Print Commentaar op Aldus sprak Zarathoestra, deel 2, uit als Word document (58 bladzijden).





Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




Inleiding tot deel II



Nietzsche schreef deel 2 van zijn Zarathoestracyclus een half jaar na deel één, in een tijdsbestek van tien dagen, gedurende de laatste week van de maand juni en de eerste dagen van juli, in het jaar 1883. Hij liet zijn vriend Köselitz weten dat hij het schreef om een paar mankementen aan deel 1 recht te zetten. Köselitz kon daardoor wellicht de moed vatten om 'zijn Meester' in een brief enige heel eerlijke woorden van kritiek te schrijven:


Ik ben zeer blij te horen dat Zarathoestra slechts in een tijdelijke bui verkeerde. Voor mijn smaak had hij net iets teveel van het onweer...Verachting voor anderen is alleen begrijpelijk in zoverre het behoort tot de allerlaagste regionen van de waardevolle mens -tot de regionen waarin iedereen van tijd tot tijd verkeert door toe te geven aan oppervlakkige gevoelens. Maar een wijs mens zal toch altijd zichzelf goed kennen- en daarbij tot de conclusie komen dat hij en de rest van de wereld elkaar aanvullen. Met het gebruik van het woord 'de overtolligen' bewijst Zarathoestra zichzelf en zijn zaak geen dienst.


Nietzsche reageerde hierop laconiek en goedgehumeurd. Hij was blij dat zijn Zarathoestra zo nauwkeurig gelezen was. Het enige probleem voor hem was dat de theorie van Köselitz wel zeer wijs klonk, maar hij op zijn tocht mensen te vinden die hem zouden begrijpen tot dusver nog nooit "een aanvullend complement van zijn eigen soort" was tegengekomen.
Nadat Köselitz het tweede deel gelezen had, schreef hij Nietzsche: "Het heeft me omvergekegeld, ik lig nog steeds gevloerd."


De filosofie van Nietzsche heeft veel te lijden gehad van mensen die enkele gedachten van hem inlijstten en buitensporig liefkoosden, terwijl ze tezelfdertijd andere gedachten van hem willens en wetens volkomen links lieten liggen. Het extreme voorbeeld van eenzijdig lezen van Nietzsche zijn de nazi's voor wie Nietzsche in twee woorden -Übermensch en verachting- opgesomd kon worden. Ik lees ook net een dik boek van bijna 600 bladzijden door, geschreven door de omstreden goeroe Bhagwan Shree Rajneesh, waarin hij bijna alle hoofdstukken van deel 1 bespreekt, maar slechts vier hoofdstukken uit deel 2, en volkomen zwijgt over de rest van het boek. De naam Führer en zo mogelijk nog deerniswekkender titel Bhagwan Shree (Goddelijke Meester), laat goed zien wat het probleem van deze mensen is: men staart zich blind op één bepaalde kleur, de kleur die het meest aan de oppervlakte zichtbaar is, en vooral eer aan zichzelf doet.


Voor eenieder die Nietzsche -en het leven- werkelijk wil verstaan, is alles wat volgt op deel 1 uitermate belangrijk. Deel twee vervolgt in de eerste acht hoofdstukken in dezelfde trant als deel 1, maar de tegenstelling tussen Zarathoestra's leringen en zijn rivalen wordt nog onvoorwaardelijker neergezet, en de kritiek op hen is nog vernietigender. Maar in het negende hoofdstuk, Het Nachtlied, geeft Nietzsche een merkwaardige draai aan alles wat we nu juist over hem dachten te weten. Zarathoestra verandert plotseling op fundamentele wijze in wat anders. Dit is echter niet een twijfelachtige tegenstrijdigheid, ook geen zwakke schakel in het geheel, noch een teleurstelling, maar precies het tegenovergestelde hiervan: het laat ons pas nu de grootsheid van deze filosoof zien. Nietzsche wist alles wat tegengesteld aan elkaar is, dwz het gehele leven, te omarmen. Wijsheid bereikt zijn hoogtepunt in het doorzien, aanvaarden en zelfs omhelsen van paradoxen. Één van de grootste paradoxen is de volgende: de mens is autonoom en als individu soeverein, en hij laat zijn eigen wil gelden, maar tezelfdertijd is hij een radertje in het geheel, een onderdeel in een volkomen deterministisch universum, een individu gehoorzamend aan een hogere macht. Zarathoestra verandert in deel twee en drie in de tragische held, iets waar Nietzsche zelf op wees toen hij in De Vrolijke Wetenschap (342) het begin van zijn boek Zarathoestra citeerde met de aanhef: Incipit tragoedia (hier begint de tragedie). Tragedie is hier op te vatten als een intense worsteling om uiteindelijk verlossing en begrijpen te proeven. Anders gezegd: de wet des levens schrijft voor dat de mens die naar het hoogste streeft altijd zal ondergaan.


Tot nu toe hebben we Zarathoestra zien optreden als een leraar. Hij is volmaakt in zijn leer. Weliswaar nog niet zo volmaakt dat hij zichzelf tot Bovenmens uitroept, ook niet zo volmaakt om zich op te werpen als brenger van de enige en hoogste waarheid (hij daagt in het laatste hoofdstuk zijn discipelen uit hem te overschaduwen), maar toch als een persoon zonder zwakke plekken, zonder mankementen. Hij is als een onverstoorbare Apollo, een meester van kalmte en rust, de lichtbrenger, de opvoeder van jonge mensen tot volwassenen, de personificatie van de gouden zon en de slang der wijsheid, de Asklepius die de mensheid van haar oude ziekte geneest.
De verdienste van deel 2 is dat dit glimmende plaatje de prullenmand ingaat. Zarathoestra wordt vanaf hoofdstuk 9 mens, de lijdende mens, de mens die twijfelt, die worstelt, die moed tekort komt, wie het aan wijsheid ontbreekt, die zichzelf ontmaskert. Hij wordt weer leerling van het leven, hij gaat op zoek naar wie hijzelf ten diepste is.
Zarathoestra verwees in deel 1 af en toe naar wraakgevoelens (I.6, 12, 19), maar ontdekt pas in deel 2 hoe het hele menselijke bestaan erdoor beheerst wordt; hij merkt de gevoelens zelfs in zichzelf op (II.9, II.20). Hoewel hij zich in deel 1 uitriep tot iemand die de ziekten van de mensheid te boven was gekomen, komt hij nu tot de ontdekking dat dit helemaal nog niet het geval is (II.10-11). Uiteindelijk moet Zarathoestra toegeven dat het leven niet zo ondoorgrondelijk is als men het graag zou willen. Leven als synoniem voor 'Wil tot Macht' wordt in de tweede helft van deel 2 uitgesponnen als een donkere, maar daarom des te steviger grond van het bestaan (II.11-12, 20). De oogst van deel 2 is dan ook geheel anders dan van deel 1. Samen zullen ze geboorte geven aan deel 3, waarin we nog dieper in de put van het bestaan gedompeld worden en Zarathoestra zo ongeveer op het tegendeel van deel 1 uitkomt. Uiteindelijk verwelkomt Zarathoestra de terugkeer van Dionysos, dwz de onvoorwaardelijke liefde voor het aardse leven. Deel 4 geeft een beeld van dit leven waarin de wonden geheeld zijn, de strijd gestreden is, het gehele leven omhelsd wordt, terwijl men toch tezelfdertijd blijft hopen op het toekomstige betere en hogere.


Nietzsche gaat dezelfde weg als de grootste religieuze revolutionair die Europa ooit gehad heeft, Spinoza (1632-1677). In een brief aan zijn vriend Franz Overbeck laat Nietzsche weten dat hij er verbaasd over staat dat Spinoza zoveel dezelfde gedachten had als die Nietzsche nu Zarathoestra laat uitspreken. In het kort komen deze gedachten hier op neer: er is slechts één basisgegeven (substantie) in het universum, dus niet een tweedeling materie en geest, ook niet een tweedeling Schepping en God. En dit ene basisgegeven omvat alles wat is, het universum. Alle afzonderlijke bestaansvormen (modi) zijn uitingen, onderdelen, verschijningen van deze ene substantie. De ultieme werkelijkheid kan een mens bekijken vanuit twee perspectieven: het perspectief van het tijd-ruimtelijke, hetgeen als resultaat 'de Natuur' oplevert, die voortdurend aan verandering onderhevig is, altijd stroomt, wordt, tot stand komt, en waarvan wij een deel ervaren en denken te kunnen besturen. Maar vanuit het andere perspectief, het perspectief van het eeuwige, noemt men het Al God. Van hieruit bekeken is alles gedetermineerd, volgt alles de wetten van oorzaak en gevolg, is alles onveranderlijk, eeuwig aanwezig, allesomvattend. Om de werkelijkheid van Spinoza enigszins te kunnen begrijpen heb ik voor mezelf de illustratie bedacht een mens te vergelijken met een bacterie levend in het menselijk lichaam. De mens is tot God wat een bacterie in ons lichaam is tot ons. De mens weet zich als een bacterie gevangen in de buik van God. Hij heeft het vermogen zichzelf te zien als autonoom, als op zichzelf staand wezen, dat zich voedt en een taak uitoefent, dat zich zelfs een idee van 'de godheid' kan vormen, maar tezelfdertijd kan de mens zich zien als volledig gehoorzamend, als een minuscuul onderdeel van een organisme, een nietig deeltje dat slechts funktioneert in een onmetelijk groot geheel waar hij slechts vaag of bijna geen weet van heeft. Deze zienswijze noemt men Pantheďsme. Spinoza kwam uit op een visie van intellectuele intuďtie, dwz het empirische en rationele laat hij uiteindelijk dienst doen aan de ethiek van het leven. Menselijke gevoelens vinden hun rust en zaligheid door in alles de harmonie te zien, de perfectheid van het goddelijke geheel. Lijden is de vervreemding van de Natuur/God, geluk is de identificatie met de Natuur/God. Dit is wat Albert Einstein 'kosmische religiositeit' noemde, de hoogste traptrede van de religie. Om een idee te krijgen waar de religie van de toekomst naar toe gaat is het lezen van het boek The Field, geschreven door Lynne McTaggart, aan te bevelen.


Wellicht om te illustreren hoe moeilijk het is voor Zarathoestra de werkelijkheid onder ogen te zien, is het vervolg van Zarathoestra veel moeilijker te begrijpen dan het eerste deel. Soms lijkt het alsof Zarathoestra zelf de zaken niet altijd helder onder ogen kan zien of terughoudend wordt in zijn toespraken. Sommige hoofdstukken zijn gelijkenissen zonder uitleg, of gedichten.