1. De wijsheid van C.S.Lewis en Bertrand Russell



De bron van het hoogste weten

Ieder hoofdstuk van Ouweneel is voorzien van een aanvangscitaat om te overdenken. Ik heb dat ook gedaan in mijn e-boek Volwassen Geloof. Ik houd dus wel van deze opzet. EÚn geslaagde opmerking is vaak beter dan een hoofdstuk lang preken. Ik zal ze daarom aandachtig stuk voor stuk overdenken. De eerste waarmee ik begroet word is van C.S. Lewis:


Ik vraag niemand het christendom te aanvaarden als zijn beste redenatie hem vertelt dat het gewicht van de aanwijzingen ertegen is.


Dit is aardig van Lewis, maar zou hij in ernst het omgekeerde hebben kunnen zeggen? Kan men ook maar iets nietszeggender verzinnen? Mij schiet overigens meteen Bertrand Russell te binnen die op de hypothetische vraag wat hij tegen God zou zeggen om zijn ongeloof uit te leggen als hij na z'n dood voor God zou moeten verschijnen: "Not enough evidence, sir, not enough evidence". Het traditionele christendom -evenals Lewis zelf die van het denkbeeld van de hel geen afstand deed ("Ik geloof zeker dat de vervloekten, om zo te zeggen Ĺsuccesvolle rebellenĺ zijn, die blijven waar ze willen zijn. Ieder die in de hel is heeft er zelf voor gekozen")- laat zo'n man als Russell vervolgens voor eeuwig verdoemd worden. Ik kan me geen grotesker religieus geloof voorstellen. Vele christenen ook niet, en men zit in modernere tijden dan ook flink te sleutelen om iedereen met een beetje fatsoen toch maar de hemel in te laten gaan. Misschien snijdt Ouweneel deze zaak nog later aan en werpt hij op deze helse kwestie wat licht dat mij ontging, maar vooralsnog geeft dit citaat mij enkel een onoplosbaar dilemma. Wat wil deze Hij-God toch met mensen? Waarom doet Hij zo zijn best om de allergrootste denkers op aarde naar de verdoemenis te laten gaan en heeft Hij zo'n voorliefde voor een spelletje "geloof je de meest onwaarschijnlijke zaken of ben je zo'n vermaledijde scepticus?" Wat heeft Hij toch tegen sceptici?


Het is veelzeggend dat Ouweneel zijn inleiding begint door erop te wijzen dat in de oudheid kennis en wijsheid verbonden werd aan het 'visionaire schouwen'. Weten is oorspronkelijk 'zien', zoals het nog te zien is in het latijnse video en het sanskriete Veda, merkt Ouweneel op. Men was dus onder de indruk van 'zieners' die over 'hogere kennis' beschikten. Ouweneel laat achterwege te zeggen dat het 'visionaire zien' opgewekt kan worden door afwijkingen en ongezonde toestanden zoals epileptie, psychoses of ontberingen zoals bittere kou of slapeloosheid (en ÚÚn waar de religie dol op is: vasten), of eenvoudig via het gebruik van hallucinerende middelen, zoals men in allerlei culturen en religies kan zien, van het antieke Egypte waar opium al bekend was tot aan Lapse en Siberische sjamanen en indianen uit onze tijd in het Amazonegebied. Ik voeg aan dit 'weten' van Ouweneel bovendien nog de engelse termen witch en wicca toe, gebaseerd op dezelfde stam voor 'weten', om hem te laten zien dat het oeroude weten ook gelijk staat aan tovenarij, 'beschikken over hoger kunnen', en je met deze oudste benadering van kennis en wijsheid dus niet alleen bij de veda's en joods-christelijke openbaringen uitkomt, maar bij de magie en al het mythische, subjectieve, primitieve en bijgelovige met behulp waarvan de mens zijn angstig bestaan in een vijandige wereld in onweten van alles doorbracht en nog angstiger en grilliger maakte dan ze al was. En nu hebben we hier dus een wetenschapper die een goed woordje voor ze doet, en ze prefereert boven wetenschappelijke kennis! Holy cow!


Ouweneel contrasteert deze weg van het verkrijgen van kennis namelijk met wat wij vandaag de dag 'wetenschap' noemen, uitgevonden door de antieke Grieken. "Het was de grote winst dat bepaalde wezenlijke vragen omtrent onze werkelijkheid puur intellectueel benaderd gingen worden, en niet langer met een onkritisch beroep op ÚÚn of andere mythische wereld." Maar wat is deze winst anders dan lipservice indien hij in de volgende zin vervolgt met: "Maar tegelijk bestond daarbij het gevaar dat die ßndere oeroude benadering, het weten door te 'zien' - joden en christenen zouden dit noemen: weten op grond van openbaring - verloren zou gaan of op z'n minst van lager allooi beschouwd zou worden." Er is helemaal geen winst indien men wÚl intellectueel bezig wil zijn, maar tegelijkertijd het 'visionaire zien' van de religieuze mens als 'ontvangen van kennis via openbaring van God' blijft beschouwen. Het visionaire zien kan namelijk veel beter uitgelegd worden als voortkomend uit de mens zelf, en er zijn geen dwingende redenen die ons voor het alternatief, een zich openbarende God, laat kiezen. Hetzelfde geldt voor het 'hogere kunnen', de magie, waarmee alle religies gewerkt hebben en nog steeds werken. Indien de wetenschap ze kan herleiden tot verklaarbare werkingen in de natuur of ontmaskert als illusies dan valt God en het bovennatuurlijke eenvoudig weg. Het intellect ontmaskert alles in de religie. Uit de mond van een klein meisje werd ooit dit gehoord: "Godsdienst is je vertrouwen stellen op iets waarvan je weet dat het niet waar is".
Om te beginnen zegt de rede bijvoorbeeld dit: Indien een God een werkwijze heeft zich enkel aan 'begenadigde uitverkorenen' te openbaren, is het al meteen duidelijk dat dit een niet erg ontwikkelde vorm van communiceren is met de mensheid. Een openbaring aan iemand kan namelijk onmogelijk een openbaring zijn voor iemand anders die die openbaring niet gehad heeft, en kan dus onmogelijk een goddelijke werkwijze zijn. Het feit dat de wereld vol zit met verschillende zogenaamde goddelijke openbaringen, die elkaar vaak diametraal tegenspreken, bevestigt dit.


Ouweneel schenkt geen aandacht aan dit soort doodeenvoudige, maar fundamentele gedachtengangen, maar vertrekt halsstarrig en hals over kop vanuit een vooraf ingenomen standpunt dat de zie-erfenis van de joods-christelijke cultuur een belangrijker wijsheid aanreikt dan alle theoretisch-wetenschappelijke kennis:


Ware wijsheid wordt ons door God geschonken. De wetenschappelijke benadering van de werkelijkheid is door de mens uitgevonden.


Hoe naief! Iemand die een beetje bekend is met wat doorgaat voor de goddelijke openbaring, hoeft maar een paar woorden in de wet van Mozes te lezen om te zien dat "de goddelijke wijsheid" door en door menselijk en veelal volkomen onbenullig is:


Niet-geschubde zeedieren mag je niet eten!
Draag geen kleren van tweeŰrlei stof!
Hak geen vruchtbomen om bij het belegeren van een vijandelijke stad!
Roei het zaad van Amalek uit!
Stenig de persoon die hout sprokkelt op de sabbat!
Er moeten in de ontmoetingstent altijd lampen branden! Dit voorschrift blijft voor de IsraŰlieten voor altijd van kracht, voor alle komende generaties!
Maak een borsttas voor de orakelstenen!
Weef een tuniek en een tulband van fijn linnen garen, en maak een vakkundig geborduurde gordel voor de priester!
Strijk wat bloed van de geslachte ram aan de rechteroorlel van de priester en op de grote teen van de rechtervoet!
Als je onder de IsraŰlieten een telling houdt, moeten allen die geregistreerd worden Jahweh een halve sjekel losgeld betalen voor hun leven, om te voorkomen dat de telling hun noodlottig wordt!
Als twee mannen aan het vechten zijn en de vrouw van ÚÚn van hen mengt zich erin om haar man te helpen en grijpt de ander bij zijn schaamdelen, dan moet zonder pardon haar hand worden afgehakt!
Een vrouw mag geen kleren en attributen van een man dragen en een man mag geen vrouwenkleren dragen!
Als u ten strijde trekt tegen de vijand en u stuit op een overmacht, wees dan niet bang, want Jahweh, uw God, staat u bij! Hij schenkt u de overwinning!
Aan de vier hoeken van het kleed dat u draagt moet u kwastjes maken!
Wanneer een profeet of dromenuitlegger iets voorspelt dat vervolgens uitkomt, en hij verbindt daaraan een oproep om andere, u onbekende goden te volgen en te dienen - luister dan niet naar hem. Want Jahweh, uw God, wil u daarmee op de proef stellen, om te zien of u hem wel met hart en ziel liefheeft!


Let wel, bovenstaande woorden zijn direkt van een God afkomstig en via openbaring verkregen! Ze worden, tesamen met nog duizend andere zaken die men in de "door God geschonken ware wijsheid" kan aantreffen, ons hier dus zonder met de ogen te knipperen al op de eerste bladzijden aangeboden als wijsheid die onze prioriteit moet hebben. En dit wordt vervolgens gecontrasteerd met de wetenschap, waarvan Ouweneel dit opmerkt:


De vraag is zelfs gerechtvaardigd of de wetenschap Řberhaupt enige waarheid in eigenlijke zin oplevert. Wetenschappelijke waarheden blijken telkens weer slechts tijdelijke geldigheid te bezitten.


Vreemd, vreemd. Hoe kan iemand in de 21ste eeuw die door en door bekend is met wetenschap Ún met de inhoud van de bijbel op zo'n bizarre zienswijze uitkomen? Wat is tijdelijker en menselijker gebleken dan die bijbelse denkwereld? En wat is er mooier aan de wetenschap dan haar eigenschap dat ze zich bij meer informatie en inzicht eenvoudig laat corrigeren? Hoezeer heeft de religie de mensheid alle eeuwen in duisternis, onwetendheid en angst voor machten gehouden, en hoezeer hebben slechts vier, vijf eeuwen wetenschappelijk denken de wereld een totaal ander aanzien gegeven, het mensenleven op talloze manieren verbeterd en verlengd, ons zicht op het universum oneindig maal vergroot? Ouweneel besluit zijn eerste overdenking met deze gedachte: "Het is mijn doel en mijn hoop u bij de hand te mogen nemen en door het dorenwoud van de wetenschap bij het kasteel van de waarheid uit te komen." Ik kan me geen onmogelijker taak voorstellen, en ik laat me meer bij m'n hand nemen om te zien tot welke bizarre gedachtenkronkels een mens in staat is dan om ooit intrek in zijn middeleeuws kasteel te nemen.



Verschillende zienswijzen over God

Ouweneel begint vervolgens wat 'terminologisch hakwerk' te verrichten. Hij legt uit dat dit boek eigenlijk The´stisch manifest had moeten heten, maar uit vrees dat een boek met deze titel niet begrepen zou worden en op de boekenplank zou blijven liggen heeft hij daar van afgezien. Ik vraag me af in wat voor kringen je je gehele leven moet hebben doorgebracht om zo'n opinie over het grote publiek te hebben. Ouweneel is dus een the´st, en hij wordt nog wat preciezer: hij is een monothe´st, en geen polythe´st, hij gelooft in een persoonlijke God en niet in een onpersoonlijke godheid, en hij gelooft in de God van de bijbel, en niet van de koran, en hij gelooft inclusief het Nieuwe Testament, dus niet alleen in het Oude Testament. Dat is nogal wat! Je geloof zo nauw omschrijven is een beetje als een poging God zo klein mogelijk te maken, zou ik meteen willen opmerken. Het kan zelfs nog preciezer omschreven worden: Ouweneel gelooft in een God die zowel immanent is (dwz in de wereld werkende) als transcendent (er buiten of boven staand). Ik probeer me even zo'n God voor te stellen. Hij is dus een beetje als de mens die van buiten naar zijn eigen gebouwde en ingerichte aquarium kijkt en ÚÚn keer per maand met 'de hand van God' wat opruimt, oppoetst en water ververst.


Ouweneel gaat vervolgens allerlei godsbeelden in vogelvlucht voorbij. Hij laat polythe´sme voor het gemak maar even achterwege. Waarom als ik vragen mag? Indien er al goede redenen zijn voor the´sme, is het polythe´sme nog zo gek niet. Dat zou het probleem van een onvolmaakte wereld, duizend-en-ÚÚn godsdiensten, het lijden van de mens, tegengestelde krachten en allerlei verschillende kijken op het leven een stuk beter kunnen verklaren dan het monothe´sme.

Ouweneel zegt dat er een glijdende schaal is in Godsbeelden:
1.Het The´sme, zie hierboven al uiteengezet.

2-Het De´sme. Dit is de opvatting van voornamelijk 18e eeuwers, men noemt ze 'Verlichtingsfilosofen'. Met de toename van rationele kennis viel de christelijke God op talloze manieren door de mand. In een cultuur waar het christelijk geloof 1500 jaar lang een monopolie had was het echter onmogelijk om meteen op athe´sme uit te komen. Men had bovendien nog niet het alternatief dat Darwin 100 jaar later pas aanreikte, en moest dus geheel uit rationele overwegingen blijven vasthouden aan de Ontwerper God. Men nam echter afstand van de immanente God, aangezien men zoals Laplace uitlegde aan Napoleon "zo'n hypothese niet meer nodig had om alles uit te leggen". Ouweneel legt het De´sme uit alsof het om mensen gaat die geen 'last' meer wilden hebben van God. Dit is echter beslist geen onpartijdigde waarneming. Eenieder die bijvoorbeeld Het Tijdperk van de Rede van Paine leest, wellicht het meest gelezen de´stische geschrift, zal opmerken dat deze gedachte volkomen afwezig is en het om iets geheel anders ging: hij zag de God van de bijbel als de hoogste godslastering, als de verduistering van religie tot een schadelijke instelling. Hij zag de christelijke godsdienst als schandelijk bijgeloof en tirannie, en De´sme als een terugkeer naar een pure en onbezoedelde vorm van godsdienst.
Ouweneel handelt het De´sme af met deze kanttekening die hij 'uitdagend' noemt: "Welke aannemelijke reden zou God kunnen hebben om wel de wereld te scheppen, maar er verder niet naar om te kijken?" Antwoorden laten bij enig nadenken niet lang op zich wachten: Wellicht omdat hij er niet naar hoefde om te kijken? Alles verloopt automatisch volgens de natuurwetten die Hij ingesteld heeft. Of misschien: omdat Hij andere dingen aan zijn hoofd heeft? Misschien was dit een probeerseltje en heeft Hij inmiddels al veel betere universums geschapen? Hij geeft er tenslotte in de bijbel voortdurend blijk van dat Hij er genoeg van heeft en alles liever wil uitroeien. Zelfs een ezel leert zich uiteindelijk niet meer te stoten aan dezelfde steen, dus waarom zou een God het niet leren.
Waar het om gaat, maar Ouweneel ontgaat, is dat er inderdaad een niveauverschil is met het The´sme, maar niet zoals Ouweneel beweert, een glijdende schaal, dus dalend, maar een stijgend inzicht. We belopen in het denken een heuvel die tijdens het beklimmen steeds beter uitzicht geeft. Men werd De´st omdat men erdoor gedwongen werd, omdat het The´sme niet deugde. Het The´sme laat God om de mens draaien. Dat er aan het De´sme wellicht iets niet deugt komt weer in een nog later stadium tot het bewustzijn.

3-Het Panthe´sme. In het Panthe´sme laat men God als persoonlijk wezen achter zich. Tezelfdertijd beseft men dat de mens de hele tijd eigenlijk maar met de indrukwekkende natuur is bezig geweest. Hij wordt door dit alles overweldigd, alhoewel hij er ook een nietig onderdeel van is. Hij noemt dit overweldigende God en geeft zich er onvoorwaardelijk aan over. Panthe´sme is mijns inziens de hoogste traptrede van godsdienst. Het is een reuzenstap voor het bewustzijn en ver verheven boven voorgaande religieuze opvattingen.
Omdat het een zoveel hoger ontwikkeld bewustzijn is is panthe´sme veel moeilijker te begrijpen. Maar in plaats van een poging te doen het wat dieper uit te leggen walst Ouweneel het meteen finaal plat met maar ÚÚn banale opmerking: "Het panthe´stische standpunt is, dunkt me, nogal weinigzeggend." Weinigzeggend? Terwijl sommigen van de allergrootste denkers die onze cultuur maar geproduceerd heeft, Spinoza, Goethe, panthe´sten waren? "Het mag de mystieke gemoederen voldoening geven hun eigen geest goddelijk te noemen, maar je wordt er niet wijzer van." Ik krijg nu het gevoel dat ik Ouweneels manier van schrijven niet altijd zo waardeer. Uiteraard heeft hij hiermee gelijk, maar waarom laat hij het andere deel van wat de panthe´st gelooft weg? Een panthe´st gelooft ook dat alles wat buiten hem is goddelijk is, en daar wordt een mens wel degelijk een stuk wijzer van! Zelfs wijzer dan een the´st -die altijd een duivel nodig heeft in zijn denken- ooit kan komen.

4-Het Ietsisme. Ouweneel legt deze opvatting uit als een 'goedkope middenpositie'. Het is de opvatting van mensen die terugdeinzen voor het athe´sme, maar geen last willen hebben van godsdienst. Vooral van mensen "die geen zin hebben over het hele vraagstuk Řberhaupt na te denken." Dat een ietsist voor het athe´sme terugdeinst geloof ik ook, maar zulke mensen af te doen als nietszeggers en luie denkers zou ik niet voor mijn rekening willen nemen. Ik ben bij het beklimmen van mijn eigen stijgende denkheuvel ooit ook in deze fase beland, en het was bepaald niet vanwege onverschilligheid of luiheid, maar precies vanwege het omgekeerde. Ietsisme is de positie van iemand die met man en macht aan God en religie probeert vast te houden, maar uiteindelijk in frustratie en bijna wanhoop uitroept dat het niet lukt er wat zinnigers van te maken. Het is weer een stukje bewustzijn meer, weer een streepje verder. Want om de grootste vergissing in het menselijk denken -God- gedag te kunnen zeggen moet een mens de weg in het religieuze denken eerst tot het bittere eind bewandelen. De mensheid bevrijdt zich pas van godsdienst wanneer het jezelf voor de gek houden, geborgenheid en troost halen uit een liefdevolle vader die alles overziet en om je geeft, echt niet meer onderhouden kan worden.

5-We belanden op het Agnosticisme. Hier staat de denkende mens op het hoogtepunt van zijn intellect: indien een mens totaal eerlijk wordt heeft hij eindelijk door dat het onmogelijk is om kennis te hebben van een God. Iets wat eigenlijk bijzonder eenvoudig was om in te zien, als men alleen al bedenkt hoe onmogelijk het is voor een bacterie in onze buik om een idee te hebben van de Mens waarin de bacterie leeft. En het verschil tussen mens en God moet met het oog op het universum nog veel groter zijn. Iedere echte denker weet bovendien dat welke opvatting dan ook van de mens op de keper beschouwd slechts een zienswijze is en men over niets een 100% zekerheid kan hebben.
Ouweneel is van mening dat agnosten in praktische zin athe´sten zijn. Dit ben ik met hem eens. Agnosticisme is athe´sme dat in strikt theoretisch-filosofische bewoordingen spreekt. Bertrand Russell legde dit ooit eens haarfijn uit:


Altijd wanneer ik naar het buitenland ga of naar een gevangenis of welke soortgelijke plaats dan ook, vraagt men mij altijd wat mijn religie is. Ik weet nooit goed of ik ĹAgnosticusĺ moet zeggen of ĹAthe´stĺ. Het is een erg moeilijke vraag en ik geloof zeker dat sommigen onder u met hetzelfde probleem geworsteld hebben. Als ik als filosoof zou spreken voor een louter filosofisch publiek zou ik mezelf beschrijven als een agnosticus, omdat ik niet denk dat er een doorslaggevend argument bestaat waarmee iemand kan aantonen dat er geen God bestaat.
Aan de andere kant, als ik hetzelfde idee zou moeten overbrengen naar de gewone man in de straat, zou ik denk ik zeggen dat ik een athe´st ben, omdat wanneer ik zeg dat ik niet kan bewijzen dat er geen God is, ik evengoed zou moeten zeggen dat ik niet kan bewijzen dat de Homerische goden niet bestaan. Niemand van ons zou het serieus voor mogelijk houden dat alle Homerische goden echt bestaan, en toch, als je logisch moest aantonen dat Zeus, Hera, Poseidon en de andere goden niet bestaan, dan zou je ontdekken dat dit een vreselijke klus is. Je zou een dergelijk bewijs niet kunnen leveren. Daarom zou ik ten aanzien van de Olympische goden, en sprekende tot een louter filosofisch publiek, zeggen dat ik een agnosticus ben. Maar algemeen gesproken denk ik dat we met betrekking tot deze goden allemaal zouden zeggen dat we athe´st zijn. Ten aanzien van de christelijke God zou ik, denk ik, exact dezelfde lijn trekken.'


6-Tenslotte komt Ouweneel op het Athe´sme. Hier blijft hij langer bij stilstaan. Het eerste wat mij opvalt bij zijn behandeling van athe´sten is dat hij de behoefte voelt athe´sme neer te zetten als een buitengewoon extreme positie, die bijna niemand echt serieus kan nemen. "Tot op de dag van vandaag wordt het athe´sme, althans in beredeneerde vorm, maar door relatief weinig mensen wereldwijd aangehangen." Vervolgens maakt hij het groepje nˇg kleiner door zijn eigen definitie van echte athe´st te geven. "De Úchte athe´sten zijn de weinigen die hun standpunt niet alleen diep doordacht hebben, maar het gewoonlijk met dezelfde 'religieuze' ijver verdedigen als the´sten". Dit is uiteraard een rare definitie, want in dat geval zou je ook het groepje echte the´sten moeten beperken tot de paar die evangeliserend aan de weg timmeren. Ouweneel doet nog meer zijn best om de athe´sten neer te zetten als een bijzonder onsmakelijke groep: "Ze 'parasiteren' in zekere zin op the´sten." Immers, hoe sterker de religie, des te meer er weerstand komt, hoe meer de cultuur seculariseert, des te minder men behoefte heeft met de godsvraag bezig te zijn en de ontkenning naar voren te brengen. Uiteraard heeft Ouweneel hierin gelijk, maar parasiteren is wel een heel tendentieus woord om hier te gebruiken. Als we op die toer gaan komt eerder het The´sme in aanmerking om parasiet genoemd te worden. Het The´sme is een vreemde indringer in het mensdom: een zogenaamde 'goddelijke openbaring' nestelt zich in het brein van een uitverkorene, die vervolgens zijn gehele omgeving ermee besmet; het The´sme is met het idee van zending behept, zij moet zich tot in alle hoeken en gaten van de mensenwereld nestelen en uitbreiden om alleenheerser te worden. Athe´sme is dus uiteraard veel groter dan de athe´sten die zich gemeld hebben bij de vuilnisopruimdienst of kankerbestrijding. Ouweneel laat vervolgens weten dat de meeste agnosten en ietsisten niets van die aktieve athe´sten moeten hebben. Men ziet ze als even fundamentalistisch als de fundamentalistische the´sten. Ik ben inderdaad in mijn carriŔre als internetforumdeelnemer in vijf jaar wel tweemaal een vrijzinnige christen tegengekomen die zo denkt (maar nog nooit een agnost of ietsist met deze kritiek). Maar dat athe´sten die aan de weg timmeren een 'piepkleine minderheid' zijn vind ik niet bepaald een argument dat tÚgen athe´sten spreekt. Athe´sme is de nieuwste ontwikkeling van het menselijk denken, het is slechts sinds een eeuw of twee een optie. Slechts een klein aantal denkers kan het aan het bewustzijn tot op deze -letterlijk eenzame, van God verlaten- hoogte te vergroten. Het gaat hier om de herauten van de toekomst, de voorlopers van waar de mensheid in zijn geheel in de verre toekomst naartoe zal gaan in het denken. De meeste athe´sten zullen daarom wijselijk meer bezig zijn met nieuwe manieren van zingeving te zoeken en nieuwe uitdagingen aan te gaan dan hun tijd doorbrengen met het aanvallen van het verouderd denken.
Ouweneel geeft ook nog een indeling van 'harde' en 'zachte' athe´sten (niet overeenkomend met de anglo-saxische definities van deze termen). Een harde athe´st is voor hem iemand die in volkomen determinisme via natuurwetten gelooft. Hij ziet geen mogelijkheid tot een zinnige discussie met dit soort mensen. Hij laat overigens achterwege te vermelden dat er ook The´sten zijn die op dezelfde manier in een starre zienswijze van voorbeschikking verstrikt zitten, en of hij daarmee wÚl in gesprek kan zijn. En bovendien streept hij sommige van de grootste denkers weg als gesprekspartners, zoals Spinoza en Einstein die zich voor dit denkbeeld uitspraken. "Er zijn echter ook 'zachte' athe´sten, die schoonheid, waarheid, gerechtigheid, empathie en soms zelfs het bestaan van de vrije wil erkennen." Hier worden athe´sten door Ouweneel beschreven alsof het om extraterrestrials gaat, alsof ze, wonder boven wonder!, soms zelfs bijna menselijke vorm kunnen aannemen! Een grotere miskleun van een zin ben ik tot nu toe nog niet tegengekomen. Maar de athe´sten zijn nog niet genoeg in het gezicht geslagen. Ouweneel doet er nog een schepje bovenop:


Er zijn 'sceptische' en 'cynische' athe´sten. Het verschil is dat een scepticus overtuigd kan worden als je hem maar genoeg argumenten verschaft, terwijl een cynicus niet te helpen valt. Hij parasiteert op het bewijsmateriaal om er zijn spel mee te spelen, tegenstanders te vloeren, indruk op het publiek te maken, maar niet om serieus debat te voeren.


Je vraagt je af hoe iemand die zo'n treffende omschrijving van zichzelf geeft het lef kan hebben hier athe´stische 'cynici' om de oren te slaan. Zou Ouweneel echt met de gedachte leven dat hij via argumenten om te praten zou zijn tot athe´sme? Zou hij zelfs op de leeftijd van ouderdom aangekomen zo slecht zichzelf kennen? Was het nu echt teveel gevraagd van hem om 'cynici' te zien voor de mensen die ze zijn: tot in het oneindige beziggeweest met het wikken en wegen van religie, en het telkens te licht hebben bevonden? Een cynicus is iemand die men niet meer kan verrassen. Hij heeft alles aan zich voorbij zien gaan, aandachtig bekeken en van te weinig waarde bevonden. Dat Ouweneel zelf zo'n cynicus is bewees hij al met de opmerking dat hijzelf wel de athe´stische recensie van zijn boek zou kunnen schrijven! En nu schrijft hij dat praten met dit soort mensen gelijk staat aan "parels voor de zwijnen te werpen". Hoe triest! Ten eerste is er geen grotere belediging mogelijk dan deze uitspraak van Jezus te gebruiken (wanneer een uitspraak in de bijbel staat is de gelovige blijkbaar doof voor de grofheid ervan), en ten tweede is die athe´stische cynicus nu net de persoon met wie iemand die per sÚ geen athe´st wil zijn juist in gesprek moet gaan, want in alle waarschijnlijkheid is juist de cynicus -of hij nu ooit gelovig is geweest of niet- in een ware jacobsworsteling met het the´sme gewikkeld geweest. Ik vraag me af of Ouweneel dit ook van zichzelf kan zeggen en ooit in zijn eigen geest in een ware jacobsworsteling met athe´sme is geweest. Zo niet dan heeft hij misschien tˇch een punt. Er zijn inderdaad mensen voor wie alles maar een intellectueel spelletje is en gelegenheid tot op de planken staan en anderen te imponeren.



Statistieken om je eerst wat moed in te spreken

Nu alle concurrerende zienswijzen met nonchalante, oppervlakkige en zeer bevooroordeelde hand van de tafel zijn geveegd, gaat Ouweneel verder met een ophemeling van het christendom. Hij wil in dit boek een enthousiaste verdediging van zijn christelijk geloof geven. Tevreden spreekt hij uit dat zo'n verdediging maar nauwelijks of niet van de´sten, panthe´sten, ietsisten en agnosten verwacht kan worden. Hij legt uit dat je er een "existentiŰle prikkel" voor nodig hebt. Vreemd dat hij zijn apologetisch werk enkel positief kan beschouwen, en niet op de gedachte komt dat de de´st, panthe´st, ietsist en agnost niet geplaagd wordt door existentiŰle benauwdheid en daarom geen enkele behoefte heeft aan krampachtigheid. Dat de uitdrukking 'existentiŰle prikkel' in werkelijkheid juist deze negatieve betekenis heeft van 'benauwdheid', 'krampachtigheid', laat het vervolg van Ouweneels betoog goed zien:


Zo'n existentiŰle prikkel heb ik ook: kom niet aan mijn Godsgeloof!


Een christen is iemand die in grote existentiŰle benauwheid leeft en op een gegeven moment in wanhoop naar een valse oplossing ervoor gegrepen heeft. Omdat hij/zij zelf beseft dat het om intellectuele oneerlijkheid gaat is een christen altijd bang dat hem/haar wat afgepakt wordt. Het is een altijd weerklinkend refrein dat je in alle hoeken en gaten van de gelovige wereld tegenkomt.

Ouweneel schildert daarom meteen een uiterst vertekend beeld van het christendom, alsof het om een bloeiende en heerlijk geurende rozentuin gaat. Ten eerste is het christelijk geloof volgens hem niet op zijn retour, maar is het juist de snelstgroeiende religie ter wereld. Hij geeft toe dat het europese christendom een "(tijdelijke?) terugval" beleeft, maar troost zich meteen met de gedachte dat de groep evangelicalen waartoe hij behoort de snelstgroeiende groep van alle religieuze stromingen ter wereld is. Het mooiste verhaal komt wanneer hij het over China heeft. "De snelste groei van het christendom uit haar gehele geschiedenis"! Ik krijg deze woorden te lezen:


Xu Yongze, die lange tijd voorzitter is geweest van de leidersraad van de zo'n 60 miljoen leden tellende huisgemeentenbeweging in China, schreef onlangs: 'ik geloof dat God de athe´stische regering heeft toegestaan de oude structuur van de Chinese kerk [van vˇˇr 1949] te vernielen, zodat Hij haar geheel volgens zijn voornemen kon herbouwen. Hij begon met weinig en heeft er veel van gemaakt! Het simpele feit dat de Chinese kerk gegroeid is en vandaag bestaat uit een menigte van tientallen miljoenen, is niet alleen een bewijs van het bestaan van God, maar ook van zijn onvergelijkelijke macht.'


Lees ik dit goed? Kan een wetenschapper echt zo'n gedrocht van een redenering neerzetten om zijn God aan de man te brengen? Ja, ik lees het goed, Ouweneel schrijft erachteraan: "Dat vind ik een indrukwekkend getuigenis." Is het mogelijk dat bij hem niet meteen de gedachte opkwam dat het niet bepaald voor zijn God pleit dat het wel 1900 jaar duurde voordat Hij eindelijk wat interesse kreeg in Chinezen? Is het mogelijk dat iemand geen wenkbrouw ophaalt wanneer hij leest dat God zijn kerk vernielt? Hebben al die brave Europese en Amerikaanse christenen in vroeger eeuwen hun geld voor de zending in China helemaal in de beerput zien gaan? Waarom moet God altijd opnieuw beginnen om er eindelijk wat 'volgens zijn voornemen' van te maken? Is het mogelijk dat een denkend persoon hier echt een conclusie over het bestaan van God verbindt? Kan een eerlijk mens het wat betreft deze zaak echt hebben over "onvergelijkelijke macht"? Heeft men geen weet van de fenomenale verspreiding van het moslimgeloof in haar begineeuwen? Of de fenomenale verspreiding van de ontkerkelijking in het Europa van na de 60-er jaren? Of in de onvergelijkelijke aantallen Chinezen die niet voor het christendom kiezen?


We krijgen nog meer claims te horen:
1)"Het is een feit dat het christendom nog altijd de snelstgroeiende godsdienst ter wereld is, ook sneller dan de islam." Waar Ouweneel zijn feit vandaan heeft schrijft hij niet. Ik heb dus zelf even moeten kijken op het internet hoe het met deze statistieken zit. EÚn site stelt dat de moslimgodsdienst met 2,9% groeit en de christelijke godsdienst met 1,3 of 1,4%. Een christelijke site bestrijdt moslimcijfers en komt met een groeicijfer van 1,36% voor het christelijk geloof en een cijfer van 2,13 voor het het moslimgeloof. Men merkt daar op dat het moslimgeloof gemakkelijker groeit omdat je slechts in een moslimland geboren hoeft te worden om tot de moslims gerekend te worden. Men laat ook weten dat de Bahai en Zoroasters nog steviger groeien (Baha'is are growing at a faster rate (2.28 ) and faster still are Zoroastrians (2.65) ).

Toevallig krijg ik (maart 2008) een krantenbericht onder ogen dat de allernieuwste cijfers weergeeft van de missiologen Barrett, Johnson en Crossing, mannen die al voor de 24ste keer jaarlijks een miljoenen dollars verslindend onderzoek uitvoeren, en met deze cijfers aankomen: wereldbevolking anno 2008: 6,7 miljard. 33,3 procent wordt statistisch onder 'het christendom' gerekend, maar dat is begrijpelijk: het zijn christelijke onderzoekers die het christendom het liefst zo groot mogelijk willen maken; 90% van de Finnen bijvoorbeeld behoren tot die statistieken, terwijl maar 3-4% naar de kerk gaat en nog minder ooit de bijbel van begin tot eind heeft doorgeploegd. Het groeipercentage van christendom is volgens deze nieuwste cijfers 1,3%, oftewel de missionarissen weten de toename van christelijk geloof net een ietsepietsje groter te maken dan de toename van de wereldbevolking, maar iedere missionaris zou het bijltje erbij neerleggen indien ze zelfs dßt niet zou lukken. Het groeipercentage van alle andere religies bijelkaar genomen is 1,1%, waaruit ik opmaak dat de missionarissen die andere religies graag heel langzaam willen laten afnemen. Moslims schatten zij op 1,4 miljard, oftewel 21% van de wereldbevolking. De moslimreligie heeft de grootste groei volgens hen (percentage wordt niet genoemd). Niet-religieus beschouwen zij 11,4% van de wereldbevolking (=bijna 800 miljoen). Volgens deze missionarissen zijn er 422 miljoen christenen die tot 'vrije, onafhankelijke groeperingen' behoren (wat men traditioneel evangelisch noemt), protestanten (waarmee men de traditionele richtingen bedoelt) worden geschat op 386 miljoen, katholieken op 1130 miljoen, orthodoxen op 252 miljoen en anglicanen op 83 miljoen. Hindoes schatten zij op 890 miljoen. Vreemd, want volgens een internet site van 2003 waren het er volgens deze zelfde missionarissen in dat jaar meer dan 1000 miljoen, oftewel in 5 jaar een afname van meer dan 10%! Op die site wordt het aantal moslims in 2003 op 'meer dan 1,2 miljard' geschat. Indien dat cijfer in 5 jaar is gestegen tot 1,4 miljard is dat een groeipercentage van meer dan 2% per jaar.
Ik ga vervolgens eens kijken op een site die 'neutraal' probeert te zijn. Het Wikipedia-artikel over het aantal religieuze aanhangers in de wereld spreekt meteen boekdelen: "This page is currently protected from editing until disputes have been resolved." Het staat op slot als gevolg van felle controversies aangaande de juiste cijfers. Dßßr wordt het aantal christenen geschat op 25-29% van de wereldbevolking, beduidend minder dan de christelijke sites ons willen doen geloven. EÚn reden is meteen al duidelijk: gaat men kijken op het aantal christenen per land, vindt men dat in de voormalige Sovjet-Unie na 70 jaar athe´sme opeens twee-derde van de bevolking (100 miljoen!) onder 'Orthodox' staat ingeschreven! Een land als Wit-Rusland is ook al een christelijk paradijs: 96% van de bevolking is christelijk! MoldaviŰ is nog voorbeeldiger christelijk: 98% Oosters Orthodox! Ga je dan kijken op een andere Wikipediapagina, het percentage niet-religieus, dan vind je opeens dat volgens cijfers van 2006 bijna 50% van de bevolking in Rusland en Wit-Rusland zegt geen religie aan te hangen! Er zijn er daar dus blijkbaar een hoop die het zelfs klaarspelen zowel christen als athe´st te zijn, een interessante combinatie. In ieder geval heb ik na wat surfen op het internet alle reden om alle statistieken over aantallen gelovigen met een korreltje zout te nemen.

2) Ouweneel schrijft dat "het christendom een (tijdelijke?) terugval beleeft". Op een site van Christian Research organisation wordt voorspeld dat indien de trend doorgaat zoals het tot op heden is gegaan, het christendom in Groot BritanniŰ in 2040 vrijwel in zijn geheel verdwenen zal zijn!

3)Hij schrijft dat het evangelicale christendom 800 miljoen mensen omvat. "Evangelicaal" omschrijft hij als christenen die de bijbel als goddelijk gezaghebbend beschouwen, nadruk leggen op verzoening en verlossing via het kruiswerk van Jezus Christus, op persoonlijke bekering en de noodzaak tot evangelisatie". Aangezien deze zaken in alle kerkelijke richtingen terug te vinden zijn (hij noemt "rooms-katholiek, luthers, calvinistisch, anglicaans, baptist, charismatisch, enzovoort"), is het volgens mij onmogelijk om hier statistieken van te hebben. Tˇch beweert hij ze te kunnen tellen ("schattingen spreken van 800 miljoen") Ún te zeggen dat ze van alle religieuze stromingen ter wereld de snelste groei doormaken. Hij levert geen bron. Wat ik lees in deze statistiek van 'evangelicaal' is dat Ouweneel dus eigenlijk zegt dat er maar 800 miljoen echte christenen in de wereld zijn, dus slechts 12% van de wereldbevolking, en slechts 36% van de cijfers die voor de christenheid als geheel worden gegeven. Eerder iets om als christen depressief van te worden dan dat het bemoedigend zou zijn.

4)Volgens zijn cijfers vindt de snelste groei van het christendom uit haar gehele geschiedenis plaats in het huidige China. "Waren er in 1950 ongeveer 1 miljoen gelovigen in China, in 1990 50 minstens miljoen, en intussen misschien wel 100 miljoen." Ik ging kijken op het internet en vind deze cijfers: officiŰle cijfers spreken van 25 miljoen. "Een uitgelekt rapport van de geheime politie" zou spreken over 35 miljoen. Wikipedia schat Chinese christenen op 52 miljoen. Slechts een evangelische organisatie Open Doors spreekt van 60-80 miljoen. Honderd miljoen kwam ik nergens tegen. Iedereen zegt met klem dat betrouwbare statistieken voor China niet bestaan.

5) Het echte athe´sme is volgens hem "nooit erg populair geweest, en vandaag de dag wellicht minder dan ooit. Vˇˇr de 19e eeuw is er wereldwijd nauwelijks een volbloed athe´st te vinden, en in de 21ste eeuw neemt hun aantal weer drastisch af." Hun aantal neemt drastisch af? Achter deze 'drastische' uitspraak staat zowaar een voetnoot. Ik ga kijken naar wat zijn bron is en moet hard lachen: Alister McGrath beweert dit in zijn boek The Twilight of Atheism (2004), een boek dat ik gelezen heb; het verwijst naar geen enkel onderzoek, geen enkele statistieken, maar is eenvoudig wishful thinking, een propagandaboek uit de evangelische hoek om evangelicalen op te peppen.

6) Ouweneel schrijft vervolgens: "Voorzichtige ramingen schatten het aantal overtuigde athe´sten wereldwijd op ÚÚn procent, en in de meest geseculariseerde landen op 3 procent." Ouweneel geeft geen bron voor deze 'voorzichtige ramingen'.
Maar op basis hiervan (800 miljoen versus 67 miljoen) rekent hij dat er meer dan tien maal zoveel evangelicalen op aarde rondlopen als athe´sten.

Het oneerlijke hiervan is duidelijk: Seculier/Nietreligieus/Agnostisch/Atheistisch: Verschillende methoden en verschillende manier van vragen leveren eenzelfde patroon op: in de meeste landen is slechts een zeer kleine groep bereid "athe´sme" of "athe´st" te antwoorden op een open vraag "Wat is uw religieuze voorkeur?" (minder dan ÚÚn procent). Een iets groter percentage antwoordt "Ja" wanneer uitdrukkelijk gevraagd wordt of men athe´st is. Weer een iets groter aantal zal "Nee" antwoorden indien gevraagd wordt of men in enige God, goden of hogere macht gelooft. Nog een groter percentage antwoordt "Nee" indien men enkel de keus heeft te antwoorden op "Gelooft u in God". Tenslotte geeft een nog groter percentage als antwoord op de open vraag "Wat is uw religieuze voorkeur" het antwoord "Geen".


Ouweneel mag zijn athe´sten uiteraard beperken tot ÚÚn procent, ik vind het een geweldige eer me in het leven te hebben opgewerkt tot zo'n elite, maar het is duidelijk dat indien men een tweedeling maakt tussen religieus en areligieus de cijfers er heel anders uitzien. De missionarissen gaven al een cijfer van 11,8% niet-religieuzen. Wikipedia geeft een cijfer dat 59-71% van de Chinezen niet-religieus zijn, en alleen dat al geeft hetzelfde percentage! Het aantal niet-religieuze Nederlanders staat volgens Wikipedia op 44%. De Estlanders schijnen het meest goddeloze land te zijn in Europa, 75% is niet-religieus. Hoe het mogelijk is dat ze niet door de 'levende God' daarvoor gestraft worden, maar integendeel, sinds ze onafhankelijk zijn juist de grootste bloeitijd en welvaart in hun gehele geschiedenis meemaken, terwijl hun bijna 100% christelijke buren even verderop, de Witrussen en MoldaviŰrs maar op een afgeknabbelt houtje moeten blijven bijten en de armste gebieden van Europa blijven, moge een van de ondoorgrondelijkste moderne raadsels van God zijn.

Hoe moeilijk het is metingen te doen blijkt wel uit zo'n geval als Finland. 90% staat ingeschreven bij de kerk. Maar opiniepeilingen laten weten (afhankelijk van hoe men vraagt) dat 30-60% van de Finnen niet in God geloven! Het tot de kerk behoren is in SkandinaviŰ een formaliteit, een traditie, iets wat zo ongeveer automatisch is. Om uit de kerk te stappen moet je een bewuste stap doen, en je dus tegen de kerk uitspreken. De meeste SkandinaviŰrs hebben geen zin in zo'n fanatiek gedoe. Velen behoren tot de kerk omdat het wel leuk is in de kerk te trouwen, of omdat de kerk de kerkhoven onderhoudt of omdat men het als een liefdadige instelling beschouwt. De situatie schijnt echter nu opeens drastisch te veranderen in Finland. Tot voor kort moest je naar het kerkelijk bureau of de magistraat om je uit te laten schrijven. Vier jaar geleden echter namen enkele Freethinkers in Tampere een initiatief: ze maakten een web-page met een formulier waarmee je je officieel uit kunt schrijven, de gegevens worden automatisch doorgestuurd naar de magistraat. Men kreeg officieel toestemming voor deze procedure. Het eerste jaar (2003) meldden zich 983 mensen af. De site werd echter steeds bekender. Sindsdien is gebleken dat deze stunt een ramp voor de staatskerk is. Drie jaar later hadden al 40.000 zich zo laten uitschrijven. Vorig jaar schreven zich in ÚÚn jaar 32.000 mensen uit, en de eerste drie maanden van dit jaar laten al weer een groei van 50% zien vergeleken met vorig jaar. Op dit moment verzenden 500-1000 mensen per dag dit formulier! Een paar weken geleden werd de honderdduizendste uitschrijving bereikt sinds men met het initiatief begon.
Uit het aantal geruchtmakende athe´stische boeken die de laatste jaren (na 9/11) opeens als paddenstoelen uit de grond schieten kan men opmaken dat er op dit moment een sterke beweging in de richting van athe´sme werkzaam is. Als gevolg van het moslimfanatisme hebben talloze westerse mensen -waaronder ikzelf- de religie juist meer en meer of zelfs definitief de rug toegekeerd. Hier is een interessant artikel over de situatie in Amerika. Men is er aan gewend de Verenigde Staten tegenwoordig als een bolwerk van het christendom te beschouwen, maar het bolwerk staat op instorten: in 1952 had slechts 2% van de bevolking geen enkele binding met een kerk/christelijke groepering. In 1990 stond dit cijfer al op 10% en in 2001 op 19%. Het percentage dat zich 'christen' noemt is in de periode van 1990 tot 2001 verminderd van 86% tot 77%. De schrijver van dat artikel vermoedt dat de reden wel eens zou kunnen zijn dat christelijk geloof meer en meer gelijk staat aan conservatief fundamentalisme, en het daarom op de lange duur averechts werkt. Ik heb vaak dezelfde gedachte. In Europa is hetzelfde proces aan de gang: christelijk geloof wordt meer een meer een zaak voor fanatiekelingen, wereldvreemden en ongeschoolden. De doorsnee burger schaamt zich er meer en meer voor. Terwijl zo'n persoon er twintig, dertig jaar geleden gewoon nog wel bij wilde horen, omdat het allemaal niet zo fanatiek hoefde gaan, begint het fundamentalistisch gekrakeel hem/haar nu te gortig te worden en keert men religie radikaal de rug toe.

Ouweneels claims om zichzelf op te peppen sluiten aan bij mijn eerder uitgesproken opinie dat het fundamentalisme van de laatste jaren in de islam en in het christendom de uiting is van hun doodstrijd om te overleven in een cultuur die onherroepelijk en onomkeerbaar tot secularisme en wetenschappelijk denken is overgegaan. De boekgodsdiensten zijn gedoemd deze strijd te verliezen, ze behoren tot het tijdperk van de magie en het bijgeloof. Hoe fanatieker ze worden, des te sneller ze deze strijd zullen verliezen omdat het de tegenstelling zo groot mogelijk maakt en mensen dwingt een positie in te nemen. De extreme positie van de fundamentalistische gelovige is altijd het minst aantrekkelijk. Men heeft er geen statistieken voor nodig om de verwachting uit te spreken dat het christendom in Europa deze eeuw vrijwel uitsterft. Overal kan men de tekenen aan de wand opmerken.

Dat het christendom zich uitbreidt in gebieden waar armoe en onwetendheid heerst is een reden temeer voor evangelicalen om de toekomst van het christendom zeer somber in te zien, en een reden temeer voor Ouweneel om te zien dat hij zijn steun voor het christendom niet kan halen uit redelijke argumenten, maar het moet hebben van argumenten ad populum en de aantrekkingskracht van de aloude magie. In een cultuur waar wetenschap, mondig denken en lange schoolopleidingen de dienst uitmaken (Europa) is het christendom gedoemd tot een marginale positie en radikaliseert het overblijfsel steeds meer. Het overblijfsel is gedoemd om uit te sterven of steeds meer op sekten zoals jehovagetuigen of mormonen te lijken.



In gesprek met de grootste athe´sten?

Dat Ouweneel uiteindelijk enkel een boek schrijft voor zijn evangelicale achterban om ze op te peppen, verraadt niet alleen de titel van zijn boek, maar ook de laatste opmerking die hij maakt in het eerste hoofdstuk:


Pas op voor de tendens onder athe´sten om hun eigen geloofsrichting zo oud mogelijk te maken. Zo beroepen zij zich graag op de antieke filosofen als voorlopers van het athe´sme. Maar het feit dat bijvoorbeeld een ontwikkelde Griek of Romein niets moest hebben van de goden zoals zijn volksgenoten die vereerden, maakt hem nog niet tot een athe´st...Het echte athe´sme is vˇˇr de 19e eeuw uiterst zeldzaam.


Terwijl hij net zelf de christelijke cijfers zo mooi en opgeblazen mogelijk maakt, insinueert hij hier dat athe´sten vaak oneerlijk bezig zijn. Ik heb net het boek Atheologie van Michel Onfray uit, en daarin is exact het tegendeel te vinden van wat Ouweneel beweert. Onfray klaagt er over dat hij met een vergrootglas moet zoeken om een rasechte athe´st in vervlogen tijden te vinden. Iemand die er nog het dichtst bij komt leeft pas in de 17e eeuw (een Jezu´et Ferreira die zijn geloof verloor en in 1636 een boekje schreef Het Onthulde Bedrog). Ferreira gelooft nergens in en beschouwt alles in de religie als bedrog, maar vergeet expliciet te vermelden dat hij athe´st is. Eindelijk komt dan Jean Meslier (1664-1729), een pastoor uit de Franse Ardennen. Onfray zegt er dit over:


Hij schrijft een volumineus Testament waarin hij kerk, godsdienst, Jezus, God, maar ook de aristocratie, de monarchie en het Ancien RÚgime neersabelt; hij stelt met een ongehoorde heftigheid maatschappelijk onrecht, en de christelijke moraal aan de kaak...en verkondigt een hedonistisch athe´sme van een verbluffende moderniteit. Voor de eerste keer in de geschiedenis van het denken, wijdt een filosoof - wanneer zal het worden erkend?- een werk aan het athe´sme: hij verkondigt het, bewijst het, toont het, beargumenteert het.


Het boek wordt uitgegeven in 1729, na de dood van Meslier. "De geschiedenis van het athe´sme begint", aldus Onfray. Onfray vult de rij eerste vier grote athe´sten aan met de namen baron d'Holbach (1723-1789), die in 1768 een boek publiceerde De sacrale besmetting, en Ludwig Feuerbach, De essentie van het christelijk geloof, 1841, en als vierde de man die in zijn ÚÚntje voor een aardverschuiving zorgt: Friedrich Nietzsche. Na Nietzsche is de filosofische wereld niet dezelfde meer. Wat dat betreft is 800 miljoen niet-religieuze mensen in de tegenwoordige wereld iets om je over te verbazen! In Nietzsches tijd (125 jaar geleden) kon men naar athe´sten nog steeds met een vergrootglas op zoek gaan! "Nietzscheaan zijn houdt in het denken bij hem te laten beginnen", laat Onfray horen, en vandaaruit verder te reizen. Meslier is de ontkenning van iedere godheid, d'Holbach de onttakeling van het christendom, Feuerbach de deconstructie van de christelijke God, maar Nietzsche zorgt voor de 'herwaardering van alle waarden', wil het athe´sme een nieuw doel laten dienen. Onfray besluit zijn korte analyse van de geboorte van het athe´sme met deze woorden: "Zarathoestra moet weer aan het werk. Slechts athe´sme kan zorgen voor een uitweg uit het nihilisme."


Op d'Holbach na, waarvan slechts het geboorte- en sterfjaar gegeven worden, worden deze athe´stische reuzen niet genoemd. Ik vraag me af of ik ze later in Ouweneels boek tegenkom, en ga even kijken in het personenregister. Meslier komt niet aan bod. Feuerbach wordt op bladzijde 93 in het voorbijgaan even aangestipt als de vader van 'het geloof als projektie'. Nietzsche wordt vier maal genoemd, al evenzeer in het voorbijgaan (Nietzsche: 'wil tot macht'; Nietzsche: 'God is dood'). Ik vraag me af of Ouweneel de laatste twee grote filosofen ooit gelezen heeft, en ben diep teleurgesteld. Iemand die wil schrijven waarom hij geen athe´st is, maar aan Nietzsche voorbijgaat is als iemand die denkt met munten rijk te zijn, maar geen weet heeft van biljetten.