Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




IV.9    De Schaduw

Zarathoestra heeft een ontmoeting met de laatste personage die aan deel 4 wordt toegevoegd. Dit is één van de meest fascinerende hoofdstukken uit dit deel. De sleutel tot het verstaan van dit hoofdstuk ligt in de identificatie van de Schaduw. Alle commentators laten weten dat Zarathoestra hier een tweegesprek aangaat met zichzelf, dus zijn eigen schaduw. Ongetwijfeld is dit waar (Zarathoestra identificeert hem aldus op het eind van het hoofdstuk), maar het is een Schaduw die in het hoofd van ontelbaar vele mensen (ook Nietzsches hoofd) rondspookt als Wezen, namelijk God zelf. God is de Schaduw. Uiteraard moet de beschrijving van 'de hogere mens' eindigen met deze climax, God zelf.
De Schaduw is alles wat de mens verzint om het bestaan te vermommen, om de werkelijkheid te verdraaien tot wat anders. Nietzsches denken cirkelt voortdurend om het gegeven dat 's mensen intellect, bedoeld om te overleven, veelal aangewend wordt om de werkelijkheid te verdraaien. In zijn twaalf jaar eerder geschreven opstel "Over Objektieve Waarheid en Leugen" kunnen we lezen:


De met het kennen en waarnemen verbonden hoogmoed misleidt de mens; het legt begoochelende nevel over zijn ogen en zintuigen, over de waarde van het bestaan, en wel doordat hij de meest vleiende waardering van het kennen in zich draagt. Het meest algemene gebruik van het intellect is om te misleiden — maar ook zijn meest specifieke effecten dragen iets van hetzelfde karakter in zich. Het intellect, als middel tot behoud van het individu, ontplooit zijn belangrijkste krachten in het vermommen, want dat is het middel waarmee de zwakkere, minder robuuste mens zich staande houdt, omdat het hem in de overlevingsstrijd ontbreekt aan bijvoorbeeld hoornen of een scherp roofdiergebit. In de mens bereikt de vermommingskunst haar hoogtepunt: de misleiding, het vleien, liegen en bedriegen, het achter-de-rug-om-praten, het voorstellen, het geven van een glimmend visitekaartje, het gemaskerd zijn, het verschuilen achter conventie, het toneelspelen voor anderen en zichzelf, kortom, het voortdurende fladderen rond de ene vlam van ijdelheid, is bij de mens zozeer regel en wet, dat niets onbegrijpelijker is dan hoe er onder de mensen een eerlijke en zuivere drang naar waarheid kon ontstaan. De mens is diep gedompeld in illusies en droombeelden.


Het begrip God is het absolute hoogtepunt en het ultieme symbool voor deze vermommingskunst. God als 'persoonlijk Wezen' is volledig een produkt van de mens zelf, hij is door de mens geschapen, bijgevolg is de Schaduw uiteraard ook het tweegesprek dat de mens met zichzelf aangaat. 'God' en 'het tweegesprek dat de mens met zichzelf aangaat' zijn identiek aan elkaar.


De metafoor van 'De Schaduw' komen we in de bijbel tegen in Psalm 91:1. Er wordt daar gezegd dat wie op God vertrouwt, beschutting en toevlucht bij Hem zoekt, "overnacht in de schaduw van de Ontzagwekkende". In de bijbelse zonovergoten cultuur is de schaduw natuurlijk een metafoor voor beschutting, iets positiefs. In Europa heeft de Schaduw echter altijd een negatieve klank, zoals men het kan horen in het beroemde liedje van Paul McCartney Yesterday ("There's a shadow hanging over me"). In Nietzsches eigen denken komen we het begrip 'schaduw' in laatstgenoemde betekenis tegen in een beslissende uitdrukking: hij noemde het volwassen worden van de mensheid, dwz het moment dat de mensheid het juk afwerpt van de onzichtbare wereld waaraan de mens onderhorig is 'Het Middaguur', 'het moment van de kortste schaduw, het einde van de langdurigste vergissing'. De langdurigste vergissing is dus de schaduw die over de mensheid hangt: het religieuze wereldbeeld, waarvan God de personificatie is de ultieme opsomming van alle waan.


De identificatie van de Schaduw met de God van de bijbel wordt later nog verduidelijkt, wanneer De Schaduw in IV.16, Onder de Dochters der Woestijn, een psalm "uit zijn oude herinnering" tevoorschijn tovert, die hij "eens dichtte toen hij onder de dochters der woestijn leefde". En hij laat daar ook weten dat hij tegenwoordig onder de Europeanen een afgetakeld leven leeft.

Na deze identificatie begrijpen we nu meteen waarom het vorige hoofdstuk zo vreemd eindigt, en De Bedelaar uit Vrije Wil niet zoals de anderen braaf naar de grot gaat, maar om Zarathoestra heen blijft cirkelen: Hij is in het religieuze denken de godmens, dus een onderdeel van de Schaduw. Zarathoestra dreigt de Bedelaar op het eind van het vorige hoofdstuk met zijn stok om van hem af te komen. Dat hij echt zou slaan is echter niet serieus te nemen, want Zarathoestra's scherpe woorden 'Scheer je weg!' worden omlijst met "hij zwaaide met zijn stok naar de tedere Bedelaar". Van Jezus en de Schaduw kan een mens niet afkomen. Ze blijven rondspoken, tegenwoordig zou men zeggen: als memen. In dit hoofdstuk ziet Zarathoestra zich van voren en van achteren tussen hen ingeklemd. Hij beschrijft de situatie in sublieme woorden:


"Het wordt me waarlijk te veel nu; dit gebergte wemelt van mensen, mijn rijk is niet meer van deze wereld, ik heb nieuwe bergen nodig. Mijn schaduw roept mij? Wat doet mijn Schaduw ertoe! Laat hij mij maar nalopen! Ik -loop weg van hem!


Jezus sprak uit dat 'zijn rijk niet van deze wereld' is, christenen zijn 'vreemdelingen op aarde'. Maar Zarathoestra is het tegendeel hiervan, zijn rijk is enkel en alleen op aarde. Maar nu wordt hij in alle personen die hij tegenkomt in deel 4 belaagd met het religieuze, metafysische denken, en uiteindelijk door God in het kwadraat omringd van voren en van achteren. Nietzsche beschrijft zo de gang van zijn eigen leven: op alle mogelijke manieren probeert hij zich te bevrijden van 'de langdurigste vergissing', maar het religieuze denken blijft hem achtervolgen. Hij zoekt nieuwe bergen, dwz om op de hogere mens te komen zoekt hij een niet-religieus alternatief, maar de religie, God, achtervolgt hem, in zijn denken blijft God maar rondspoken. De reden is dat de religie voor ons mensen altijd de weg heeft aangewezen naar of synoniem is geweest voor 'de hogere mens'. Nu het inzicht is ontstaan dat het niet om een objectieve God en bestaande metafysische werkelijkheid gaat die de mens aanspreekt, maar de mens zelf voortdurend bezig is met het gestalte geven aan het goddelijke, dus zijn waan/fantasieën invult, is het antwoord hierop dat men dus moet leren inzien dat God niet een inbreuk op de mens pleegt waar men zich steeds aan moet ergeren en waar men maar niet van af kan komen, maar 'hij' gezien moet worden als een werktuig dat de mens in zijn hand heeft: de mens schept zijn eigen God naar de behoeften van de mens, God loopt de mens dus na. Zarathoestra beseft dit opeens en bijgevolg beseft hij dat zijn strijd met de religie volkomen nutteloos is en dwaas: "met één ruk schudde hij alle wrevel en weerzin van zich af". Hij merkt op dat hij niet beducht hoeft te zijn voor zo'n schaduw die de mens uit eigen behoefte gecreëerd heeft. "Het komt mij ten lange leste voor dat hij langere benen heeft dan ik", oftewel dezelfde lering die we in IV.18 tegenkomen: "Dood is bij goden altijd enkel een vooroordeel". God is niet dood te krijgen, juist omdat hij het product van onze behoeften is. Wanneer een god een geloofwaardigheidsprobleem krijgt wordt hij eenvoudig vervangen door een andere god, één die geloofwaardiger is. De mens schept opnieuw en opnieuw het begrip God.


Nadat de mens dit inzicht krijgt is het een koud kunstje om 'baas over God' te worden:


Aldus sprak Zarathoestra, met lachende ogen en ingewanden, bleef staan en draaide zich snel om - en zie, bijna gooide hij daarbij zijn Achtervolger en Schaduw tegen de grond: zo dicht zat deze hem op de hielen, en zo zwak was hij ook. Want toen hij hem van dichtbij bekeek, schrok hij als voor een plotseling opdoemend spook: zo iel, grauw, hol en afgeleefd zag deze achtervolger eruit.


Bovenstaande is de gewaarwording van een mens wiens godsgeloof geheel en al door de mand valt, eenvoudig door zijn religie onder de loep te nemen. In dit hoofdstuk hebben we in de eerste plaats te maken met de bijbelgod die door de mand is gevallen. Zarathoestra zegt na hem even goed bekeken te hebben meteen: "Wat spook je hier uit? Je staat me niet aan." Hij krijgt als verrassend antwoord van God: "Vergeef me dat ik het ben; en als ik je niet aan sta, welaan, o Zarathoestra! daarvoor prijs ik jou en je goede smaak!" God laat namelijk weten dat hij een "voetreiziger" is, een woordenspel waarmee Nietzsche wil aangeven dat hij in de loop van de geschiedenis steeds verandert: "steeds onderweg, doch zonder doel, ook zonder thuis, zodat het warempel weinig scheelt of ik ben de eeuwige jood, behalve dan dat ik noch eeuwig noch jood ben." Bij het schrijven van deze woorden zal Nietzsche ongetwijfeld een grijns op zijn gelaat hebben gehad. De bijbelgod van de moderne tijd is allang niet meer dezelfde god als in vroegere eeuwen, laat staan die van bijbelse tijden. Hij is altijd overgeleverd aan de tijdgeest, aan de denkwijze van de mens. Nietzsche vervolgt door 'de dood van god' te beschrijven alsof van de kant van God bezien:


Wat? Moet ik eeuwig onderweg zijn? Opgezweept door iedere wind, onbestendig, voortgejaagd? O aarde, je bent mij te rond geworden! Op elk oppervlak zat ik reeds, als moe stof sliep ik in op spiegels en vensterruiten: alles ontvangt van mij, niets geeft, ik wordt iel, - bijna gelijk ik op een schim.


Dus God als het slachtoffer van de mens die hem maar eeuwig voor zijn karretje spant. Oneindig vele, verschillende en naar believen uitgedoste karretjes, maar in moderne tijden steeds vager wordend, steeds zwakker, steeds verderweg toeschijnend.
Vervolgens lezen we een heel persoonlijke ontboezeming van Nietzsche. Hij laat God zeggen dat er geen mens is geweest die zoveel met zijn Schaduw (religie) geworsteld heeft als hij, iets wat in ieder geval niet zwaar overdreven is. Maar het blijft niet bij een ontboezeming, God beschrijft hem bovendien in termen die men slechts in personen als Mozes en Jezus geëvenaard kan zien:


Jou echter, o Zarathoestra, vloog en trok ik het langst achterna, en ook al hield ik me voor jou verborgen, toch was ik jouw beste Schaduw: overal waar jij hebt gezeten, daar zat ik eveneens. Met jou heb ik rondgewaard in verste, koudste werelden, als een spook dat uit vrije wil loopt over sneeuw en winterdaken.
Met jou ben ik doorgedrongen tot al wat verboden is, tot de ergste en verste dingen: en zo er iets van deugd in mij is, dan is het dat ik onbevreesd was voor enig verbod. Met jou heb ik verbroken al wat mijn hart ooit vereerde, alle grensstenen en beelden wierp ik omver, de gevaarlijkste wensen liep ik na.


De tekst vervolgt met 'het dilemma van de Schaduw', hetgeen we op twee manieren kunnen lezen: als 'het dilemma van God' en als 'het dilemma van de hogere mens' (in engere zin Nietzsche-Zarathoestra zelf). Het eerste in zoverre de mens God als een objectieve entiteit voorstelt, en het tweede als inzicht dat hij slechts het product is van eigen denken.
Met het opdoen van steeds meer kennis leert de mens uiteindelijk : 'Niets is waar, alles is geoorloofd" (motto van Max Stirner), zoals de vrome mens ook moet toegeven dat God zowel de oorzaak van Goed als van Kwaad is. "Als de Duivel vervelt, valt dan niet ook zijn naam af? Die is immers ook huid. De Duivel zelf wellicht is - huid." Indien God werkelijk God is, is Hij ook de schepper van de Duivel, dus is Hij de Duivel. Dat Hij de Duivel zelf is is voor ieder modern mens die over de Schaduw in het Oude Testament leest duidelijk. Zo zegt God de Schaduw ook: "over elke misdaad ben ik ooit heengestapt", een logische conclusie wanneer men maar beseft dat God verantwoordelijk is voor al het bestaan, voor alle plagen, droogten, overstromingen en ziekten, en een ontegenspreekbare conclusie die uit de geschiedenis van alle openbaringsgeloven kan worden getrokken. De moderne mens heeft uiteindelijk zoveel kennis opgedaan dat hij alles wat eens 'goed', 'voortreffelijk', 'waar' en 'deugd' heette, ontmaskerd heeft voor wat ze in werkelijkheid zijn: nobele leugens, verzinsels of exact de helft van de waarheid, de helft waarmee de mens zichzelf opzettelijk misleidt.
Dan vraagt God alias de moderne mens uiteindelijk de vragen waar zijn gehele bestaan van afhangt:


"Heb ik nog een doel? Een haven waarheen mijn zeil koerst? Een gunstige wind? Ach, enkel wie weet waarheen hij vaart, weet ook welke wind gunstig is en zijn zeilwind. Wat is mij nog gebleven? Een hart dat moe is en driest; een ongedurige wil; trillende vleugels; een gebroken ruggegraat. Dit zoeken naar mijn thuis: o Zarathoestra, besef je het wel, dit zoeken was mijn bezoeking, het vreet me op. Waar is mijn thuis? Daarnaar vraag en zoek en zocht ik, ik heb het niet gevonden. O eeuwig overal, o eeuwig nergens, o eeuwig tevergeefs!


Dit is de meest trieste en pathetische situatie in het gehele boek, de crisis van het godsgeloof in een notendop. Voor zover de Schaduw God is betekent menselijke 'kennis van goed en kwaad' het einde: hij wordt met een glimlach afgedankt als nutteloos, een hersenschim, een waandenkbeeld. Voor zover de Schaduw de mens zelf is betekent het in de onmetelijke leegte te worden geworpen, in het nihilisme. Voor God is dit lot onherroepelijk: hij is dood en heeft geen kans meer op herleving. Voor de mens is dit echter niet het geval: Zarathoestra merkt op dat de Schaduw zijn eigen worsteling beschrijft. Hij zegt er 'met droeve stem' dit van:


Jij bent mijn Schaduw. Het gevaar dat jou bedreigt is niet gering, o vrije geest en voetreiziger! Je hebt een slechte dag gehad: kijk uit dat jouw avond niet nog slechter wordt!


Oftewel: het is als een tijdelijke ziekte in de psyche van de mens die overwonnen kan worden. Hoe de avond nog slechter kan worden legt Zarathoestra hier meteen uit:


Pas op dat je niet uiteindelijk nog wordt gevangen door een bekrompen geloof, een harde, strenge waan! Want jou zal voortaan alles verleiden en verzoeken wat bekrompen is en vast.


Oftewel er is nog één mogelijkheid de oude God weer op te wekken: verbeten, bekrompen en tot in het extreme terug te gaan naar de God van aleer. In bewoordingen die op de mens slaan: een verbeten terugvallen in extreem fundamentalisme. Iets wat we in onze moderne tijd voor onze ogen zien gebeuren in zowel christelijk als moslimfundamentalisme.


Deel vier begon met het beeld dat Zarathoestra met een stok de contouren van zijn eigen schaduw op de grond tekent. Meteen daarop volgen alle personages die in gesprek raken met hem, en tenslotte komt DE schaduw met hem in gesprek. Dit omlijsten van het geheel met zijn eigen schaduw is een sterke hint dat alle personages ook naar Nietzsche zelf verwijzen. In de laatste personage zien we de schaduw hem van achter zijn rug toespreken: wellicht een hint waarmee Nietzsche wil aangeven dat ze de schaduwen zijn van zijn verleden - van ons verleden: het badwater waar onze Europese cultuur in heeft gelegen. Uiteindelijk wordt de slaker van de noodkreet in het geheel niet gevonden. Wellicht moeten we alle personages zien als de slakers met één en dezelfde noodkreet: ze kunnen niet meer verder met waar ze altijd voor stonden, ze komen allemaal tekort, ze zijn allemaal hopeloos verdwaald, ze moeten allen hogerop worden getrokken. Het feit dat ze allemaal personages uit het Nieuwe Testament zijn brengt de boodschap dat de noodkreet het afsterven van het christelijk geloof uitbeeldt. Zarathoestra is het antwoord op de noodkreet, het antwoord op het afsterven van de godsdienst en het vervallen in nihilisme. Hij stuurt ze daarom allemaal ter verkwikking naar zijn grot. Zarathoestra kent weliswaar alle schaduwen uit eigen ervaring, en heeft alles in eigen leven doorleefd, maar heeft uiteindelijk overwonnen.