Psalm 151
Een psalm van Nietzsche

[Op de wijs van Zo sprak de 21ste eeuw]

Groot aan de mens is dat hij een brug is en geen doel:
te beminnen aan de mens is dat hij een overgang is en een ondergang.

Hen heb ik lief
die niet weten te leven,
tenzij als onder-gaanden,
want dit zijn de over-gaanden.

De grote verachters heb ik lief,
want zij zijn de grote vereerders
en pijlen van verlangen naar de andere oever.

Hen heb ik lief
die niet eerst achter de sterren een grond zoeken om onder te gaan en offer te zijn:
maar die zich aan de aarde offeren, opdat de aarde eens toebehoort aan de Bovenmens.

Hem heb ik lief
die leeft om tot inzicht te komen
en die tot inzicht komt opdat eens de Bovenmens zal leven.
En zo wil hij zijn ondergang.

Hem heb ik lief
die werkt en uitvindt opdat hij de Bovenmens het huis bouwt
en hem aarde, dier en plant toebereidt:
want zo wil hij zijn ondergang.

Hem heb ik lief
die zijn deugt liefheeft:
want deugd is de wil tot ondergang en een pijl van verlangen.

Hem heb ik lief
die niet een druppel geest voor zichzelf achterhoudt,
maar heel de geest van zijn deugd wil zijn:
zo schreidt hij als geest over de brug.

Hem heb ik lief
die van zijn deugd zijn neiging en noodlot maakt:
zo wil hij terwille van zijn deugd nog leven en niet meer leven.

Hem heb ik lief die niet teveel deugden wil hebben.
En deugd is meer deugd dan twee,
omdat zij een vastere knoop is waaraan het noodlot zich hecht.

Hem heb ik lief
wiens ziel zich verkwist,
die geen dank wenst en haar ook niet geeft:
want hij schenkt altijd en zoekt nooit zijn eigen behoud.

Hem heb ik lief
die zich schaamt wanneer de dobbelsteen gunstig voor hem valt,
en zich dan vraagt: ben ik soms een valsspeler?
Want hij wil ten gronde gaan.

Hem heb ik lief die altijd gulden woorden aan zijn daden vooruit werpt,
en altijd nog meer nakomt dan hij belooft:
want hij wil zijn ondergang.

Hem heb ik lief
die de toekomstigen rechtvaardigt en de verledenen verlost:
want hij wil aan de tegenwoordigen te gronde gaan.

Hem heb ik lief
die zijn God kastijdt omdat hij zijn God liefheeft:
want hij moet aan de toorn van zijn God te gronde gaan.

Hem heb ik lief
wiens ziel diep is, ook in de verwonding,
en die aan een klein gebeuren te gronde kan gaan:
zo gaat hij beslist over de brug.

Hem heb ik lief
wiens ziel overvol is,
zodat hij zichzelf vergeet en alle dingen in hem zijn:
zo worden alle dingen zijn ondergang.

Hem heb ik lief
die vrij van geest en vrij van hart is:
zo is zijn hoofd enkel het ingewand van zijn hart,
en zijn hart drijft hem tot de ondergang.

Allen heb ik lief
die als zware druppels zijn,
n voor n vallend uit de donkere wolk die boven de mensen hangt:
zij verkondigen dat de bliksem komt, en gaan als verkondigers te gronde.





Hun uur komt!
En ook het mijne komt!
Met het uur worden zij kleiner,
armetieriger,
onvruchtbaarder.
En spoedig zullen ze erbij staan als dor gras en steppe,
en voorwaar!, zichzelf beu;
En meer nog dan naar water, smachtend naar vuur!
O gezegend uur des bliksems!
O geheimenis vr de middag!

Een lopend vuur ben ik,
een verkondiger met vlammende tong:
hij komt,
hij is nabij,
de grote middag!