Een uitleg van Aldus sprak Zarathoestra




Inleiding tot deel IV


Deel 4 is voor mij persoonlijk het meest fascinerende deel van Aldus sprak Zarathoestra. Verre van een afterthought te zijn, een luchtig scherzo als nagerecht op een stevig hoofdmaal, is deel 4 juist het omgekeerde: een uitdagend aangeboden kroon des levens die men slechts op kan zetten wanneer de inleiding -deel 1, 2 en 3- gelezen, begrepen en verteerd is, en men beschikt over de allersterkste mensenbenen om op te staan. Nietzsche begreep dat zijn eigentijdse christelijke lezers hier nooit aan toe zouden komen, en daarom werd zijn laatste deel niet gepubliceerd. Hij liet er op eigen kosten slechts 45 exemplaren van drukken (deel vier werd in de winter van 1885 geschreven, het drukmanuscript was klaar op 12 februari van dat jaar), waarvan hij er een klein aantal weggaf aan enkele uitgelezen personen, met bijgevoegd commentaar dat ze absoluut niet mochten reppen over het bestaan ervan. Op een later tijdstip wilde hij zelfs die enkele exemplaren weer terugkrijgen. In een brief geschreven aan Köselitz op 9 december 1888 schrijft hij:


Beste vriend, ik wil alle exemplaren van het vierde deel van Zarathoestra terug zien te krijgen...Indien ik het later laat publiceren, na enkele tientallen jaren van wereldcrises -oorlogen!- dán zal de tijd er rijp voor zijn. Probeer je eens zo goed mogelijk te herinneren wie er een exemplaar van heeft. Ik herinner me : Lanzky, Widemann, Fuchs, Brandes, waarschijnlijk Overbeck. Heb jij het adres van Widemann? Hoeveel copieën werden er nog maar gedrukt? Hoeveel boeken heb je nog? Het kan zijn dat er ook een paar in Naumburg zijn.


Zijn deel 4 was bestemd voor de verre toekomst die hij met verbluffende scherpzinnigheid voorzag, een toekomst die de maatschappij er rijp voor zou maken en mensen zijn boek eindelijk zou laten begrijpen. Het spreekt voor zich dat ik het leuk vind te spelen met de gedachte dat deze tijd nu gekomen is, en ik de tekst die ik hier neerzet als het bewijs ervoor geef. Ik vind het een buitengewoon inspirerende gedachte dat Nietzsche juist voor de mens van de 21ste eeuw schreef, en mij -de na een intense worsteling zich uit het christelijk geloof bevrijde mens- deel vier ahw hoogst persoonlijk toestuurde.
Deel vier is namelijk in de eerste plaats het meest grondige nawoord op het christelijk geloof. Het is niet voor ingewijden, -zoals men soms hoort zeggen-, maar letterlijk voor 'uitgewijden', mensen die zich na lange worsteling eindelijk geheel aan het christelijk geloof hebben weten te onttrekken. Zij zijn de enigen die de symboliek van het deel zowel kunnen vatten als appreciëren. Dit punt is voor de ex-gelovige pas gekomen wanneer de doodserieuze verbetenheid en grimmigheid achter de rug is, en hij/zij eindelijk met een glimlach op het oude geloof kan terugkijken. Het ezelsfeest, dus het eeuwige I-a van de ezel (de domheid) is de climax van Zarathoestra, niet het Lied van Ja-en-Amen van hoofdstuk III.16. Wie weet lag er aan het niet-publiceren van het werk toch ook een zekere schroom zo overduidelijk als gekscherende antichrist aan het werk te gaan en zag Nietzsche er tegenop een storm van verontwaardiging te moeten doorstaan. Nietzsche noemde zijn vierde deel in een brief aan Köselitz "een sublieme finale in de vorm van een goddelijke blasfemie geschreven in de vrolijke gemoedsgesteldheid van een nar" (cursivering van schrijver dezes). Het latere boek Antichrist is weer de doodserieusheid en grimmigheid ten top, maar juist daarom minder gevaarlijk, minder effectief. Het vierde deel van Zarathoestra voel ik zelf aan als de overtreffende trap van kritiek op alle filosofie en op alle religiositeit. Het is de Antichrist in het kwadraat. Alles wat eerder plechtige Tragedie leek, is uiteindelijk eenvoudig Komedie van de domme mens. De ironie van het leven is dat toen het werk uiteindelijk werd gepubliceerd (in 1892), de eerste lezers echter zo onwetend en onopmerkzaam waren dat ze het slechts met een geeuw begroetten en praktisch alle reacties uitbleven. Er is echter tenminste één uitzondering hierop. In oktober 1892, dus in het jaar dat deel IV van Zarathoestra in het Duits gepubliceerd werd, hield de voorman van de gereformeerden in Nederland, Abraham Kuyper, al een redevoering waarin hij Nietzsche met alle wapenen van de geest die hem ter beschikking stonden aanviel. De citaten die hij in zijn beschouwing aanhaalt laten zien dat hij al op de hoogte was van dit vierde deel van de Zarathoestracyclus. Kuypers woorden laten ook uitstekend zien hoe Nietzsches vierde deel van Zarathoestra het christelijke denken tot op merg en been tartte en choqueerde; Nietzsches grootste aanval op het christendom, De Antichrist, werd namelijk pas in november 1894 gepubliceerd en was aan Abraham Kuyper dus toen nog niet eens bekend:


Ook onze oostelijke naburen bezitten thans hun Multatuli in Nietzsche. Een schrijver, die bij Douwes Dekker niet achterstaat noch in het meeslepende van zijn aforistische stijl, noch in de gedurfdheid van zijn ideeën, noch in het driest-radicale van zijn ongeloof, en die hem in diepte van opvatting en systematische denkkracht zeer verre overtreft. Beider levenspositie verklaart dit. Multatuli was Indisch ambtenaar, Nietzsche te Bazel hoogleraar in de filosofie. Maar overigens vertoont ook beider succes een gelijksoortig karakter; want vooral voor „de aankomende jonge generatie” werd Nietzsche in Duitsland de opgaande zon; ten dele vroeger reeds, maar vooral na het uitkomen van zijn werk: Also sprach Zarathustra. Men verslindt, men citeert, men bewierookt hem. Heine en Feuerbach hebben afgedaan; Schopenhauer verveelt; alles is thans Nietzsche geworden. — Nu is ook deze Duitse Multatuli natuurlijk volstrekt geen vriend van de toongevende kringen op wetenschappelijk en staatkundig gebied. Veeleer steekt hij even dapper de draak met Duitslands professoren en staatslieden, met zijn kunstaanbidders en Mammondienaars, als met de kalot van de priester en het koord van de asceet. In de periode, die we thans doorleven, bespeurt hij niets van vooruitgang; vrij sterk zelfs klaagt hij over achteruitgang; en zijn lang niet mals oordeel luidt, „dat de moderne beschaving al meer daalt; steeds dunner, gestadig zwakker, al middelmatiger is geworden”. Maar toch, hoe schamper hij ook het Liberalisme gispt en hekelt, zijn haat heeft hij voor de Christus bewaard. En dat niet enkel voor de Christus van het dogma, om, gelijk Strauss en Renan, aan de Christus van de Bergrede zijn hulde te bieden; want juist die Bergrede stuit hém het meest tegen de borst. Immers toen het „zalig zijn de armen”, het „zalig zijn de zachtmoedigen”, het „zalig zijn zij die treuren”, langs het strand van het meer van Genesaret weerklonk, brak, zo men Nietzsche geloven wil, in dat wilde roepen „de slavenopstand van de moraal” los, en gaf deze Rabbi van Nazaret slechts lucht, aan „de opgekropte wraakzucht”, die de Joden, te midden van hun onmacht, bewoog, om „met de tanden van de afgrondelijkste haat”, al wat geweldig en hoog op aarde was, onder de voet te halen. Tegenover het Lam dat de zonde der wereld wegneemt, stelt Nietzsche dan ook zijn dier-symbolen; symbolen van roofdieren, uitroepend: „Welaan, u zou mijn dieren eens moeten zien, mijn adelaar en mijn slang” om straks het symbool van het lam, grof, op de volgende manier door de groten der aarde te laten bespotten: „We zijn niet zo boos op jullie, beste lammeren, want niets smaakt zo lekker als een mals lammetje”. En wel erkent hij dat de Christus bijna twee duizend jaren heeft geheerst, maar om, met demonische satire, het verval van zijn macht te belachen in het beeld van een Christus, die, door de mensen verlaten, naar de grazige weide gevlucht is, en nu, door een kudde tamme koeien omringd, zijn spreuk uitloeit: „Zo gij u niet bekeert en wordt als deze koeien, kunt gij in het Koninkrijk der hemelen niet ingaan”.

Desalniettemin heeft ook deze hater van de Christus zijn Messias-ideaal; maar de Messias, waarop hij hoopt, is de Antichrist; een soort Uebermensch, zoals hij hem noemt, die in alles het tegenbeeld van de Christus zal zijn. „En deze Antichrist, deze overwinnaar van God”, die aan de aarde haar doel, aan de mensheid haar hoop zal teruggeven, „hij móet eens komen”. Dus een persoonlijke Antichrist, in levende lijve, over God en zijn Messias triomferend; en de komst van dit menselijk monster wordt niet afgebeden, maar opgeroepen, ja, uit de verte met handgeklap als de dageraad van de eeuwige morgen begroet. Is het niet ontzettend, zo'n rauwe kreet uit de diepte op te vangen als echo op wat de Schrift ons van de Antichrist profeteert? Slechts in één opzicht hapert de parallel. Wat theďstisch bij de apostel geopenbaard is, doemt voor Nietzsche pantheďstisch op, in de weg der Evolutie. Naar de Schrift zal de Antichrist een mens, „de mens der zonde”, een geweldige tyran op aarde zijn; maar voor Nietzsche wordt deze Antichrist „ein Uebermensch”, geëvolueerd uit de gewone mens, die zelf weer uit een Untermensch ontkiemd is. Zijn verschijning zal vrucht zijn van wat sinds eeuwen tegen God strijdt. Immers wat men tot dusver „de boze” noemde is niets anders dan geboren uit „eenzijdige kijk op de wereld”. God alleen, en zijn Christus, stond dusver aan de evolutie van dit hoger wezensoort in de weg. Maar nu heeft dit afgedaan. „Nu echter stierf deze god. Voor U, hogere mensen, was deze god uw grootste gevaar. Slechts nu hij in zijn graf ligt bent u weer opgestaan. Nu komt de grote middag. Pas nu wordt de hogere mens ... Heer”.

Mijne Heren, in een tragisch-profetisch ogenblik ontgleden eens aan de pen van Nietzsche deze woorden: „Maar denk eens na over jezelf, Zarathoestra. Waarlijk, ook jijzelf zou tot een overvloed aan ezelwijsheid kunnen uitgroeien”. En nu . . . sinds drie lange jaren is Nietzsche waanzinnig geworden, ongeneeslijk waanzinnig, en kwijnt hij geestelijk en lichamelijk weg in een staat beneden het menselijke. Of hier een oordeel Gods in ligt? Ik beslis het niet; maar wat ik wel doen mag is, u op Nietzsches verschijning wijzen, als op de noodzakelijke consequentie van de pantheďstische storm, die de levensstroom van onze eeuw voortstuwt. Wie eenmaal goed en kwaad, door Evolutie, genetisch samenverbindt; alleen aan wat werd, d.i. aan de macht, het diadeem van de eer op het voorhoofd drukt; en in de roes van een altoos doorgaand proces zichzelf bedwelmt; die moet wel uitkomen, waar Nietzsche uitkwam. In Nietzsche komt niet één enkel element naar de oppervlakte, dat niet al via logische afleiding uit de premissen van Schelling en Hegel gehaald kan worden. Zou het dan niet argeloos zijn, indien wij, die het lef hebben de naam des Heeren te belijden, op zo'n ontzettend teken des tijds geen acht sloegen, en niet opmerkten, hoe de ontknoping al naderbij komt? Onze strijd moet thans principieel gevoerd. Een pijlschot uit de verte treft niet meer. Voor het spelend schermutselen van onze apologeten snijdt de tegenstelling tussen de grondtoon der Christelijke religie en de grondtoon van onze eeuw te diep in het leven in. Wordt de werking van het pantheďstisch gif niet gestuit, dan moet er een zeer snelle afloop van het water komen. Vandaar de roeping der Christenheid, om, in de hogere denkwereld vooral, zonder sparen tegen dit kwaad op te treden. En al biedt een toespraak, zoals die ik nu voor u uit ga spreken, geen ruimte om dit in al zijn omvang met succes te doen, toch kan het geen kwaad althans op één der vele werkingen van dit gif uw aandacht te vestigen; ik bedoel op de duidelijke neiging die alle Pantheďsme, en zo ook de pantheďstische stemming van onzen tijd verraadt, om op elk gebied des levens de grenslijnen steeds meer te doen verflauwen, en niet te rusten, eer ze, in onze voorstelling althans, zijn uitgewist. [Uit de voordracht: De verflauwing der grenzen, 1892, tekst enigszins gemoderniseerd]


Voor een vrome christen als Abraham Kuyper was de boodschap van Nietzsche overduidelijk, en zag hij zich daarom genoodzaakt de allergrootste tegenstander van Nietzsches denken te worden. Maar vandaag de dag beseft de doorsnee lezer niet meer zo scherp als Kuyper dat dit deel -net als alle voorgaande delen- in de eerste plaats van begin tot eind slechts één hoofdonderwerp heeft: een tot op de bodem afrekenen met het christelijk geloof en daarmee definitief 'uitwissen van de horizon' van alle openbaringsreligiositeit en zogenaamde menselijke wijsheid. Deel 4 is de allerdiepste bodem van Nietzsches denken. Slechts de allersterkste mens kan dit boek verteren. Zoals men weet is men er verzot op in de discussie naar voren te brengen dat zelfs Nietzsches eigen benen niet sterk genoeg bleken, hoewel hij zijn boek met een laatste zin besluit die het tegendeel wil doen geloven: "Hij verliet zijn grot, gloeiend en sterk, als een morgenzon die achter donkere bergen oprijst."


Deel vier is van begin tot eind een symboliek geverfd op een laag symboliek, geverfd op weer een laag symboliek. Het is een onuitputtelijke mijn van metaforen, zinspelingen, verwijzingen en diepere gedachten. Erdoorheen is van begin tot eind een laag humor gewoven. Wellicht is dit de reden waarom zoveel lezers gedacht hebben dat het een niet geheel serieus te nemen nagerecht is, een klucht. Tesamen met al het duister raadselachtige dat het boek opwerpt zijn sommige lezers van Nietzsche er zelfs toe bereid geweest dit deel te bestempelen als het slechtste wat er ooit uit de pen van Nietzsche voortkwam! De humor is echter niet om het lichter te maken, of getuigend van een slechte smaak, gebrek aan inspiratie en verheven gedachten, maar heeft precies het omgekeerde op het oog: het is opzettelijk op het wrede af galgenhumor, zoals de raadselachtigheid van het boek ook opzettelijk zoveel mogelijk lezers weert, namelijk om het lezerspubliek te beperken tot de enkeling die serieus op zoek is, en daarom ook bestand is tegen de werkelijke boodschap: het beseffen van de afgrond. Nietzsche heeft de laatste jaren van zijn schrijvend bestaan steeds sterker de gedachte gehad dat hij niet voor de massa schrijft, maar voor een uitgelezen publiek, de lezers die zichzelf niet ontzien en er de allergrootste moeite voor willen doen hem te begrijpen. Twee jaar na Zarathoestra schreef hij een voorwoord tot Morgenrood, dat eindigt met deze woorden:


Waarom zouden wij wat wij zijn en wat we willen en niet willen zo luid en met zo'n ijver moeten zeggen? Laten wij het koeler, afstandlijker, intelligenter, meer uit de hoogte bezien. Laten we het zo heimelijk zeggen dat het alles en iedereen ontgaat, dat wij alles en iedereen ontgaan! En laten we het vooral langzaam zeggen...Ik en mijn boek zijn vrienden van het lento. Niet voor niets ben ik filoloog geweest, oftewel iemand die het langzame lezen onderwijst, -tenslotte schrijft men ook langzaam. Tegenwoordig maakt het niet alleen deel uit van mijn gewoonte, maar ook van mijn smaak -een boosaardige smaak wellicht?- niets meer te schrijven waardoor niet ieder mens met haast tot wanhoop gedreven wordt. Midden in een tijdperk van haast, van onfatsoenlijke en zwetende overijldheid, die alles zo vlug mogelijk achter de rug wil hebben, ook alle oude en nieuwe boeken, leert filologie ons goed te lezen, dwz langzaam, indringend, omzichtig, voorzichting, met bijgedachten, met opengelaten deuren, met gevoelige vingers en ogen lezen...Mijn geduldige vrienden, dit boek wenst zich uitsluitend volmaakte lezers en filologen: jullie moeten leren mij goed te lezen!


Bovenstaande woorden zijn zeker van toepassing op de lezer van deel vier van Zarathoestra. Ikzelf heb het deel tenminste 12 maal gekauwd en herkauwd "met bijgedachten", en denk een hoop naar boven te kunnen halen wat Nietzsche erin gestopt heeft, maar maak geen aanspraak op volledig begrip, zou zelfs teleurgesteld zijn indien ik alles ontdekt zou hebben en niet later nog voor onverwachte verrassingen zou komen te staan. Hier enkele globale bevindingen:
De lagen van symboliek zijn vooral te zien in de personages die in dit deel de revue passeren. Ze zijn ogenschijnlijk allemaal representanten van 'de hogere mens', mensen die waardig zijn uitgenodigd te worden tot een feestmaal in de grot van Zarathoestra, achtereenvolgens: de Waarzegger, Twee Koningen, De Bloedende Man alias De Gewetensvolle des Geestes, De Tovenaar, de Laatste Paus, De Afstotendste Mens, De Bedelaar uit Vrije Wil en De Schaduw. De personages zijn naar alle waarschijnlijkheid
1) schildering van karakters uit het Nieuwe Testament
2) schildering van aspecten van Nietzsches eigen persoon
3) schildering van Nietzsches tijd en zijn tijdgenoten.
Alles bijelkaar genomen een typologie van het menselijk bestaan in zijn totaliteit.


Wat de boodschap en taal betreft, laat deel 4 weinig gelegenheid meer voor een weerwoord, het is wat het geschrift tot de Antichrist in het kwadraat maakt. Hier enkele voorbeelden van al meer dan een eeuw onovertroffen nietzscheaanse wijsheid en verpletterende kritiek op de religie:


"Schiep Hij de wereld niet naar zijn eigen evenbeeld, namelijk zo dom mogelijk?"

"Eens -het moet in het jaar des Heils één geweest zijn-
Sprak de sibille, dronken zonder een dropje wijn:
'Wee, nu gaat alles mis!
Verval! Verval! Nimmer zonk de wereld zó in duisternis!
Rome verwerd tot hoer en hoerenkot,
Romes Caesar verwerd tot vee, tot jood -werd zelfs God!"

"Zeer wrede Jager!
jouw trotse gevangene,
O rover achter de wolken!
Spreek toch eindelijk!
Wat wil je, struikrover, van mij?
O, door bliksem verhulde! Onbekende! Spreek,
Wat wil je, onbekende god?"
(persiflage op Paulus)

"Het was een verborgen god, vol heimelijkheid. Voorwaar, zelfs aan een zoon kwam hij slechts langs sluipwegen. Aan de poort van zijn geloof staat een echtbreuk."

"Wie hem (=Jezus) als een god van liefde looft, denkt niet hoog genoeg over de liefde zelf. Wilde deze god niet tevens rechter zijn? Doch wie liefheeft, heeft lief aan gene zijde van loon en vergelding."

"Kreeg een onbescheiden man -hij die geen geringe dwaalleer verkondigde, toen hij leerde: "Ik -ben de waarheid"-, ooit een hoffelijker antwoord?"

"Zo wij ons niet veranderen en worden gelijk de koeien, zullen we niet in het koninkrijk der hemelen ingaan. Wij moeten namelijk één ding goed van ze leren: het herkauwen."

"Wat is mij nog gebleven? Een hart dat moe is en driest; een ongedurige wil; trillende vleugels; een gebroken ruggegraat. Dit zoeken naar mijn thuis: o Zarathoestra, besef je dit wel, dit zoeken was mijn bezoeking, het vreet me op. "Waar is mijn thuis?" daarnaar vraag en zoek en zocht ik, ik heb het niet gevonden. O eeuwig overal, o eeuwig nergens, o eeuwig -tevergeefs!"
(persiflage op God en op alle godsgeloof)


Het geschrift mondt daarom uit in het ezelsfeest, een persiflage van de heiligste rite van het christelijk geloof. Het ezelsfeest als het hoogtepunt, de climax van waartoe de zogenaamde 'hogere mens' die met religie blijft spelen in de toekomst in staat zal zijn! Wie in de 19e eeuw zou dit absolute hoogtepunt van heiligschenning, spot en cynisme durven of willen uitgeven? Het antwoord was Nietzsche van begin af aan duidelijk: volstrekt niemand.

Eén reden voor het niet rijp zijn van de tijd en niet begrijpen van de tekst is gelegen in een hoofdgedachte die Nietzsche in deel 4 naar voren brengt: nu Zarathoestra de walging voorbij is, rest er nog slechts één verleiding voor hem, waartegen hij moet vechten, namelijk het gevoel van medelijden. Aangezien medelijden het aspect van het christelijk geloof is dat het diepst in de maatschappij is geworteld, dat de moderne mens dus tot het laatst aan toe blijft aanhangen, zelfs nadat hij al het andere van het geloof al overboord heeft gegooid, had het volgens Nietzsche vele generaties nodig voordat de mens hierbovenuit zal groeien en de leer dat 'de mens overwonnen moet worden' zal kunnen verteren. Na het schrijven van deel 3 schreef Nietzsche een brief aan Malwida von Meysenbug, waarin hij haar schreef dat zijn uitgever haar deel 2 en 3 van de Zarathoestra cyclus zal opsturen. Hij schreef erbij dat het eigenlijk geen presentje is, maar eerder leerboeken zijn, aangezien ze een 'herleren' eisen van veel van de 'meest geliefde en geëerde gevoelens van de moderne mens', vooral met betrekking tot het christelijke gevoel van 'medelijden'. "Wie weet hoeveel generaties voorbij zullen moeten gaan voordat er enige personen zullen zijn die ten volle begrijpen wat ik heb uitgevoerd! En dan is er nog de afschrikwekkende gedachte dat de dag eens zal komen dat volkomen onbekwame en ongeschikte personen zich zullen beroepen op mij. Maar dit is het lot van iedere grote leraar die de mensheid gehad heeft: hij weet dat bij een samenspel van zekere omstandigheden en bepaalde voorvallen hij zowel een katastrofe kan worden voor de mensheid, als ook een zegen."

Nog een reden voor deel 4 is wellicht een zeer persoonlijke. Het zichzelf humoristisch op de korrel nemen is ook het beste wapen waarmee iemand wiens intellectuele kwaliteiten hem over het paard tilt, zichzelf weer gezond op de grond terug kan laten belanden. Hij móest iets verzinnen om zichzelf weer op de gezonde grond te zetten. In een volgende brief aan Malwida von Meysenbug schrijft hij deze megalomane, maar daarom juist ongetwijfeld hemzelf voortdurend te denken gevende woorden:


Mijn taak is immens, maar mijn vastberadenheid tenminste zo groot. Wat ik wil dat spreekt mijn zoon Zarathoestra niet uit. Hij adviseert slechts, of doet het nog omzichtiger: men moet er naar raden...Ik zal de mensheid dwingen beslissingen te nemen die de toekomst van de gehele mensheid zullen bepalen. Het kan gebeuren dat eens gehele millennia hun hoogste eed in mijn naam zullen afleggen.