Psalm 39 van de 21ste eeuw

Ik had mij zó voorgehouden: Ik moet mij beheersen
en mijn tong voor uitvaren tegen de deugdzamen behoeden,
mijn mond met een muilband bedwingen
in een zee van vromen die God bloed laten drinken,
die alle mensen hun hiernamaals opdringen.

En jarenlang zei ik dan ook niets, geen woord,
ik zweeg, maar vond geen verlichting,
ik voelde juist een steeds heviger pijn.
Mijn woorden brandden in mijn binnenste,
bij mijn verzuchtingen laaide een vuur op
en mijn tong begon eindelijk te spreken:

Geef mij weet van het waardevolle van dít leven,
van de overvolle maat van elke levensdag,
laat mij weten dat in ieder heden Gods heerlijkheid is.
U maakte mijn leven maar een handbreed lang,
in vergelijking tot Uw grootsheid is het niets,
en toch is mijn levenspad een diamant,
want ik jaag de sterren na.

Hoeveel meer mag ik nog van U verwachten, God?
U bent mijn levenslust.
Laat mij steeds hoger klimmen,
behoed mij voor de kooi van de vrome gelovige.

Ik zei niets, opende mijn mond niet,
want net zoals tot mij, zult U tot mijn medemens spreken.
Zij zullen vanzelf ophouden mij te kwellen,
hun slagen deren me niet,
hun kromme stok slaat op het niets.
U zegent de mens met een overvloed,
als een regenwoud laat U alles groeien waar de mens naar verlangt,
als Uw diamant is de mens.

Laat ons samen optrekken, God,
laat mij Uw nabijheid smaken,
heb plezier aan mijn vreugde,
want Uw vriend ben ik, bij U te gast
zoals zovele anderen voor mij waren.

Verlos de arme vromen die spreken over uw straffende blik,
dan zal mijn vreugde compleet zijn,
laat het gebeuren voordat ik heenga en niet meer ben.





Psalm 40 van de 21ste eeuw

Vol verlangen heb ik mijn hele leven op God gewacht,
en tenslotte vond ik Haar in mijn eigen hart.
Zij antwoordde mijn verlangen,
Zij trok mij uit de kuil van het heilige boek,
uit de modder, uit het slijk,
en zette me neer op een Finse rots,
een granieten grond onder mijn voeten.

Zij gaf mij nieuwe psalmen in de mond,
een lofzang voor de godin in ieder mens.
Mogen velen het horen en lezen, zich verheugend,
en ook zo vertrouwen op hun godin.

Gelukkig is de mens
die het godgegeven leven liefheeft,
en zich niet keert tot de hoogmoedige gelovigen,
tot hen die verstrikt zijn in talloze leugens,
die het aardse leven en de menselijke heerlijkheid besmeuren.

Zoveel schitterends heb Jij gemaakt,
veel goeds heb Jij voor ons besloten, mijn Vriendin, mijn Godin.
Niemand is te vergelijken met jou!
Zou ik het allemaal willen opnoemen,
het is te veel om op te sommen.

Offers en ascese vraag je niet,
Bloedoffers en kruisoffers verlang je nog minder.
Nee, je hebt mijn ogen geopend zodat ik je eindelijk kan zien
en nu kan ik zeggen: 'Hier ben ik,
het was je om deze mens en deze eeuwige aarde te doen.'
Jouw wil te doen, mijn God, daar verlang ik naar,
diep in mij koester ik jouw gedachten.

In wereldwijd gezelschap,
spreek ik over jouw heerlijkheid,
ik houd mijn lippen niet meer gesloten,
jij weet het God.
Ik zwijg niet over jouw goedheid,
maar getuig van jouw vriendschap en hulp.
Onder mijn medemensen verheel ik niet,
hoe liefdevol, hoe trouw jij bent.

Als de zon die iedere dag opgaat,
neem jij ons altijd in je armen,
jouw liefde en jouw trouw
zullen steeds mijn metgezellen zijn.

Ook nu religieuze rampen ons omringen,
talloos vele,
nu de boekgodsdiensten de vrije mens achtervolgen
en men aan religieus geweld geen eind meer ziet komen,
nu de gelovige fanatiekelingen talrijker worden dan de haren op mijn hoofd
en menigeen het geloof in de toekomst is ontzonken.

Wil uitkomst brengen, God,
schenk ons mensen wijsheid.

Laat beschaamd worden
wie anderen naar het leven staan,
met schande terugwijken
wie ons ongeluk zoeken,
laat tot bezinning komen
wie de spot met de vrije wereld drijven.

Wie bij de God van het hoogste menszijn zijn geluk zoekt
zal lachen en vrolijk zijn.
Wie op hoogwaardig denken zijn vertrouwen stelt
zal steeds weer zeggen:
wat een prachtig geschenk is het leven!

Ik voel me klein en zwak,
God, denk aan mij.
Jij bent mijn helper, mijn inspiratie,
mijn God, laat je ook zo aan ieder ander zien.





Psalm 51 van de 21ste eeuw

Wees mij genadig, mijn trouwe geweten,
je bent altijd vol erbarmen voor anderen geweest,
wees nu mijn daden genadig,
maak mij ooit weer heel,
reinig mijn leven van al het vuil dat eraan kleeft.

Ik ken mijn wandaden maar al te goed,
ik ben mij altijd van mijn misstappen bewust,
tegen jou alleen heb ik gezondigd,
ik heb gedaan wat slecht is in jouw ogen.

Laat je uitspraak rechtvaardig zijn,
en je oordeel zuiver.
Ik was eens onschuldig als een kind,
maar het leven maakte mij wijs en onwijs.
Maar jij leerde altijd slechts wijsheid,
diep in mijn hart.

Geef mij nu kracht het goede te doen en ik word rein,
laat mij door liefhebben gewassen worden,
laat mij weer vreugde en blijdschap herkennen.
Je hebt mij volkomen gebroken,
laat mij nu ook tot de hemel juichen.
Sluit je ogen nooit voor mijn zonden,
maar doe mijn schuld altijd teniet.

O, diepste geest in mij, schep mij een zuiver geweten,
vernieuw jezelf elke dag, maak mij standvastig,
laat mij je nooit aan de kant zetten,
laat mijn diepste stem altijd heilig voor me zijn.
daaraan trek ik me op,
dat schenkt mij de vreugde van vroeger,
de kracht van de sterke geest.

Ik zal verdwaalden nooit de les leren,
hun geweten zal zondaars doen terugkeren tot hun diepste geest.
Zoals mijn geweten ook mij redt,
mij bevrijdt van de dodelijke depressie.
Ik zal juichen om het kind in mij,
nieuwe psalmen dichten,
tot lof van het leven.

God, U wilt van niemand offerdieren,
in kruisoffers schept U geen behagen.
Het offer voor God is een gebroken geest;
een gebroken en verbrijzeld hart
zult U nooit verachten.

Wees gewetensvolle mensen welgezind,
schenk hen diepe zielsrust,
bouw hun geweten met Uw Geest op.
Dan zal de aarde juichen,
mensen het leven loven.





Psalm 73 van de 21ste eeuw

[Asaf komt tot inkeer]

Ik dacht: God is altijd goed geweest voor mij
voor mij en ieder ander die het juiste geloof aanhangt!
Ik hoedde me nauwlettend voor misstappen,
ieder sprankje twijfel sloeg ik de kop in,
iedere opstandige gedachte snoeide ik meteen.

Maar ik keek toch stiekem met afgunst naar de vrijen van geest,
ik benijdde het geluk van hen die gewoon zichzelf konden zijn.
Tot hun dood leefden ze een vredig en opgewekt bestaan,
met technieken die ze uitvonden vulden ze hun buik
beter dan ik het met bidden kon.
Voor iedere aardse kwelling vonden ze een oplossing,
om het lijden van anderen te verzachten
vertrouwden ze eenvoudig op de technieken van de toekomst.

De menselijke rede was hun halssieraad,
wetenschap hun pronkmantel.
Hun huis was vol comfort en luxe,
hun kennis en ontwikkeldheid hun trotse eer.

Ze spotten met mij, beschuldigden mij van armetierig bijgeloof,
ze lieten me voortdurend de vruchten zien van mijn verleden,
ze zeiden zelfs andere planeten eens te zullen bereiken;
hun onderzoek strekte zich uit tot alles op aarde en daarbuiten.

Massa's mensen lopen nu achter hen aan,
ze drinken hun woorden als water,
en zeggen: 'Hoe zou een woestijngod iets weten?
Heeft hij soms penicilline uitgevonden?'
Zo zijn deze moderne mensen ten voeten uit,
ze zetten deze gehele wereld naar hun zinnen,
verrijken zich altoos, onverstoorbaar.

Ja, vergeefs hield ik mij aan de zuivere godsdienst,
vergeefs waste ik mijn handen in onschuld!
Ik word om mijn hardleersheid en onbuigzaamheid gestraft,
dag aan dag,
vanwege mijn slaafse overgave aan dogma en gehoorzaamheid geslagen,
elke morgen weer.

Lange tijd dacht ik: 'Maar zou ik spreken als zij,
dan pleegde ik verraad aan Gods kinderen!
Dus bleef ik maar jarenlang nadenken, ik wilde weten hoe het zit,
dit was een vraag die mij dag en nacht kwelde.

Totdat ik mijn eigen godsdienst recht in de ogen keek,
en mijn onvruchtbaar leven en armoedig denken opmerkte.
Ik zag eindelijk mijn hoogmoed in,
mijn angsten,
mijn gebrek aan vertrouwen,
mijn zucht tot veroordelen,
mijn zelfingenomenheid,
mijn eigen arrogantie spreekbuis voor God te zijn.
Mijn leven was een verschrikking,
mijn godsdienst werd tot een nachtmerrie nadat ik ontwaakte.
U, God, verjaagde al deze spookbeelden
als beelden uit een benauwende droom.

Zolang ik verbitterd was over de wereld en mijn medemens,
gekwetst van binnen,
dom en dwaas,
diende ik U als een redeloos dier.

Maar nu weet ik mij, en ieder ander, een deel van U,
U houdt allen en alles in Uw hand,
U leidt allen en alles volgens Uw plan.
Ik leg het heilige boek voorgoed naast mij neer,
en mag eindelijk gewoon mijzelf zijn,
en wanneer U mij wegneemt, ontvangt U mij als een kostbare schat.

Wie buiten de God van het heelal kan ons bestaan vervullen?
Naast U is er niets in ons bestaan.
Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam,
de rots van mijn bestaan, al wat ik heb, is God,
nu en altijd.

Er is niemand die voor eeuwig ver van U blijft,
niemand die voor eeuwig omkomt.
Bij God zijn is ieders verlangen,
toevlucht bij God zal eenieder gegeven worden,
hiervan zal ik de rest van mijn leven verhalen.





Psalm 78 van de 21ste eeuw

Luister, medemensen, naar wat ik te vertellen heb,
lees mij aandachtig.
Ik open mijn mond voor een wijze les,
hoewel ik uitspreek wat vele anderen voor mij hebben uitgesproken.
Want velen hebben de boodschap gehoord, velen weten hoe het is,
want wij zijn allen ondergedompeld geweest in hetzelfde doopwater.

Maar ik wil het de mensen na mij toch niet onthouden,
ik zal het aan komende geslachten vertellen,
hoe de openbaringsgodsdiensten onze gedachten knevelden en knelden,
hoe ze met hun wonderverhalen van God een spook maakten.

God daalde niet neer op de Sinaď,
Híj was het niet die een wet afkondigde.
Onze voorouders waren verstrikt in een al te menselijk systeem,
valselijk maakten ze van hun kinderen dienaren van het verleden.
Laat onze kinderen hieruit leren hoe ze het niet moeten doen,
laat ze dáárom de daden en leringen van hun voorouders nooit vergeten.

Laten ze deze psalm lezen om zich te richten op betere dingen.
Laat ze nooit zijn zoals hun voorouders,
een slaafs gehoorzaam en bijgelovig geslacht,
onbuigzaam en star in hun hart en geest,
een geslacht dat zonder met hun ogen te knipperen,
alles over God dacht te weten.

Mannen van het uitverkoren volk,
bewapend met lans, geweer en bijbel,
trokken overal naartoe voor hun zogenaamde geestelijke strijd.
Zij hielden zich nooit aan hun eigen leringen,
ze weigerden inzicht en wijsheid op te doen.
Het was hun verboden hun eigen rede te eren,
hoewel God ze die zelf gegeven had.

In de bijbel lazen ze hoe God wonderen verrichtte,
Hij kon van alles onbenulligs,
Hij interesseerde zich voor de meest kleinzieligste zaken,
zelfs de belletjes aan de zoom van een priestergewaad
waren hoogstpersoonlijk door Hem ontworpen.

In hun arrogantie dachten ze zich door God geleid,
via het waandenken van de bijbel en hun gebeden overdags,
via hun angstdromen en visioenen 's nachts.
Men geloofde in wonderen, krachten, hemelse brabbeltaal,
in demonen, visioenen en wonderbaarlijke verschijningen.

Maar ze bleven wormen,
ze bleven leven in een woestenij.
Met opzet verduisterden ze
de glorie van God en de mens.

Ze beledigden God
en zeiden: 'God zal iedereen verdoemen,
die niet gelooft in ons zoenoffer.'
Terwijl de grootsheid van het universum
hun de waarheid over God in het gezicht schreeuwde,
hield hun god zich slechts met hun welbehagen bezig,
en predikten ze 2000 jaar de verschrikkelijke Dag van de Afrekening.

Toen God dit maar altoos moest aanhoren,
heeft Hij ze in hun miezerigheid laten zitten,
want het was hun nooit te doen geweest om de waarheid;
slechts de voortgang en macht van hun geloof was voor hen heilig.

God gaf dappere mensen inzicht en kennis,
de deuren van de hemel gingen open,
de wereld die ons oog niet zag, ontvouwde zich.
Als een stormwind bladerde de wetenschap hun bijbel door,
als regen viel nieuwe kennis op woestijngodsdiensten.
In plaats van een Koran schonk Hij ons koren uit de hemel,
verlichte mensen aten brood met engelen,
en kregen eindelijk voedsel dat verzadigde.

Maar hoeveel ze ook voorgeschoteld kregen,
de boekgelovigen trokken hun neus ervoor op,
zij grepen de nieuwe kennis het liefst bij de keel,
en brachten het liefst de grootste wijzen om.

Ze bleven liever bij hun bijgeloof,
op God durfden ze niet te vertrouwen.
Tijdens hun leven predikten ze altoos het einde,
en wanneer hun einde kwam, sprak hun gelaat angst en beven,
op hun sterfbed vreesden ze hun schepper het meest.

Zodra het al te bont werd, veranderden zij hun leringen,
sommigen kwamen tot inkeer en verlangden naar beter,
sommigen zagen in dat God de rots in hun binnenste was,
God, de Allerhoogste, de bevrijder van elk heilig boek.

Maar velen gingen door met zichzelf te bedriegen,
met hun tong stuurden zij onophoudelijk leugens de wereld in,
hun hart zocht nooit het hoogste,
hun eigen geest waren ze nooit trouw.

Uit erbarmen had God medelijden met hen,
Hij wilde geen dood en verderf,
nooit was Hij vertoornd,
nooit dreigde Hij met vuur van zijn woede.
Natuurlijk wist Hij dat ze slechts mensen waren,
mensen die een paar keer ademen en dan uitdoven.

Wanneer zal de mens inzien dat men God helemaal niet tergen kan?
Wanneer zal men leren dat mensen hun eigen dorre landschappen scheppen?
Hoe lang nog vecht de mens tegen zichzelf,
krenkt hij de godgegeven Geest in hem?

Zij dachten niet aan opbouwen van de aarde,
zij hadden geen waardering voor het godsgeschenk dat menselijke kennis is.
De pest werd overwonnen:
'Geen zorg, we hebben inmiddels AIDS als Gods straf'.
Kinderen groeien in gezondheid op:
'Alles blijft bij hetzelfde', roepen ze uit.
Hij bracht ons tot weelde en overvloed:
'Zonde en ijdelheid!' kwam uit hun mond.
Heksen en demonen verdwenen als sneeuw voor de zon;
maar ja, dat is wel het allerlaatste
dat deze goedgelovigen zullen geloven.

Zij bleven in godsverduistering leven,
hielden zich slechts bezig met gij zult en gij zult niet,
ze gingen onverstoorbaar door zoals hun voorouders het deden,
en faalden zoals zij, als een geweer met een kromme loop.
Ze onteerden God met hun bloedofferverhalen,
met hun afgodsboeken maakten ze God ten schande.

Toen God dit zag liet Hij zich aan anderen zien,
Hij wierp de boekgodsdiensten ver van zich af.
Hij gaf kerk en moskee op,
om zich nooit weer in een gebouw te laten zien.

Hij liet zijn volk gaarkoken in hun zoutloze soep,
leverde zijn sieraad uit aan de godmoordenaar met de hamer,
Hij liet intelligente bijbelkenners eindeloos hun tijd verspillen,
stilzittende gelovigen hun koranverzen en avemaria's prevelen,
Hij liet ze hun kinderen tuchtigen,
hun vrouwen onderdrukken.

Gelovigen werden spreekwoordelijk voor hardleerse mensen,
hun jonge vrouwen spreekwoordelijk voor onvrouwelijk,
hun priesters spreekwoordelijk voor middeleeuwers,
hun weduwen sloten zich stil verdrietig op.

God ontwaakte als uit een slaap,
als een strijder uit de roes van de wijn.
Hij veegde de vloer aan met de boekgodsdiensten,
bedekte hen met eeuwige smaad.

Nooit woonde Hij in de tent van de tentenmaker uit Tarsus,
het volk Israël koos Hij nooit voor zichzelf.
Nee, in ieder mens heeft Hij Zijn woning,
ieder mens krijgt als geboorterecht Zijn liefde.
In de geest van de mens heeft Hij Zijn heiligdom,
de mens zal alles opbouwen zo hoog als de hemel,
en in zijn hart God bewaren voor eeuwig.

De keuze valt op iedereen die mens durft te zijn,
God roept iedereen weg van de kudde schapen,
om zelf zijn eigen bijbel te zijn.
God haalt een ieder weg uit zijn volk,
om herder te zijn over de aarde.
Een ieder met een zuiver hart:
laat u leiden door de vaste hand van God,
om zelf een hemel te zijn boven alle dingen.





Psalm 79 van de 21ste eeuw

God, woestijnvolken hebben op de mens beslag gelegd,
het heilige menszijn geschonden,
en godsdienst in puin veranderd.
De lijken van denkers wilden ze op de mesthoop slingeren,
als schrikbeeld voor hen die nog iets van zelfwaarde hadden.
Het stempel 'Geďnfekteerd met ziekte'
zetten ze op de kost van wijzen.

Hun bloed ging eeuwenlang in rook op,
op het plein voor hun kerk,
er was niemand die hen begroef,
gehoond werden andersdenkenden door hun naburen,
beschimpt en bespot todat ze de wijk namen.

Hoe lang nog, God!
Zijn mensen voor eeuwig zo dom
om zichzelf te haten om U een plezier te doen?
Stort inzicht en kennis uit over hen die u denken te kennen,
over koninkrijken die Uw naam op munten en vlaggen drukken,
want zij hebben godsdienst verslonden,
en zijn woonplaats verwoest.

Reken hen de zonden van vroeger niet aan,
toon erbarmen, en haast U, want hun ellende is groot,
help deze wereld God,
bevrijd ons van het slavenjuk van heilige teksten,
tot eer van Uw roemrijke naam.
Geef ons onszelf weer terug, omwille van Uw naam.

Waarom mogen de boekgodsdiensten zeggen:
'Alleen wij spreken over God.'
Laat ze weten dat Hij 2000 geleden al spoedig weer zou komen,
laat ze weten dat onschuldig bloed nooit dient te worden gewroken,
Laat het zuchten van godsdienstig geknecht volk eindelijk hun eigen oren bereiken,
en laat ze eindelijk inzien: machtig is de geest van de mens!
God, blaas leven in de geest die ten dode is gedoemd!

God, zegen deze verstrikte mensen rondom mij zevenvoudig met wijsheid,
om ze eindelijk te bevrijden uit hun zelfgemaakte knellende banden.
Ook zij zijn Uw volk, ook zij willen groeien.
Ze zullen U prijzen in eeuwigheid,
van geslacht op geslacht verhalen van de God die in hen leeft.