Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




Inleiding tot deel III


Nadat Nietzsche de eerste twee delen van Zarathoestra had geschreven, schreef hij in september 1883 een brief aan zijn zuster, waarin de volgende woorden staan:


Ieder woord in mijn Zarathoestra is verachting voor de idealen van deze tijd; en achter bijna elk woord staat een persoonlijke ervaring, een zelfoverwinning van de eerste orde. Het is daarom absoluut noodzakelijk dat ik verkeerd begrepen [tweemaal onderstreept] word, sterker nog, ik moet me erop toeleggen dat ik zeer slecht begrepen word en verguisd. Dat het moest beginnen bij mijn naaste verwanten realiseerde ik me afgelopen zomer en herfst, en was voor mij het teken bij uitstek dat ik mijn weg bewandelde.


De laatste zin laat heel duidelijk zien hoe Nietzsche de grootte van zijn taak vergeleek met die van Jezus, die ook leerde dat men om hem te volgen zelfs bereid moet zijn de pijn te ondergaan van een breuk met zijn eigen familie, en zich geheel op eenzame hoogte boven de gehele maatschappij zag staan.
In october van dat jaar reisde hij naar Genua, waar hij in gedachten steeds bezig was met het derde deel van Zarathoestra. Half november schreef hij aan zijn vriend Overbeck dat zijn zuster hem spoedig zal bezoeken en hem een presentje zal aanbieden, het tweede deel van Zarathoestra. "Lees het als het tweede deel van vier - dwz begrijp dat het waarom van vele zaken eruit pas duidelijk wordt in het licht van het geheel." Eind november verliet Nietzsche Genua en zocht hij voor het eerst de zon op in Nizza. Daar ontstond tenslotte deel drie van Aldus sprak Zarathoestra in de eerste twee weken van januari 1884, in eenzelfde vlaag van hooggespannen inspiratie als het jaar daarvoor toen het eerste deel ontstond (en het jaar dáárvoor, toen Nietzsche delen van 'de Vrolijke Wetenschap' schreef). Op 18 januari schreef Nietzsche zijn uitgever dat hij de finale van de Zarathoestra-trilogie af had en aan zijn vriend Overbeck schreef hij dat hij de gelukkigste twee weken van zijn leven had beleefd: "Nooit ben ik met zulke zeilen uitgevaren op zo'n zee". Nadat het schoongeschreven manuscript naar de uitgever was verzonden schreef Nietzsche hem op 6 februari: "U hebt nu het meest toekomstrijke boek in handen van uw uitgeverij - ik ben me welbewust van wat ik zeg, en bepaald niet gek of verwaand". Twee weken later schreef hij aan zijn vriend Rohde dat hij zijn lange zeetocht had beëindigd en niet voor niets zo lang in de stad van Columbus (Genua) had vertoefd. "Deel 2 en 3 van Zarathoestra bieden een soort van afgrond aan hetwelk de toekomst zal laten zien, iets afschrikwekkends, vooral in haar zalige geluk. Alles erin is van mijzelf, zonder model, vergelijking of voorganger. Iemand die eens daarin geleefd heeft komt met een ander gelaat naar deze wereld terug". Hier zien we Nietzsche zichzelf vergelijken met de beroemde Columbus: op dezelfde manier als deze onverschrokken man 'afgronden' overbrugde en een nieuwe wereld betrad, doet Nietzsche dit in de mensenlijke geest: hij ontdekt het land 'voorbij goed en kwaad' (zie hoofdstuk III.4) en slaat een nieuwe bladzijde om in het menselijk denken. De opmerking "Iemand die eens daarin geleefd heeft komt met een ander gelaat naar deze wereld terug" is een verhulde zinspeling op Mozes die met veranderd gelaat de berg afkwam waar hij God ontmoette. In alles zien we dat slechts de allergrootsten en allergrootste te boek staande gebeurtenissen vergeleken kunnen worden met waarmee Nietzsche bezig is. Nietzsche voegt er in bovenstaande brief nog de volgende extreme woorden aan toe, alweer woorden die aan grootheidswaanzin doen denken, maar die door tegenwoordige duitse taalkundigen vrijwel unaniem beaamd worden: "Ik denk dat ik met deze Zarathoestra de duitse taal tot perfectie heb gebracht." "Mijn stijl is een dans; een spel van allerlei soorten symmetrie, en ook daar weer overheen springen of links laten liggen. Zelfs de keuze van klinkers zijn doordacht. Ik ben een dichter gebleven die het dichterschap rekt tot het uiterste, hoewel ik met ijzeren hand mezelf gedwongen heb tot het omgekeerde van verzen maken, dwz voortdurend bezig ben geweest met logische analyse." Zijn brief aan Rohde (een getrouwd man met twee kinderen) bevat ook de woorden: "Ach, mijn vriend, wat een gek, afgezonderd leven leid ik toch. Zo alleen, zo alleen! Zo helemaal zonder 'kinderen'!"


In de regel wordt deel 3 beschouwd als de climax van het gehele boek, en deel 4 als een luchtig nagerecht om de ernst van het gehele boek te doorbreken en te eindigen op een vrolijke noot.
Het probleem met deze opvatting is dat deel 3 niet helemaal definitief de oplossing voor alle probleemstellingen van Zarathoestra geeft, en bovendien deel 4 helemaal geen luchtige kost is. Deel 3 laat de lezer nog steeds ietwat in een ongemakkelijke sfeer zitten, met halfgebakken eieren en een niet geheel bevredigende smaak van 'verlossing', het begrip waar alles om zou gaan.
Deel 4 is een veel definitievere en bevredigender afsluiting, het laat de praktijk van het leven van een 'herboren' dansende Zarathoestra zien in een cultuur waarin de schaduw van het christendom nog eeuwenlang te zien is. Eigenlijk was er voor Nietzsche natuurlijk geen definitieve afsluiting. Het raadsel van het leven kan men niet ontsluieren. Men kan er slechts eindeloos mee bezig zijn, zoals men ook met de toekomst eindeloos bezig kan zijn, wellicht een paar puzzelstukjes ervan op de juiste plaats kan aanbrengen, maar toch uiteindelijk slechts met fragmenten ervan in handen zal staan. Nietzsche liet aan zijn zus weten dat hij in gedachten zelfs bezig was met een vijfde en zesde deel van Zarathoestra (waar nooit wat van gekomen is). En in ieder geval had hij deel 4 al in zijn hoofd voordat hij deel 3 schreef.


Van Köselitz, die het manuscript weer schoonschreef, kwam op 25 maart een reaktie: "Zarathoestra is steeds grandiozer; hij is het meest sublieme boek dat bestaat. Je bent de eerste die de combinatie van Rede en Pathos ontdekt heeft (beide zaken altijd door mensen afgewezen als doodsvijanden). Ik kan het me goed indenken dat je met genoegen terugkijkt op dit type, de Zarathoestra die jij inderdaad bijna van top tot teen bent. Ik ben blij dat ik van zo dichtbij getuige mag zijn van zulke grootse gebeurtenissen."


Köselitz geeft met de twee woorden 'Rede en Pathos' precies de kern aan van Nietzsche: een sterk subjektief gekleurde uiteenzetting van filosofische twijfels, kwellingen, overtuigingen en idealen. Het zal de kritische lezer niet moeilijk vallen het onverbloemde pathetische en subjektieve eruit te vissen; de Nietzschekenner Walter Kaufmann stelt in het voorwoord van zijn engelse vertaling zelfs dat Zarathoestra bij tijden leest alsof een tiener zijn opgeblazen lijden in eigen dagboek beschrijft, en is van mening dat Nietzsche zijn boek zoveel beter had kunnen maken door het later nog eens door te lezen en allerlei kaf eruit weg te knippen. Het wekt bij mij enigszins de indruk dat dit woorden zijn die door een geleerde bewust worden uitgesproken om de in de engelstalige wereld onvermijdelijke beschuldiging van idolatrie aan zijn adres voor te zijn door een passage te bedenken die hij als antwoord hierop zou kunnen citeren. Een anders georiënteerde lezer zal dit met klem tegenspreken en juist het tegendeel zeggen te ervaren: Nietzsches Zarathoestra geeft een uniek beeld van de moderne mens, alsof Nietzsche perfect de gedachten en gevoelens van de lezer zelf onder woorden brengt, zeker een lezer die de weg van geloof tot ongeloof bewandeld heeft in zijn leven. Een Nietzsche-lezer beschrijft zijn ervaring in deze mooie bewoording: "Nooit eerder las ik iets dat mijn ziel en diens roerselen zo diep wist te raken. Alsof het op mijn lijf was geschreven zo las ik het weg - en het mij..."
Ikzelf houd van deze man! Ik denk Nietzsches ogenschijnlijke hoogmoedigheid en fel uitgesproken opinies te kunnen begrijpen als de uitspraken van een mens die het meest te lijden heeft in deze wereld, en het meest te dragen heeft op zijn schouders. Het is de uiting van de mens die zichzelf aan de grootse taak die op hem gelegd is langzaam ziet ondergaan, maar zelfs hierbovenuit stijgt door dit te zien als een bijgelegenheid. Zoals Zarathoestra het in II.15 zegt: "Waar is schoonheid? Waar ik met heel mijn wil moet willen, waar ik wil liefhebben en ten onder gaan, opdat een beeld niet slechts beeld blijft. Liefhebben en ten onder gaan: dat gaat sinds eeuwigheden samen."