven, grauw onder! Wat is tegenwoordig nog 'arm' en 'rijk'! Dit onderscheid heb ik verleerd, - en ik ben weggevlucht, verder, steeds verder, tot ik op deze koeien stuitte." De Bedelaar wordt in zijn denkwereld verteerd door de weerzin tegen het leven. Hij laat vervolgens nog horen hoe zijn walging ook verband houdt met zijn weerzin tegen het sexuele, iets waar de christelijke religie altijd aan heeft geleden. Om nogmaals te benadrukken hoe De Bedelaar uit Vrije Wil zich geheel 'opoffert' aan de arme drommels, zich voor honderd procent met hen identificeert ('incarneert'), en hoe dit in goede aarde valt, laat Nietzsche er alweer spottend op volgen: "Aldus sprak de vredelievende man en snoof zelf en zweette onder zijn woorden, zodat de koeien zich opnieuw verbaasden."


Nietzsche velt uiteindelijk zijn oordeel over Jezus, hetzelfde oordeel dat hij velt in De Antichrist:


God gedegenereerd tot verzet tegen het leven, in plaats van dat hij er de verheerlijking en het eeuwige Ja van is. Met behulp van God aan het leven, de natuur, de wil tot leven de vijandschap verklaard. God als formule voor elke belastering van het aardse leven, voor elke leugen over het 'bovenzinnelijke'. In God het niets vergoddelijkt, de wil tot het niets heilig verklaard. (ß18)

Het rijk der hemelen behoort [volgens de evangeliŽn] de kinderen toe; het geloof, dat hier stem krijgt, is geen bevochten geloof, het is als het ware een vorm van kinderlijkheid die zich heeft teruggetrokken in het geestelijke. Een soort onvolgroeide puberteit als nasleep van degeneratie." (ß32)


In dit hoofdstuk laat Nietzsche Zarathoestra tegen Jezus dan ook spreken alsof hij tegen een goedaardig kind of puber spreekt, iemand met een warm hart en goede bedoelingen, maar met een onstuimigheid, toorn en onbedachtzaamheid van iemand die nog niet rijp is:


Jij doet jezelf geweld aan, o bergprediker, als je zulke harde woorden spreekt. Voor zulke hardheid is noch je mond, noch je oog geschapen. En evenmin, dunkt me, je maag: die staat al zulk toornen en haten en overschuimen tegen. Jouw maag wenst zachtere dingen: je bent geen slager. Eerder ben je een man van planten en wortels. Misschien maal je wel graan. Stellig ben je afkerig van vleselijke vreugden en houd je van honing.


Het malen van graan is een verholen verwijzing naar het verhaal 'Aren plukken op de sabbat'(Lukas 6:1).
Zarathoestra krijgt als antwoord: "Je hebt mij doorgrond; ik houd van honing, ik maal ook graan, want ik heb gezocht wat lekker smaakt en de adem zuivert." Dwz hij heeft zich niet gericht op de realiteit, maar op wat de psyche van de mens graag wil horen, zoals een God als een vertrooster, die het goede beloont en om onze frustratie te beŽindigen het kwade wreekt, en een God als hemelse vader die voor ons zorgt en van ons houdt. Deze gedachte wordt nog versterkt door de Bedelaar weer op zijn koeien te laten wijzen: "Ze onthouden zich van alle zware gedachten, die het hart doen zwellen." Hij krijgt van Zarathoestra als antwoord dat hij eens kennis moet maken met zijn dieren, de adelaar (menselijke waardigheid) en de slang (werkelijke kennis).